Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

‘Soms kan het ook zonder haakjes’ Over de nominatie van Anne Eekhout voor de BNG Bank Literatuurprijs 2016

 

 

Eekhout_Op_een_nacht_3D.jpgLaat ik het maar eerlijk toegeven: we hielden er rekening mee, we zaten er een beetje op te wachten, we vonden eigenlijk dat het echt niet anders kon. En toch raak je in een feeststemming als Anne Eekhout dan ook echt, geheel volgens onze verwachtingen, genomineerd wordt voor de BNG Bank Literatuurprijs 2016, ‘een prijs voor jonge schrijvers met een jong oeuvre’. Schrijvers die genomineerd kunnen worden zijn Nederlandstalig, van 1976 of daarna. Ze hebben twee of meer literaire prozawerken op hun naam staan, zijn nog niet echt doorgebroken (wat dat ook moge betekenen), hebben geen grote literaire prijs gewonnen en publiceerden in het afgelopen jaar een boek. Dat het een sluis is die toegang biedt tot breder vaarwater wordt wel duidelijk als je kijkt naar wie (onder anderen) de prijs in het verleden hebben gewonnen: Esther Gerritsen, Gustaaf Peek, Christiaan Weijts en vorig jaar Jamal Ouariachi.

Anne Eekhout dus, die drie jaar geleden bij De Arbeiderspers debuteerde met de roman Dogma en van wie dit jaar de opvolger daarvan, Op een nacht, uitkwam. Ze is genomineerd met Thomas van Aalten, Hanna Bervoets, Merijn de Boer en Eva Meijer.

Een paar weken nadat Op een nacht was verschenen, publiceerde Anne in de nrc.next van 21 maart 2016 een stuk onder de titel ‘Moet je knetter zijn als auteur?’ Dat was een pleidooi voor het schrijven van echte fictie, maar het problematiseerde dat genre meteen ook. Want zuivere fictie heeft, aldus Anne Eekhout, geen haakje. Arjen Fortuin sprong daar in een column in NRC Handelsblad tien dagen later gretig op in. Het haakje is, schrijft Fortuin, ‘datgene waarmee een boek uit de grijze massa gewone romans te halen is. Iets autobiografisch bijvoorbeeld. Iets zieligs of iets actueels. Iets dat de redacties van kranten, radio en tv-programma’s interesseert. “Dit is geweldige literatuur” is geen haakje. Dat klinkt te veel als: “Ik heb nog een oude kruik levertraan in de kelder gevonden.”’

Is dat zo? Misschien moet ik er de toespraak die ik hield bij de presentatie van Op een nacht nog eens bij halen. Die staat hieronder tussen de asterisken.

*

Wie de ontwikkelingen in het boekenbedrijf van de laatste jaren heeft gevolgd, moet zich wel sterk bewust zijn van het feit dat het vandaag de dag voor een romanschrijver hondsmoeilijk is geworden om te debuteren in de Nederlandstalige literatuur.

Iedereen weet dat er veel minder boeken worden verkocht dan vroeger, dat er minder boekhandels zijn en dat de boekhandels die er over zijn – de majestueuze uitzonderingen van een boekhandel als Athenaeum waar we ons nu bevinden daargelaten – ook voorzichtiger inkopen en over minder middelen beschikken om alles rijp en groen op de tafels neer te leggen. Daar komt dan nog eens bij dat fictie (en daar behoren romans nu eenmaal toe) de laatste jaren minder verkoopt, niet alleen in absolute zin, maar ook in verhouding tot non-fictie.

Je moet kortom stevig in je schoenen staan om nog carrière te willen maken in een genre waarin – dit is een persoonlijke indruk die ik nog niet met cijfers kan staven – de afgelopen jaren minder gedebuteerd is omdat naar mijn stellige indruk ook uitgevers voorzichtiger zijn geworden.

En als je dan al debuteert dan graag met iets dat brandende kwesties aansnijdt, op de bladderende huid van de barre tijd geschreven is of schaamteloos autobiografisch is.

Durf dan als jonge debutant nog maar eens te komen aanzetten met een roman die met volle overtuiging volledig ontsproten is aan niets dan de verbeeldingskracht. Maar Anne Eekhout durfde zich met Dogma in die niche te storten. Pure fictie over een gegeven – een groep studenten die op zeker moment besluit een documentaire te maken over de zelfmoord van een van hen – waarop kwalificaties als ‘gezellig’, ‘onderhoudend’ of ‘herkenbaar’ nu niet direct toepasbaar zijn.

Anne Eekhout was er ook niet op uit het ons gemakkelijk te maken of om ons gerust te stellen, maar haar oncomfortabele vertelling kreeg wel zijn beslag in een beklijvend boek waarvan de kwaliteiten door de literaire kritiek (kortom door mensen die we wanneer ons dat goed uitkomt doorgaans als kenners zien) onmiddellijk werden herkend. Dogma werd onthaald op viersterrenrecensies (en over dat sterrensysteem zullen we het nu, om het gezellig te houden, ook maar niet hebben). En Dogma werd herdrukt én genomineerd voor de Bronzen Uil voor het beste debuut én op de longlist van de AKO Literatuurprijs gezet.

Kortom: succesvol gedebuteerd in een voor dit type boek niet bepaald gunstig literair klimaat. Voor zoiets word je dan in feite ook meteen weer gestraft want een geslaagde start schept hoge verwachtingen. ‘Succes met een eerste boek is geweldig,’ sprak laatst een thrillerschrijfster, ‘maar als je eenmaal uitgejuicht bent, ontdek je het addertje onder het gras. De lat is een stukje hoger gelegd en het is aan jou om er elegant overheen te springen. Kleine foutjes die je bij je eerste boek nog werden vergeven, zijn nu uit den boze, want je moet er wel van geleerd hebben. Dat moet je bewijzen in je tweede boek.’

Maar volgens mijn stellige overtuiging is Anne Eekhout in het geheel niet gebukt gegaan onder het juk of de vloek van dat tweede boek. Waar ze jaren aan Dogma werkte en in soms grote vertwijfeling talloze nieuwe versies maakte, daar schreef ze haar nieuwe boek Op een nacht – nee, niet in een nacht en ook niet in een vloek en een zucht – maar wel in hooguit anderhalf jaar en ook nog eens met een plezier dat je maar zelden tegenkomt als redacteur.

Dat plezier zit bij haar in de monterheid en vastberadenheid waarmee ze het schreef. Het zit niet per se in het boek zelf. Het plezier spat niet van de pagina’s af. Want laten we wel wezen: wie beide boeken gelezen heeft zonder de auteur ervan te kennen zal op z’n minst denken dat die Eekhout niet bepaald het zonnetje in huis is.

En dat is meteen ook het grote misverstand. Het misverstand om te denken dat het boek (en wat erin tot uitdrukking wordt gebracht) op de een of andere samenvalt met de schrijver (en de psyche van de schrijver). Vaak is dat natuurlijk wel zo, maar het is niet noodzakelijkerwijs zo bij de schrijvers van pure fictie, en daarvan is Anne Eekhout er een. Zij is er daarvan zelfs zozeer een en met zoveel overtuiging dat ze er een stuk over heeft geschreven onder de titel ‘De rijkdom van de pure-fictieschrijver’ [dat stuk dus dat later onder een andere titel in nrc.next stond]. Het is een geestdriftig pleidooi voor dat toch lichtelijk bedreigde genre van de zuivere fictie waarvan de auteurs slechts aan hun eigen fantasie vastzitten: ‘En die is grenzeloos’.

‘Pure fictie kan sentimenten onsentimenteel onder de aandacht brengen, politiek zijn zonder te dwingen, het universele individueel maken en het individuele universeel, juist door niet rechtstreeks afkomstig te zijn uit het leven van de schrijver.’

Het plezier spat van de schrijver, van Anne Eekhout, af en niet zozeer van de bladzijden die zij geschreven heeft. Wat daarvan in Op een nacht af spat is het steeds vastere vormen aannemende vermoeden dat hier iemand aan het werk is die met de kracht van die pure verbeelding alle mogelijke emoties, gedachten en handelingen weet op te roepen. In Op een nacht ervaren we op een nooit eerder beleefde manier wat beklemming, gruwel, ongerustheid en waanzin voor vormen aan kunnen nemen, maar hetzelfde geldt ook voor liefde, geborgenheid en onversneden geluk. Op een nacht is een boek zoals je er voor het eerst een zult lezen.

Maar ook voor het laatst.

En over de vraag of we ons met dit boek uiteindelijk in de hemel of de hel of iets daartussenin bevinden, zal oneindige discussie blijven bestaan.

*

 

Conclusie: Arjen Fortuin heeft gelijk. ‘Dit is geweldige literatuur’ – dat is geen haakje. En toch is dit (het werk van Anne Eekhout) geweldige literatuur. Soms krijg je dan een beetje hulp. Van zo’n nominatie bijvoorbeeld. Soms kan het ook zonder haakjes.

 

 

op-een-nacht-beste

‘Wij zijn niet bestand tegen de tijd’ Paul de Wispelaere (1928-2016)

 

Zaterdag 2 december 2016 overleed Paul de Wispelaere. Zijn misschien wel beroemdste boek, Het verkoolde alfabet, verscheen in de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers. Dat boek had gevolgd moeten worden door meer boeken bij dezelfde uitgeverij, maar de loop der dingen bepaalde anders.]

wispelaere_verkooldeDe liefde, de menselijke eenzaamheid en de vergankelijkheid – drie van de belangrijkste thema’s uit zijn werk vinden we al terug in de roman Een eiland worden waarmee Paul de Wispelaere op zijn vijfendertigste debuteerde in de Nederlandstalige letteren. ‘Wij zitten elk op een eiland […] wij zij niet bestand tegen de tijd,’ stelt hoofdpersoon Filip daar vast.

Alleen al die titels van veel van zijn boeken. Een eiland worden, Brieven uit Nergenshuizen (briefwisseling tussen een schrijver op leeftijd en een jonge lezeres), En de liefste dingen nog verder (wat uiteindelijk zijn laatste roman bleek te zijn, handelend over een oudere schrijver die te horen krijgt dat hij aan een terminale ziekte lijdt): de weemoed spat ervan af.

Paul de Wispelaere is langzaam uit zichzelf weggegleden. Hij leed aan de ziekte van Parkinson en de gevolgen daarvan: een falend geheugen. Mede daardoor had hij al vele jaren geen contact meer met zijn uitgevers en met (anderen uit) de literaire wereld. Niettemin ging het bericht van zijn dood in Vlaanderen niet onopgemerkt voorbij. Alle belangrijke kranten wijdden stukken aan hem als ‘een van de onbetwiste coryfeeën en vernieuwers van de Vlaamse literatuur’. En toch, om dicht bij de melancholie van De Wispelaere te blijven, moeten we ook vaststellen dat roem vergankelijk is en je in deze geheugenloze tijden al snel in de vergetelheid raakt als je niet constant in het nieuws bent.

In Nederland waren de berichten over de dood van Paul de Wispelaere namelijk een stuk kariger en schaarser. De maandag na zijn overlijden was de Volkskrant er overigens wel meteen bij, met een stuk van hun Vlaamse medewerker Paul Depondt. En met een begeleidende foto op postzegelformaat. Je moest dus goed kijken om te zien dat, anders dan het onderschrift ons wilde doen geloven, Paul de Wispelaere daar helemaal niet op stond. Het was een foto van Herman de Coninck, tot mijn verdriet ook weer een eeuwigheid dood.

Paul de Wispelaere is een geval apart in mijn hoedanigheid als redacteur en uitgever bij De Arbeiderspers. Hij is bij mijn weten de enige auteur met wie ik jarenlang (zo tussen 1995 en 2002) contact heb onderhouden – hij was immers fondsauteur – zonder dat ik ooit een boek van hem heb kunnen uitgeven. Goed begrepen: tot mijn grote spijt.

De eerste keer dat ik hem ontmoette (als dat het juiste woord is) was trouwens jaren voor mijn tijd bij De Arbeiderspers. Die ontmoeting vond volkomen toevallig en ongepland plaats. Het moet in de zomer van 1993 zijn geweest. Het verkoolde alfabet, misschien wel zijn grootste succes als schrijver waarin hij een jaar lang een dagboek bijhoudt, was in 1992 bij De Arbeiderspers uitgekomen in de reeks Privé-domein. Dat boek maakte, aanvankelijk vooral onder beroepslezers, furore. Achterop de derde druk (die ik zelf bezit) staan citaten van uiteenlopende bewonderaars als Julien Weverbergh, Jeroen Brouwers en Cyrille Offermans. Die laatste schreef: ‘Het verkoolde alfabet [is] een hoogtepunt in De Wispelaeres oeuvre; binnen de Nederlandse literatuur neemt dat oeuvre trouwens een unieke plaats in.’ Het was hetzelfde jaar waarin Mulisch, de Goethe van het Leidseplein, zijn magnum opus, De ontdekking van de hemel, publiceerde. In die jaren stelde ik voor Nijgh & Van Ditmar een aantal keer Mekka. Jaarboek voor lezers samen. Een van de vaste onderdelen van dat jaarboek was Mekka’s Top Honderd, een uit de toptienen van een zeventigtal critici uit Nederland en Vlaanderen opgemaakte lijst van de beste honderd literaire boeken van dat jaar. Mulisch won dat jaar met zijn grote roman de Mekka-beker, maar Het verkoolde alfabet eindigde op nummer twee, ver voor Het grote verlangen van Marcel Möring, die met dat boek later de AKO Literatuurprijs zou winnen, maar ook voor schrijvers als Koeppen, Tranströmer, Kadare, Singer en Pynchon van wie dat jaar ook allemaal belangrijke boeken in een Nederlandse vertaling verschenen.

Die zomer maakte ik – om op de eerste ontmoeting terug te komen – met mijn geliefde, niet voor het eerst en ook niet voor het laatst, een rondreis door Europa per auto. Op een dag reden wij van Bern naar Frankrijk met de bedoeling om naar Chartres, Illiers-Combray (Proust!) en Parijs te rijden, maar we maakten die avond een tussenstop, diep in de Bourgogne, in het rustieke, hoog op een heuvel gelegen middeleeuwse stadje Brançion, ‘overschaduwd door de silhouet van het oude kasteel’, om een toeristenfolder te citeren. We parkeerden onze auto aan de rand van de vesting en zagen dat er tezelfdertijd nog een andere auto een parkeerplek aan het bemachtigen was. Eentje met een Belgisch kenteken. En verdraaid, wie stapten er uit die wagen? Paul de Wispelaere en zijn geliefde (ik kende haar toen nog niet bij naam), Ilse Logie. Ik was nogal onder de indruk van die ontmoeting. Daar stonden we ineens oog in oog met de schrijver die weliswaar Mulisch voor zich had moeten dulden als auteur van het boek van het jaar, maar dit was toch een levende legende uit de Vlaamse letteren, auteur van een geweldig autobiografisch boek. Wij hebben ons toen ten overstaan van Paul en Ilse niet bekend gemaakt. Dat leek ons wat ongepast. Dus in die zin was er slechts sprake van een eenzijdige ontmoeting.

Maar een paar jaar later, toen ik voor De Arbeiderspers begon te werken, en erop werd uitgestuurd om bij hem in Moerhuize (Maldegem) op bezoek te gaan, heb ik hem natuurlijk verteld over die eenzijdige ontmoeting op die pittoreske plek.

Ja, ik werd er inderdaad op uitgestuurd, als gezant van De Arbeiderspers om de belangen van de uitgeverij veilig te stellen. Het was in de jaren van de vete tussen de AP en Atlas, de door Emiel Brugman na zijn vertrek bij AP opgerichte uitgeverij waarnaar een twintigtal auteurs van De Arbeiderspers was ‘overgelopen’ uit solidariteit met Brugman, geschoffeerd als die heette te zijn nadat niet hij maar Ronald Dietz de nieuwe uitgever van De Arbeiderspers was geworden als opvolger van Theo Sontrop. Maar er was een pak twijfelaars, auteurs die zich zakelijk en misschien ook anderszins gebonden voelden aan De Arbeiderspers, maar loyaliteit voelden in de richting van de vertrokken Brugman.

Paul de Wispelaere behoorde tot dat gezelschap, en Paul was een zachtaardige, sympathieke man, en zulke mensen zijn zelden van het heldhaftige, doortastende soort. Kristien Hemmerechts schreef het mooi op in haar in memoriam-stukje in De Morgen: ‘Hij was een lieve man, een van de eerste schrijvers die ik leerde kennen toen ik zelf begon te schrijven. Hij heeft vaak aardige dingen over mijn werk gezegd, en dat zal wel helpen bij de wederzijdse waardering, maar Paul heeft over het werk van veel schrijvers aardige dingen gezegd. Ik denk dat hij het niet in zich had om gemeen te zijn. Hij zal er wel af en toe het zijne van hebben gedacht, maar hij had niet de behoefte om dat met de wereld te delen.’

Enfin, Paul de Wispelaere moest gered worden uit de grijpgrage handen van het Atlasgeboefte en zo werd ik naar Moerhuize gezonden om Paul op de juiste koers te houden en te wijzen op zijn verplichtingen jegens De Arbeiderspers. Aldus heb ik diverse dienstreizen gemaakt naar Vlaanderen en Paul bezocht in zijn prachtige huis met die immens grote tuin eromheen. En zoals dat gaat: het ging tijdens die bezoeken over van alles en nog wat maar vrijwel niet over de zaken zelve. Daar kwam ik meestal voorzichtigjes op terug in de brieven die we elkaar schreven. Ook die gingen vaak over andere dingen, en de subtiele aansporingen mijnerzijds om nu eens serieus aan de slag te gaan met het schrijven van nieuw literair werk werden door hem met een nog grotere omzichtigheid beantwoord. Uiteindelijk moest de kogel toch door de kerk: Paul voelde zich moreel verplicht aan Emiel en die roman die eraan zat te komen (En de liefste dingen nog verder) verscheen uiteindelijk daar, evenals nog twee andere boeken (Cuba en andere reisverhalen en de essaybundel Onder voorbehoud), tot mijn ingehouden chagrijn. Missie volbracht, maar niet met het gewenste effect.

Tussen die bedrijvigheden door was ik er ook nog bij toen in 1998 zijn complete oeuvre bekroond werd met de Driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste literaire onderscheiding in de Lage Landen, uitgereikt door (toen nog) Hare Majesteit Koning Beatrix. Die enige keer dat ik bij koningin op bezoek ben gemogen, dat had ik dan toch aan hem te danken. Dat met die prijs bekroonde complete oeuvre – het moet niet vergeten worden – bevat ook nog een heleboel essayistiek en ‘wetenschappelijk’ werk. En eigenlijk bestond zijn fictie ook uit allerlei essayistische en autobiografische mengvormen. De Wispelaere was heeft zijn schrijverschap tientallen jaren lang gecombineerd met onderwijs en wetenschap. Tot begin jaren negentig werkte hij als hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit in Antwerpen.

Een boek van Paul zelf is er in mijn tijd bij De Arbeiderspers dus niet meer gekomen. Maar toch hebben we bij de AP nog een gezamenlijk literair project tot een goed einde gebracht. Paul heeft (samen met Jeroen de Preter) de monumentale tweedelige uitgave bezorgd van het proza van een van de belangrijkste Vlaamse schrijvers: Het proza van Herman de Coninck… Laten we dat niet vergeten.

Aan de nagedachtenis van die laatste is En de liefste dingen nog verder opgedragen, als gezegd: zijn laatste roman over een schrijver die weet dat hij gaat sterven. En boek vol mooie, melancholieke zinnen, zoals deze: ‘Ook oktober is teruggekeerd, de opeenvolging van de maanden en seizoenen houdt het jaar in bedwang, maakt de toekomst voorspelbaar en neemt de dreiging ervan weg. […] Het is niet te geloven dat het allemaal regelmatig terug zal keren en voortbestaan zonder dat ik het hoor en zie. Ook de straat die door de velden naar café De Wielewaal kronkelt. En het dorp. En de stad. En Marlies. En, veel verder weg, Spanje en Mexico. En de wereld. Alle liefste dingen. Overal waar ik ooit geweest ben en alles wat in mijn geheugen is bewaard. Zonder toekomst wordt echter ook het verleden een ondraaglijke last.’

Iets tussen twee tonen in / Over ‘Het valse seizoen’ van Christiaan Weijts

Maandag 28 november werd in Boekhandel Paagman, Frederik Hendriklaan Den Haag, de nieuwe roman van Christiaan Weijts, Het valse seizoen gepresenteerd. Maarten Dessing interviewde de auteur en een internationaal kwartet jonge musici van het Koninklijk Conservatorium (een Litouwse, een Nederlandse, een Russische en een Griekse) speelde Beethoven en Haydn. Zelf maakte ik van de gelegenheid gebruik in te gaan op de al voor de verschijning van het boek gepubliceerde kritieken in een aantal kranten.

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Niet dat ik anders verwacht had, maar het deed mij plezier om te zien dat Het valse seizoen van Christiaan Weijts dit weekend al in diverse gezaghebbende kranten uitgebreid besproken werd nog voor het officieel verschenen was. Want voor alle duidelijkheid: die plechtigheid voltrekt zich hier en nu. Zulke mediagretigheid is een indicatie dat Weijts gezien wordt als een belangrijk schrijver – eentje wiens nieuwe werk men niet wekenlang ongelezen laat liggen.

De keerzijde is dat ik mij, gezien de kritische kanttekeningen die twee recensenten maakten in overigens allerminst negatieve, ja zelfs behartigenswaardige stukken, gedwongen voel te citeren uit een mailwisseling met Christiaan Weijts van een paar weken geleden naar aanleiding van een artikel van hem over onbegrepen ironie in de zaterdagbijlage Opinie & Debat in NRC Handelsblad.

‘Over ironie gesproken,’ schreef ik hem, ‘bij mij thuis wordt beneden televisiegekeken. Iedere avond toch wel. Ik zit meestal boven op zolder (mijn werkkamer) en daal af en toe de twee trappen af voor koffie, water of wijn om dan staande, vijf minuten lang, commentaar te leveren op wat de treurbuis weer allemaal voor twijfelachtigs te bieden heeft. Ik doe dat meestal op de geacteerde toon van een oude zeurkous (denk Maarten van Rossem), maar dat dan toch vooral om het nog iets vetter aan te zetten. (Want anders worden ze echt boos op me, de kinders en soms ook vrouwlief.) Afgelopen donderdag stond ik daar even in mijn mok te roeren terwijl Expeditie Robinson werd uitgezonden (aflevering 33b, vermoed ik). Ik kijk dat een paar minuten zwijgend aan en richt vervolgens mijn blik op zoon Derek (veertien jaar) met de vraag: “En – wie denk jij nu dat de mol is?” (Ik heb uit jouw stuk, Christiaan, geleerd dat we in zo’n geval te maken hebben met het ironische stijlmiddel van de geveinsde onwetendheid, en dat is ook de Griekse etymologie van het woord.) Heel even kijkt Derek me verbouwereerd aan, maar meteen daarop volgt het weerwoord: “Kijk, kijk, mama!” roept hij terwijl hij een priemende vinger naar me uitsteekt. “Hij staat weer achter zijn vuistje om zijn eigen grapjes te gniffelen!” Ze hebben me door, Christiaan. Kortom: het wordt tijd voor een next level.’

Al is dat doorhebben in dit geval nu juist belangrijk, want ironie werkt eigenlijk alleen maar als er een pact bestaat tussen zender en ontvanger.

Goed, laten we de zaken eens even op een rijtje zetten. Zes eerdere boeken schreef Christiaan Weijts. In chronologische volgorde: Art. 285b (een roman), Via Cappello 23 (een roman), De etaleur (een dansnovelle), Euforie (een omvangrijke roman), Achternamiddagen (een verzameling opstellen en essays) en De linkshandigen (een korte roman). Het is niet zo moeilijk om die boeken van muzikale genreaanduidingen te voorzien: een sonate, een symfonische voorstudie, een verzameling etudes en scherzo’s, een rapsodie in de vorm van een road novel.

Maar de zevende van Christiaan Weijts is onomstotelijk een heuse symfonie. Vanwege de lengte, de complexiteit én de ambitie. Dit is een roman waarin nogal wat wordt omgewoeld en polyfoon met elkaar in verband gebracht. Vrijdagavond zat Weijts in het Radio 1-programma Kunststof voor een (meer dan onderhoudend, zo nu dan elektriserend) gesprek van een uur met Petra Possel. De redactie heeft de gewoonte (zo weet ik, omdat er eerder auteurs van ons in dat programma gezeten hebben) om in het geval van een schrijver een voorgesprek te hebben met de betreffende redacteur. En zo’n beetje de eerste vraag die mij werd voorgelegd, was of ik het werk van Christiaan Weijts wilde kenschetsen. Nou, antwoordde ik, in een boek van hem is een al dan niet problematische liefdesrelatie meestal de stuwende kracht. Je kunt ook zeggen: de liefde vormt het verhalende aspect. Maar bij Weijts is dat nooit het enige. Dat liefdesverhaal wordt altijd gelardeerd met beschouwing, met verwijzing naar andere schrijvers en filosofen, met reflectie op wereld en kunst (heel vaak muziek). En in Het valse seizoen wordt er nog veel meer uit de kast getrokken en is er zelfs nog een tweede plotlijn rondom wat zich afspeelde tijdens een zomerklas met jonge musici, zo’n kleine twintig jaar eerder.

Rob Schouten formuleerde het in zijn zeer lovende recensie in Trouw afgelopen zaterdag puntiger en geestiger: ‘Zijn romans gaan over muziek en meisjes, steeds opnieuw, mooie muziek en mooie meisjes die hij met zijn elegante pen de hemel en soms de hel in schrijft.’

Ook in Het valse seizoen weer – en dat kwam hem in de Volkskrant, waar Persis Bekkering het boek besprak, op een soort van indirecte reprimande te staan. Ook zij signaleert dat elke roman van Christiaan Weijts ‘oneerbiedig gesproken […] ongeveer dezelfde ingrediënten’ bevat. Ze eindigt haar opsomming met deze zin: ‘Dan hebben we nog een ernstig geval van een madonna-hoercomplex, een verdwenen viool, een onbekende dochter en meer familiegeheimen’. En dat alles leidt dan weer tot de volgende conclusie: ‘Je ziet de apollinische schrijver zwoegen aan zijn bureau, fantaserend over passie en verborgen extase, duisternis en razernij. Alleen zijn pen heeft het doorleefd.’

Dat laatste moet wel onbedoeld dubbelzinnig zijn, want het is duidelijk dat de Volkskrant de auteur in kwestie verwijt dat hij kenmerken van een kamergeleerde vertoont, maar wie Christiaan Weijts kent weet dondersgoed dat hij dat in zeer veel opzichten niet is en dat hij ook bepaald geen zwoegende schrijver is. Opvallend genoeg komt Toef Jaeger in haar kritiek in de NRC Handelsblad dicht in de buurt van de Volkskrant-teneur. In beide stukken is sprake van bewondering voor de bezieldheid en het intellect waarmee Christiaan Weijts schrijft, maar Jaeger sluit af met deze woorden: ‘Het valse seizoen is vakwerk, maar omwille van de kunst zou Weijts het verstand af en toe iets meer op nul mogen zetten.’ De alinea waarmee Rob Schouten afsluit luidt als volgt: ‘Het valse seizoen is daarmee een rijke, klassieke roman, die aan grootmeesters als Thomas Mann en Simon Vestdijk doet denken, ver van alle populistische behaagzucht. Geen music for the millions, maar misschien wel voor een uitgelezen schare.’

Als je het allemaal een beetje bij elkaar probeert op te tellen dan zie je een auteur op een voetstuk neergezet worden waarna met een zekere verbazing wordt geconstateerd dat er sprake is van distantie. Die meneer op dat voetstuk is een estheet, een ouderwetse representant van de hoge cultuur en een man met een atavistisch vrouwbeeld. Maar wie distantieert zich van wie?

Degenen die Christiaan Weijts een beetje volgen op de journalistieke podia waar hij zich met regelmaat laat zien, weten dat zijn ivoren toren hooguit een romantische illusie is. Inmiddels al jaren betoont hij zich in De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad een columnist die een adelaarsoog heeft voor alles wat er (in de wereld en zeker ook in zijn directe omgeving tot aan de huiselijke kring toe) om hem heen gebeurt, en ook voor allerlei verschijnselen en gebeurtenissen die niet meteen als highbrow ingekaderd kunnen worden, of zelfs juist niet. De laatste tijd trekt hij voor zijn NRC-column zelfs de wijken in. Paradoxaal genoeg huldigt Ilja Leonard Pfeijffer (vriend en in heel wat opzichten geestverwant van Weijts) als uitgesproken linkse columnist veel meer uitgesproken elitaire (anti-volkse) opvattingen dan Christiaan Weijts. Die laatste houdt zich als het om zijn politieke of maatschappelijke standpunten gaat meer op de vlakte. Weijts is een flaneur, een geamuseerde toeschouwer, een ironisch schrijver – en vooral om dat laatste gaat het mij hier.

In genoemd opiniestuk (‘De smiley is het betonrot in onze ironie’) van twee weken geleden in de NRC schreef hij: ‘Hoe vet moet een knipoog zijn om nog te worden opgemerkt? In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie.’ Hij signaleert hoe problematisch – zéker op sociale media – ironisch taalgebruik is geworden: ‘We lijken ironie alleen nog maar te accepteren als die duidelijk gemarkeerd is. De Speld, Arjen Lubach en Lucky TV zijn mateloos populair, maar probeer maar eens satire te bedrijven buiten die zwaar door markering beveiligde ironische enclaves. Probeer maar eens een ironisch zinnetje te sms’en zonder 😉 erachter te typen. Dat kost je vrienden. En misschien zelfs je relatie.’

En je kunt ook zeggen: probeer maar eens een roman te schrijven zonder elke ironische passage van expliciete tekens sprake is van ironie of dubbelzinnigheid of van iets tussen schijn en wezen, iets tussen twee tonen in. Wat ik in de recensies miste is het besef dat ook in Het valse seizoen – neem alleen al de titel – de ironie, zij het op een fijnzinnige, weinig uitgesproken manier, alomtegenwoordig is. In de tirades vol hyperbolisch cynisme van het personage Pablo Sleedoorn, in de schildering van de manier waarop de leden van het Corretto Kwartet met elkaar omgaan, in de krankzinnige verwikkelingen op de namaak-Titanic waar de drie stemmen uit dit boek elkaar letterlijk treffen, en ook (zou ik denken) in de bijna dwaze, puberale manier waarop dertiger Camiel verliefd is op Nadège, de twee andere (tot ons) sprekende personages uit het boek.

Het valse seizoen is een boek over een strijkkwartet bestaande uit drie stemmen. En ik meen te weten dat het de intentie van de auteur is dat de lezer de vierde stem is. En wel op de manier van de componist Giuseppe Tartini, ontdekker van de combinatietoon, zoals wordt uitgelegd in een brief van Nadège: ‘Tartini’s toverkunst. Il terzo suono: twee snaren trillen en het oor maakt zelf een nieuwe klank halverwege. Jij schrijft mij in een taal die ik lang niet heb gehoord. Ik schrijf jou in een taal die ik lang niet heb gesproken en alleen stiekem las. En het oor maakt zelf een verhaal halverwege.’

Dat verhaal halverwege – dáár gaat het om. Daar ligt het werk (en de verbeelding) voor de lezer. Maar je zou misschien ook nog kunnen zeggen: daar zindert de ironische invulling.

In het NRC-stuk schrijft Christiaan: ‘In een ironische tekst zijn de uiteindelijke betekenis en het morele oordeel opgeschort, uitgesteld, en zo ontstaat er, tussen het teken en de betekenis, een ruimte waar andere wetten gelden, als op een podium. […] Echt zeker weet ik alleen dit: als we de subtiliteit van de ironische toonzetting missen, beroven we ons taalinstrument van zijn gulle meerstemmigheid. Het is alsof we een concertvleugel nog maar met één vingertje bespelen.’

Kortom: ook dat zogenaamde vrouwbeeld, die Schöngeist en dat onversneden intellectualisme van Christiaan zijn zaken die we gerust met een korreltje zout mogen nemen en die ergens halverwege de veronderstelde positie het zuiverst op zijn waarde worden geschat. En zelfs dan blijft het net ongrijpbaar, en voor mij maakt dat literatuur nou juist tot literatuur.

Misschien is er maar één ding in Het valse seizoen dat niet ironisch kan worden opgevat. En dat is de liefde voor de muziek die eruit spreekt. ‘Waarom, Nadège, ráákt de muziek?’ vraagt het personage Camiel zich ergens af. ‘Misschien wel hierom, in een wereld waarin alles onophoudelijk iets representeert, is muziek het enige wat niet verwijst, geen teken is, geen representatie.’

In de zuivere muziek (bijvoorbeeld in de intieme brieven van Leoš Janáček, een belangrijke inspiratiebron in deze brievenroman) houdt alle ironie op te bestaan. Het valse seizoen is veel meer dan een muziekroman, maar de muziek speelt er een rol in hors catégorie, zoals alleen muziek dat kan.

De eerstvolgende keer dat ik beneden in onze woonkamer huisvredebreuk pleeg door halverwege een aflevering van Expeditie Robinson of Holland’s Next Top Model binnen te vallen, zal ik niets zeggen maar de cd-speler aanzetten en keihard Brahms’ Ein Deutsches Requiem of zoiets aanzetten. Of is dat dan toch ironie? Is dat het ironische van de ironie?

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Matchdays in Londen/Over voetbal zoals voetbal bedoeld is    

Donderdag 24 november werd bij boekhandel Dekker van de Vegt het voetbalboek Matchday! van Paul Baaijens gepresenteerd. Dit is de bewerkte tekst van mijn toespraak.

vdh9789029510103Ik moet tegenwoordig nogal eens in Nijmegen zijn. Niet alleen omdat mijn schoonzusje en haar gezin daar wonen, maar ook omdat er schrijvers resideren die bij De Arbeiderspers publiceren en weleens met een nieuw boek voor de dag komen dat dan in de stad ten doop gehouden wordt. Half september presenteerden we nog de nieuwe dichtbundel van Marijke Hanegraaf, Ergens slapen de anderen, in De Lindenberg (ook in nauwe samenwerking met boekhandel Dekker van de Vegt) en eind oktober vierden we in de Nijmeegse vestiging van Runner’s World de verschijning van Barbara Kerkhofs Hardlopen voor vrouwen.

Afgelopen zondag beleefde ik hier mijn eigen matchday omdat ik, niet voor het eerst, meedeed aan de Zevenheuvelenloop, samen met een aantal auteurs van De Arbeiderspers: Simon van Woerkom, Bram Bakker en Abdelkader Benali. Op de terugweg in de auto met Abdelkader en de snelle Mohammed Mohammadi kregen we het over de betaald voetbalclub in Nijmegen omdat via onze digitale media doorsijpelde dat die met 5-0 van Ajax had verloren.

‘Vorig jaar presteerde NEK nog zo geweldig,’ sprak een verbaasde Benali.

‘Pas op je woorden, Abdel,’ waarschuwde ik. ‘Dat horen ze in Nijmegen niet graag, dat jij over NEK praat als je het over hun club hebt.’

‘Nek, nek! Dèh’s m’n nek!’ hoorde ik zo’n Gofferthooligan eens, hard aan zijn clubsjaaltje sjorrend, uitroepen toen een onwetende (of onwetendheid voorwendende) passant dat woord in de mond nam terwijl hij toch duidelijk doelde op de roodgroenzwarte voetbalclub. ‘En-ee-cee, zèt hier,’ trommelde hij op zijn borstkas.

Hoe ernstig en primitief geuit ook: het blijft aandoenlijk, die onvoorwaardelijke, door dik en dun (en dus ook na een 5-0 nederlaag) beleden clubliefde die korte metten maakt met elke onorthodoxe opvatting of uiting, elke relativering van de heilige clubverering.

 

Terwijl ik in Nijmegen de zeven heuvels trotseerde was mijn zoon van veertien met een vriend van mij (die hij als een soort oom beschouwt) in Madrid. Voor niets anders dan een voetbalwedstrijd. Want daar werd afgelopen zaterdag de Madrileense klassieker gespeeld in een uitverkocht Estadio Vicente Calderón, de thuishaven van Atlético Madrid dat het dus moest opnemen tegen Real Madrid. Mijn zoon, van wie ik verder intens veel houd, behoort tot het meest verdorven en verachtelijk (en helaas ook meest voorkomend) soort voetbalsupporter dat ik maar ken. Hij was vroeger fan van Barcelona vanwege Messi. Daar kan ik nog inkomen. Hoe groot het geld ook daar is, dat is tenminste nog een club met iets van een sociaal hart, met een Catalaanse gedrevenheid die deels gegrond is op afkeer van de Spaanse hegemonie (staatkundig, cultureel en soms ook sportief), met een roemrijk Nederlands verleden en met voetballers (genoemde Messi, maar zeker ook iemand als Iniesta) die mijn sympathie hebben. Maar een paar jaar geleden heeft hij zich bekeerd tot het grootkapitaal van de Koninklijke en zijn megalomane afgod Ronaldo. Het enige wat ik over die volkomen buiten zinnen geraakte narcist wil toegeven is dat hij best aardig kan voetballen. Maar om daarvoor nou op en neer te vliegen naar Madrid? Afijn, de mond werd me vakkundig gesnoerd toen Derek (mijn zoon) repliceerde dat Real met 0-3 had gewonnen en dat alle drie de doelpunten toch wel eventjes door Zijne Koninklijke Hoogheid Ronaldo waren gemaakt.

Het wordt niettemin tijd een poging te wagen mijn zoon nog wat bij te scholen in zijn voetballiefde. En ik ken het cursusboek al: Matchday! Op zoek naar het Engels voetbal in Londen van Paul Baaijens, eigen Nijmeegse kweek, tenminste als je Nijmegen (wetende waar Wijchen ligt) een beetje ruim wil opvatten.

Ik was, vooral aangestoken door het hartverwarmende enthousiasme waarmee ik Sjoerd Mossou eens op de radio hoorde spreken over het Engels voetbal (inclusief juist het voetbal in de lagere betaalde regionen aldaar), eigenlijk al tijdje op zoek naar een auteur die een boek over zijn liefde voor het Engels voetbal wilde schrijven, toen Hans Peters van boekhandel Dekker van de Vegt mij – ik schat zo’n anderhalf á twee jaar geleden – meldde dat een self published (zo heet dat nu, vroeger heette dat: in eigen beheer uitgegeven) boek van een jonge Nijmeegse auteur over Engels voetbal, getiteld Matchdays (let op het subtiele verschil met de titel van het vandaag gepresenteerde boek) ontzettend goed verkocht in zijn winkels, zowel in Nijmegen als in Arnhem. En hoewel daar misschien best nog wat aan te verbeteren viel, aldus Hans, was het ook nog eens een keer erg leuk geschreven. Misschien moest ik eens met die jongen kennismaken.

En zo geschiedde. En zo geschiedde ook dat ik dat self published boek in handen kreeg en ontdekte dat ik het met veel plezier las. Hans had gelijk: er viel ook best nog wat aan bij te schaven, aan te vullen en te verbeteren. Maar wat er al was, had beslist de kwaliteit om er iets nog mooiers mee uit te bouwen. En ik wist al zeker dat wij er een mooier boek (mooier vormgegeven, mooier gedrukt, preciezer geredigeerd) van zouden kunnen maken. En zo stuurden we Paul, die in 2013 besloot vijf weken naar Londen te vertrekken om de langgekoesterde wens te vervullen alle betaald voetbalclubs in de metropool in een zo kort mogelijke periode te zien spelen (zeventien wedstrijden in vijfendertig dagen), opnieuw – beslist niet tegen zijn zin – naar Londen te sturen om het nog eens dunnetjes over te doen en alle stadions, clubs, supporters en supporterspubs opnieuw te bezoeken. Dat, schrijft Baaijens, ‘vormt de basis voor Matchday!, waarin ik de lezer opnieuw meeneem naar de prachtige Engelse voetbalcultuur, beschreven vanuit de clubs in Londen. Veertien profclubs in, op of volgens sommigen net over de grens van één stad leken me een uitstekende graadmeter om de Engelse voetbalcultuur te definiëren. In geen stad ter wereld kun je het voetbal zo intens beleven als in Londen, want op bijna elke hoek van de straat is naast een rode phone booth ook een stadion te zien.’ Bovendien, zo verklaart hij in één moeite door: ‘Na een geweldige voetbaldag dook ik het bruisende centrum in. When a man is tired of London, a man is tired of life.’

Daarmee is al een en ander duidelijk geworden over de reden waarom Matchday! zo’n fascinerend en hartverwarmend boek is. Maar er is veel meer. Dit boek gaat niet alleen maar over de grote sterren en de grote clubs als Chelsea en Arsenal met zijn ‘meest decadente stadion van Londen. […] The Gunners hebben hun ziel aan de duivel verkocht met het verlaten van het prachtige Highbury’. Het gaat juist niet over die sterren en over de grootsheid van de grote clubs. Voor zover het over die clubs gaat, gaat het over hun geschiedenis, hun diepe wortels op bepaalde (bijna heilige) plekken, hun idiosyncratische tradities, hun supporters die genetisch afwijken van de supporters van de naburige club. Het gaat over veertien clubs (in Schotland is dat al meer dan een competitie op zich) waaronder ook Millwall, Leyton Orient, Brentford en de fusieclub Dagenham & Redbridge. Geef eerlijk toe: zeker van die laatste club hebt u ook nog nooit gehoord, permanent pendelend als die is tussen de amateurs en de laagste profklassen. Paul verschaft er zich voor fifty pence toegang tot het supportershome. Een typerende actie. In een ander hoofdstuk bezoekt Paul de wedstrijd Brentford-Oldham Athletic en spreekt hij met Brentford-fan James af in The Princess Royal, de met voorsprong allerslechtste pub in de hele omgeving. Ze drinken een Guinness en James steekt van wal: ‘Maybe we will win today, but I don’t think so, because we’re shit.’ Dat soort zelfkwellend supporterschap.

Helemaal shit was een van de toegangsweggetjes naar het oude stadion van West Ham United. Paul Baaijens schrijft het zo op: ‘Mocht iemand ooit nog eens Michelinsterren gaan uitdelen aan wandelingen naar stadions, dan krijgt die door de wijk Plastow naar Upton Park er ongetwijfeld drie. Het is misschien wel de wandeling der wandelingen in Londen, zeker voor een groundhopper als ik. De miserabele wijk stak schril af tegen het zachte zonnetje en de strakblauwe lucht en ik werd door twee tienjarige gidsjes richting het stadion geleid. De vervallen stulpjes in de wijk bleven mijn aandacht trekken tot Thomas, de zoon van Bart, opeens tegen me riep: “This is the Dog Shit Alley. We have to turn left, right here!” We liepen een steegje in dat zeker honderd meter lang en hooguit anderhalve meter breed was. Het was nog een hele kunst om de hondenpoep op de grond te ontwijken, want het steegje deed zijn naam alle eer aan en lag bezaaid met verse, bruine uitwerpselen. […] En vraag me niet hoe het kan, maar de penetrante lucht en de vele lege blikjes bier hier bezorgden me kippenvel. Kippenvel in een kaksteegje.’

Van Dog Shit Alley staat er ook een niets aan de verbeelding overlatende foto in het boek. Dit zijn dus geen verzinsels. Het onderschrift bij de foto vertelt: ‘Van Primrose Hill naar de Dog Shit Alley, vlak bij het inmiddels ten dode opgeschreven Upton Park. Een van de mooiste kaksteegjes van Londen zal helaas nooit meer bewandeld worden door de supporters van West Ham United. Shit!’ In het onderschrift bij de foto van het oude stadion van de club daaronder staat waarom: ‘Halverwege 2016 verliet West Ham United de fraaie, hier afgebeelde Boleyn Ground. Ze ruilden hun sfeervolle onderkomen in voor een nieuw, klinisch stadion dat “meer commerciële mogelijkheden biedt” en waarvan in dit boek bewust geen foto is opgenomen.’

En dat is trouwens nog een ander mooi iets van dit boek: er staan een paar katernen met schitterende, sprekende kleuren- en zwart-witfoto’s in van Tim Peperzak, die Paul Baaijens een paar keer heeft vergezeld op zijn Londense voetbalreizen. En laten we tot slot niet de rol vergeten die editor Henk van Bakel heeft gespeeld om dit boek zo goed te maken als het nu is. Van Bakel is niet alleen een redacteur met een fijne en scherpe pen en een kritische blik, hij is ook een voetballiefhebber in de ware zin van het woord (en in dat opzicht een echte geestverwant van Paul Baaijens) en met een kennis van wereld en kunst in het algemeen en van sport en voetbal in het bijzonder waar iedereen telkens weer paf van staat. Paul heeft daar zijn voordeel mee gedaan, en terecht.

Kortom: voor een ontaarde (of moet ik zeggen: al te aangepaste) voetbalsupporter als mijn zoon is Matchday! het perfecte leerboek, een inwijding in de ware kunst van het voetbalsupporterschap. Zelf ga ik ook elk jaar een keer met mijn zoon naar het buitenland om een wedstrijd te zien: Borussia Dortmund-F.C. Porto, begin dit jaar. En Schalke ’04-Chelsea een jaar eerder. Maar de volgende keer gaan we naar Londen, met het boek van Paul in de aanslag, om te gaan kijken naar zoiets als Leyton Orient-AFC Wimbledon, Crystal Palace-Queen’s Park Rangers of zo’n Londense derby zoals er afgelopen zaterdag eentje (simultaan met Atlético-Real) gespeeld werd: Tottenham Hotspur-West Ham United 3-2, in een adembenemende wedstrijd. Maar waar we ook heen gaan, de route zal langs onooglijke buurtjes gaan, als het even kan via Dog Shit Alley en met een bezoek vooraf aan The Princess Royal of een soortgelijke andere, iedere luister ontberende loserspub in Londen. Want we zullen eerst moeten leren verliezen voordat we iets kunnen winnen.

 

 

vdh9789029510103

 

 

 

 

‘Aan nederlagen geen gebrek’ van Arnon Grunberg

Op zondag 6 november vond in Club San Francisco, op de Zeedijk te Amsterdam, de presentatie plaats van Aan nederlagen geen gebrek van Arnon Grunberg (Privé-domein nr. 289). Vooraf werd en petit comité gegeten in de Casablanca, enkele meters verderop. In de aanloop naar deze feestelijke avond, en geheel in stijl van de te presenteren bundeling, schreef ik de auteur een brief.

 

Utrecht, 6 november 2016

Beste Arnon,

grunberg_aan-nederlagen-geen-gebrek_def-maar-kleinVoor de Privé-domein die Vic uit je brieven en documenten heeft samengesteld circuleerden lange tijd diverse mogelijkheden als titel. Maar treffender dan wat het uiteindelijk geworden is, had het nauwelijks kunnen zijn. Aan nederlagen geen gebrek – wie een poos in dit meeslepende boek heeft zitten lezen kan het alleen maar beamen: jouw Portrait of the Artist as a Young Man is een collage van hopeloze amoureuze avonturen, zwaar gebutste blauwtjes, gedurig onbegrip, vallen en opstaan als acteur en in de schrijverij, in zaken gaan (een uitgeverij opzetten) en daaraan bijna ten onder gaan. ‘Ik was wanhopiger en alcoholischer dan ik me herinnerde, maar ik zou liegen als ik zou beweren dat ik mij niet meer herken in degene die ik was,’ schrijf je zelf in het voorwoord bij dit brievenboek. Het lezen ervan zou een ontluisterende ervaring moeten worden genoemd, als al die belevenissen niet tegelijk ook zo komisch en met zoveel onmiskenbaar talent voor het echec zouden zijn ondergaan en opgeschreven.

Rob Schouten schreef dit weekend in zijn recensie in Trouw van Aan nederlagen geen gebrek iets dat tot enig nadenken stemde bij mij: ‘Toch blijf je het gevoel houden dat het voor hetzelfde geld allemaal had kunnen mislopen en Grunberg de nobody was gebleven die hij rond z’n twintigste was.’ Het is treurig om te beseffen dat er misschien wel jongens en meisjes rondlopen (en hebben rondgelopen) met dezelfde literaire potentie die onopgemerkt zullen blijven (of zijn gebleven) en aldus (want niet herkend door een uitgever of door wie dan ook) in de knop gebroken worden dan wel onontloken blijven. Ik ben benieuwd hoe jij dat zelf ziet: of je inderdaad net zo goed ongezien had kunnen blijven. Achteraf – met al dat in boeken, bladen en anderszins zichtbaar geworden werk – valt dat nauwelijks nog voor te stellen. Maar Rob Schouten heeft gelijk als hij stelt dat dat ‘het lezen van deze brieven extra spannend [maakt], ze brengen de onzekere vooravond van een van onze belangrijkste schrijvers in beeld. Tot aan het moment dat Blauwe maandagen verschijnt. In de brieven maken we nog net de snelle tweede druk van dat boek mee. En dan weet je het inmiddels: dat wordt een grote.’

Toch krijg je (om die visie dan weer enigszins tegen te spreken) al lezende in Aan nederlagen geen gebrek het niet te loochenen, aan weten grenzende gevoel dat hier iemand aan het woord is met een zeldzaam literair talent, met een (ondanks alle tegenslag) niet te stuiten drang om te worden wie hij is en met een overkokende creativiteit, geldingsdrang en ja, ook wil tot macht. Wat dat laatste betreft. Ik sla een willekeurige bladzijde op en lees op pagina 347: ‘Holmannetje dacht wel dat ik een jongetje was dat hij vaderlijk kon toespreken, maar Holmannetje vergist zich, want in mijn komende column voor het Boekblad wordt Holmannetje in een paar regels door het slijk gehaald dat hij zelf verspreidt. Dan spaar ik hem nog, want hij verdient niet meer dan een aantekening in de kantlijn’ Let wel, Arnon, dit is een brief (aan Jan Ritsema) van 7 juni 1993. Jij bent dan een paar maanden tweeëntwintig, hebt nog geen poot om op te staan, je echte debuut (Blauwe maandagen) moet nog verschijnen en Theodor Holman(netje) is veertig, een bekend schrijver, columnist en man(netje) van de radio.

Dat is al lang geleden, maar toch hadden wij elkaar toen al voor het eerst ontmoet, en wel op een van die Frankfurter Buchmessen van begin jaren negentig waaraan jij in je brieven refereert, bijvoorbeeld in die (allereerste) brief aan Vic van de Reijt: ‘Wellicht bent u het vergeten, maar wij hebben ruim een week geleden kort met elkaar gesproken in een on-Duits restaurant in het centrum van Frankfurt.’ Ik weet niet meer of het bij die gelegenheid was in 1991. Misschien was het wel een jaar later. Daarnaar vond ik in je brieven geen verwijzing, maar wel in een toelichting bij een brief van 14 oktober 1992: ‘Op vrijdag 9 oktober zagen Grunberg en Van de Reijt elkaar opnieuw op de Frankfurter Buchmesse. Grunberg meldde: “Inmiddels zit ik in moeilijkheden hoor!” […] Waarop hij een contract kreeg toegezegd voor een roman bij Nijgh & Van Ditmar. Daarvoor zou hij eerst een plan aanleveren.’

Als ik zelf al niet meer precies weet in welk jaar dat was en voor wie ik toen op de Buchmesse was (als freelanceredacteur van de Utrechtse uitgeverij Kwadraat of als reporter van Boekblad dan wel Vrij Nederland?), dan ligt het voor de hand dat jij je zeker niet meer herinnert dat ik daarbij was, want we waren met een behoorlijk gezelschap. In elk geval was Vic daarbij en Ed van Eeden (waarschijnlijk voor Boekblad), maar vrijwel zeker ook Joost Nijsen (toen uitgever van Nijgh & Van Ditmar), Fred Spek (hoofdredacteur Boekblad) en Henk Kraima (directeur cpnb). Wij hebben toen, als ik me tenminste ook dat goed herinner, met zijn allen gegeten in een restaurant (niet Duits, maar ook niet per se on-Duits in mijn beleving) aan de Kaiserstrasse en daar zoals dat gaat op zo’n avond veel gelachen en gedronken ondanks de moeilijkheden waarin jij en vast nog wel een paar anderen toen wellicht verkeerden.

Nadien hebben wij elkaar, in elk geval in de jaren negentig, met een zekere regelmaat (maar toch meestal bij toeval) ontmoet, maar omdat Aan nederlagen geen gebrek ophoudt in juli 1994 – de artiest tot ontplooiing gekomen, hoe jong de man erachter ook nog steeds mocht zijn – dekt dit boek niet de voor mij meest memorabele uren die ik met je heb doorgebracht. Nou ja, uren. Het waren eigenlijk dagen, in de eerste helft van juni 1995. Jij was sinds enige tijd neergestreken in New York en ik wist dat ik een paar maanden later als redacteur zou beginnen bij De Arbeiderspers.

Joop van Tijn stelde mij in staat om, als een soort afscheidstournee voor Vrij Nederland waarvan hij toen met Rinus Ferdinandusse hoofdredacteur was, een journalistieke reis naar de Verenigde Staten te maken, samen met Ed van Eeden die er heen ging voor Boekblad en een paar kranten (die interviews van hem wilden hebben met Jim Heynen en John Updike). Eerst zaten we een paar dagen in Chicago op de aba (zeg maar: de Buchmesse van de States), waar ik een stuk schreef over het werk van literair agenten en scouts en waar ik op verzoek van Arbeiderspers-directeur Ronald Dietz een Braziliaans schrijver ontmoette die hij sinds enige tijd uitgaf en van wie de AP niet lang daarvoor een nieuw boek in vertaling had uitgegeven. Paulo Coelho was dat. En dat boek was De alchemist, waarvan ik een exemplaar bij me had (om het hem te geven? als voorwerp ter herkenning?). Dat exemplaar heb ik nog steeds omdat hij er iets in schreef en het mij teruggaf: ‘Peter, be always faithful to your heart’.

Na Chicago namen wij het vliegtuig naar New York, net als onder anderen Paul Sebes, met wie ik ergens gedurende die week op een hoek van Fifth Avenue een pak kocht van Christian Dior – ‘veel goedkoper dan in Nederland!’ – waarvan menigeen terug in Holland beweerde (iets wat ik later ook wel moest bekennen gezien de gebrekkige duurzaamheid en de sjofele pasvorm) dat het nep was. In New York trokken we tussen de journalistieke bedrijven door veel met jou op, jij die in de maanden daarvoor druk met Ed correspondeerde en die Manhattan al kende alsof je er jaren woonde. Ik had genoeg te doen – moest een aflevering van de VN-rubriek ‘Ter Zake’ schrijven (en per modem naar de krant sturen, wat een ongelooflijk gesodemieter was), reisde per trein naar Chappaqua om er Simon Schama in zijn prachtig aan de Hudson gelegen houten villa te interviewen over Landscape & Memory, bezocht de Nederlands-Amerikaanse natuurwetenschapper Abraham Pais in zijn werkkamer aan Rockefeller University naar aanleiding van zijn in het Nederlandse verschenen, deels memoires bevattende Einstein woonde hier en sprak telefonisch (want ze had het te druk om mij in Philadelphia te ontvangen) de cultuurfilosofe met de raspende stem Camille Paglia, auteur van het omstreden en polemische boek Sexual Personae. Maar dat betekende niet dat we niet tijd in overvloed hadden om daarnaast lange wandelingen met jou door Manhattan te maken en te eten en drinken in tenten die vaak vierentwintig uur per dag open waren.

Ed van Eeden, ik was het vergeten, noemde jou een poedel. Ik werd eraan herinnerd door een brief (d.d. 20 maart 1994) van je aan Vic waarin je over het Boekenbal schrijft: ‘Ed van Eeden, die zei: “jij bent en blijft een poedel”, waarop ik hem antwoordde: “Jij bent en blijft mijn beste vriend”’. Ach, een poedel – Ed heeft zich van nogal wat andere epitheta bediend. Mij (en niet alleen mij) noemde hij met regelmaat zijn ‘paardenlul’, zijn ‘apenkut’. Ik ben nog steeds met hem bevriend. Alles went.

Maar diezelfde Ed – ook vanwege de emmers alcoholisch vocht die ongestraft in hem geledigd kunnen worden niet voor niks de Grote Van Eeden genoemd – legde het vierkant af tegen de poedel op wat wel de meest gedenkwaardige van alle avonden was tijdens die week in New York. Die begon met een stevige zonovergoten wandeling (er waren nog een paar anderen bij, maar ik weet niet meer wie dat waren en ze waren er beslist niet allemaal tot het einde bij) van minstens een uur naar een undergroundachtige zuipschuur ergens in The Village. Ik weet nog dat we daar veel bier uit flessen gedronken hebben en ik weet ook dat we daarna nog een paar etablissementen hebben aangedaan om uiteindelijk neer te strijken (ergens in Soho?) in een restaurant waar de bediening bestond uit even ravissante als voluptueuze en theatrale drag queens. Het was toevallig Eds verjaardag en jij kon het niet laten de bediening ter plaatse van dit heuglijke feit op de hoogte te stellen. Nu heb ik Ed zelden in verlegenheid gezien, maar van die zeldzame keren is hij nooit zo heftig in verlegenheid gebracht als toen. Want toen de queens eenmaal op de hoogte waren van het jarig zijn van Ed waren de réverences niet meer te tellen. Ze kwamen hem bezingen, bepotelen en kussen tot van de Grote Van Eeden niet veel meer dan een houten tuinkabouter over was die grotendeels schuilging achter een der tafelpoten. Een tuinkabouter die pas weer buiten van hout tot vlees werd en ter compensatie en om van de schrik te bekomen nog wat alcoholica tot zich diende te nemen. We kwamen terecht in een tent waarvan ik me buiten de schelle verlichting niet veel meer herinner dan dat de bediening het voortdurend over ‘mate’ dit en ‘mate’ dat had (Australiërs?) – de nacht was inmiddels een stuk gevorderd – en het eindigde ermee dat jij (wiens alcoholinname gelijke tred had gehouden met de zijne) Ed, die buiten hangende tegen het dak van een auto in slaap was gevallen, met hulp van mij in een taxi manoeuvreerde met de opdracht ons naar ons hotel in 53rd Street te rijden.

Dat staat allemaal niet in Aan nederlagen geen gebrek, en dat is maar goed ook want het is allemaal al erg genoeg. Nee hoor, grapje: de ontluistering van dit boek is een groot feest om te lezen. En dat is toch, lijkt me, des poedels kern.

Arnon, je herinnert je ongetwijfeld dat we eerder geprobeerd hebben een Privé-domein gevuld te krijgen met teksten van jou. Dat is toen, een jaar of tien geleden, niet gelukt. Dat het nu, met hulp van Vic en van Michel van de Waart, wel gelukt is stemt mij tot onverholen trots. Aan nederlagen geen gebrek. Aan overwinningen (zo nu en dan) ook niet. Zo kunnen we weer verder.

Tot vanavond in Casablanca en/of San Francisco,

 

Peter

 

 

 

 

Spelbepalende middenvelder van de Hongaarse literatuur

Péter Esterházy 1950-2016

Péter Esterházy, Berlin am 28.11.2014
Péter Esterházy 

Veel blessuretijd is Péter Esterházy niet meer vergund geweest. De spelbepalende middenvelder van de Hongaarse literatuur overleed, 66 jaar oud, op 14 juli 2016 aan de gevolgen van alvleesklierkanker, een diagnose die ruim een jaar eerder was gesteld. ‘Het zijn de verhoudingen, die veranderd zijn. Alles is scheef geworden,’ schreef hij over zijn stervende moeder in Geen kunst, een van zijn laatste boeken. De dood van Péter Esterházy, amper enkele maanden na die van zijn landgenoot, vriend en Nobelprijswinnaar Imre Kertész, verandert definitief ook de verhoudingen in de Hongaarse en Middeneuropese letteren.

 

Péter Esterházy was onbetwist een van de belangrijkste hedendaagse schrijvers van Hongarije. Zijn boeken zijn verschenen in meer dan vijfentwintig talen en in 2004 werd hem de belangrijke Friedenspreis des Deutschen Buchhandels toegekend. Zijn magnum opus en bekendste werk Harmonia Caelestis was een paar jaar voordien verschenen. Met dat boek, een caleidoscopische en zeer rijke roman over de geschiedenis van zijn adellijke familie en die van het twintigste-eeuwse Hongarije, vestigde hij definitief zijn naam als grote Europese auteur.

 

Hij had toen al een omvangrijk en gevarieerd oeuvre uitgebouwd waarvan een aanzienlijk deel ook in Nederlandse vertaling was verschenen zoals De hulpwerkwoorden van het hart en Kleine Hongaars pornografie. Vanaf halverwege de jaren negentig verschenen zijn boeken in Nederland bij De Arbeiderspers, te beginnen met Een vrouw. Daarna volgden Stroomafwaarts langs de Donau (een literair reisboek, te vergelijken met Claudio Magris’ Donau) en Harmonia Caelestis dat ook kon worden gelezen als een liefdesverklaring aan de overleden vader. Esterházy zag zich met pijn in het hart gedwongen dat beeld bij te stellen in de roman Verbeterde editie, een omvangrijk literair addendum bij Harmona Caelestis, nadat hij tot de ontdekking was gekomen dat zijn vader vele jarenlang werkzaam was geweest

voor de Hongaarse geheime dienst. Nadien verschenen nog het samen met Imre Kertész geschreven Eén verhaal, twee verhalen en zijn voetbalboek Reis naar het einde van het strafschopgebied. Zoals bijna al zijn boeken (soms ironische) odes en liefdesverklaringen zijn, zo is dit boek een ode aan het voetbal, een spelletje dat hij zelf met verve speelde en waarin zijn broer Márton het in de jaren tachtig tot international schopte (met een internationale carrière bij Austria Wien en AEK Athene) die nog tegen de generatie Gullit & Van Basten heeft gespeeld.

 

Ook in een van zijn laatste boeken Semmi müvészet, dat De Arbeiderspers dit najaar in een vertaling van Györgyi Dandoy onder de titel Geen kunst zal uitbrengen, speelt voetbal een belangrijke rol, en wel via de verhalen van de moeder. ‘Voetbal is haar hele leven,’ schrijft Esterházy in deze hommage aan zijn moeder, die tevens een scherp portret is van Hongarije via de voetbalhistorie. ‘In het hoofd van mijn moeder heeft de wereld de vorm aangenomen van een voetbalveld.’

Péter Esterházy is vaak een postmoderne schrijver genoemd. Dat zal te maken hebben met zijn voorliefde voor literair spel, voor experimentele vormen, literaire geintjes en verwijzingen, en met zijn fijnzinnige, soms ongrijpbare ironie. Wie verder weg gaat staan, ziet dat zijn werk – hoe eigenzinnig en onverwisselbaar ook – deel uitmaakt van de Europese literaire traditie. Typerend voor zijn werk is ook zijn humor, iets dat hem al evenzeer kenmerkte in de persoonlijke omgang. Wie met Péter Esterházy verkeerde, zat naast of tegenover een man die zijn twinkelende zinnen uitsprak met even twinkelende ogen. ‘Estherázy’s humor is altijd zo scherp als het helderste licht,’ schreef Die Zeit naar aanleiding van Geen kunst.

 

 

 

 

 

Gerbrand Bakker moet het alleen doen

 

tHart Dienstreisopm[Deze tekst werd uitgesproken bij de verschijning van Gerbrand Bakkers Jasper en zijn knecht. Het boek werd gepresenteerd op vrijdag 27 mei op het Spui tijdens een gezamenlijke manifestatie van Athenaeum Boekhandel en De Arbeiderspers om het 50-jarig jubileum van de boekhandel en van de reeks Privé-domein te vieren.]

In Privé-domein 287, een nummer dat voor eeuwig zal toebehoren aan Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker, gaat het welbeschouwd voortdurend over verhoudingen. Over machtsverhoudingen, over relaties waarin sprake is van afhankelijkheid van de een ten opzichte van de ander.

Ergens in dit boek – het is een treffend stukje, we hebben het ook in onze catalogus geciteerd – schrijft hij: ‘Na tweeënhalf jaar had mijn therapeut er – ik overdrijf iets – een gewoonte van gemaakt om meteen maar in slaap te vallen als ik binnenkwam. Ik ben totaal niet interessant, dacht ik. Er is feitelijk niets met me aan de hand, waarom zou hij anders steeds wegzakken? Maar het belangrijkste wat ik dacht was: ik moet het zelf doen. Ik moet het alleen doen. Dat betekende het einde van de gedragstherapie. Alles alleen doen. Niemand kan je helpen.’

Jasper en zijn knecht is een boek over feodale verhoudingen – zeker ook waar het gaat om de perverse relatie tussen hofhond en heer, waarover later meer –, en in Gerbrands zelfaansporing het alleen te doen zit ook een bevrijding, een doorbreken van de machtsstructuren.

 

Van de ene gedachte komt de andere. Feodale verhoudingen – die zijn niet alleen manifest in dit boek van Gerbrand Bakker, ze vormen ook, op een bepaalde manier hoofs verfijnd en geperverteerd, de basis van de uitgeefwereld met al zijn erecodes. Erecodes die soms wel lijken te zijn uitgevonden om voortdurend met voeten te worden getreden.

Zo behoort het – de hemel zij dank – nog steeds tot het ongeschreven herenfatsoen dat uitgevers geen schrijvers bij elkaar wegkapen. Maar het ongeschreven fatsoen is iets heel anders dan de ongebreidelde praktijk. De ongebreidelde praktijk is namelijk dat uitgevende edellieden als roofridders hoog te paard, maar wel bij nacht en ontij opdat niemand het kan waarnemen, op strooptocht gaan om de meest begeerde auteurs uit de stallen van concurrerende uitgeverijen weg te lokken. De grootste boeven zijn nog wel diegenen die bij hoog en laag beweren dat ze geen roofridders zijn en dat de paradepaardjes van de concurrent op eigen beweging en in bedachtzame telgang de stoeterij van het nieuwe huis zijn komen binnentrappelen.

Jaja, maak dat de kat maar wijs. Zulke lui leer je hun streken niet af. Die moeten op zeker moment gewoon met emeritaat gestuurd worden en als ze zich zelfs daar niets van willen aantrekken, zit er niets anders op dan geduldig te wachten op een langzame uitdoving.

Die mores zal je zo snel nog niet aantreffen bij het nobele volk van De Arbeiderspers. Als we tenminste een voormalige uitgever van dat chique huis op zijn woord mogen geloven. In een Privé-domeintje hors concours, de door Onno Blom opgetekende herinneringen van die uitgever getiteld De conversationalist. Insulaire gesprekken met gentleman en ex-uitgever Theo Sontrop, zegt deze het volgende: ‘Het is algemeen bekend dat er geen goedlopende auteur in Nederland is die geen brief van Mai Spijkers heeft gekregen met “oneetbare voorstellen” over hogere voorschotten en royalty’s. En dan heb ik het nog niet over zijn trucs en gedeal met buitenlandse agenten om buitenlandse auteurs bij een ander weg te plukken. Hetzelfde deed Robbert Ammerlaan later bij De Bezige Bij. Ook al zo’n roofridder. Zulk gedrag vond in de jaren zeventig nog niet plaats.’

 

Het is fijn om onze traditie van morele superioriteit zo glashelder en onomstreden uitgeserveerd te zien in een literair werk waar de waarheid en ook niets dan de waarheid in kan worden aangetroffen. Maar wij van De Arbeiderspers hebben ook gemakkelijk praten. Wij hebben immers de serie Privé-domein. De geheime kabinetten van deze vrijplaats biedt auteurs al een halve eeuw de gelegenheid om vreemd te gaan zonder dat dit als vreemdgaan wordt gezien. Wij lenen een auteur van een andere uitgeverij hoogstens een poosje opdat die zijn ding kan doen in een precieuze en unieke omgeving die werkelijk nergens anders bestaat. Veel schrijvers vinden het nu eenmaal een enorme eer om deel te mogen uitmaken van dit autobiografische walhalla waardoor je – eenmaal opgenomen – deel uitmaakt van een familie waartoe ook Nietzsche en Thomas Mann, Flaubert en Proust, Pessoa en Malaparte, Nooteboom en ’t Hart, Orwell en Plath, Belle van Zuylen en de gezusters Brontë behoren.

In het verleden maakten om die reden schrijvers als Ronald Giphart, Jean-Paul Franssens, Adriaan Morriën en A.F.Th. van der Heijden uitstapjes of een overstap naar De Arbeiderspers. Al ging het in dat laatste geval niet zonder slag of stoot. Toen ik Adri van der Heijden, wetende dat hij voor ons graag een Privé-domein zou willen schrijven (en nog wel de 250e ook), per brief formeel uitnodigde om zulks te doen, kwam dat zijn uitgever al snel ter ore. De toenmalige IJzeren Dame van Querido was niet bijster geamuseerd met dit initiatief. Die ontbood mij op heur directiekamer en daar liet Freule Lidewijde Paris van Stootwegen mij vervolgens alle spreekwoordelijke hoeken van de kamer zien onder het uiten van verwensingen in bewoordingen die nauwelijks als hoofs of geciviliseerd kunnen worden omschreven.

Jaren eerder had Ronald Dietz, de gewezen uitgever van AP (toch beslist geen watje en in zekere zin ook geen heer met een hoofdletter H), al eens een andere strategie gevoerd. Hij dacht de koninklijke weg te bewandelen door Harry Mulisch via diens uitgever te vragen om een Privé-domein. Een faux pas. Baron van Ammerlaan thoe Ammerlaan haalde subiet de valbrug van het Bezige Bijfort op en aan die actie wijten we het treurige feit dat Harry Mulisch (die eigenlijk helemaal niet onwelwillend tegenover een bijdrage in Privé-domein scheen te staan) niet al bij leven en welzijn in de reeks vereeuwigd is geworden.

Uit deze twee voorbeelden leren we dat de koninklijke weg niet altijd de juiste is en dat de boksring, ook als je er knock-out lijkt te zijn geslagen, soms wel degelijk de juiste plek is, want die 250e Privé-domein van Van der Heijden kwam er.

 

Maar er is dus ook nog een derde weg. En dat is de weg van de minste weerstand. Dat is de weg van Gerbrand Bakker, en dan in de versie waarin de auteur zelf zich meldde. Laten we het er maar op houden dat het in ons belang is die versie met allure uit te dragen. Dus: het was Gerbrand die ons benaderde en niet andersom. En het was op een dag, in Leiden, waarop ik de heer (ik bedoel zijn hond) en zijn knecht (ik bedoel Gerbrand) al meteen samen ontmoette in een voor de knecht uiterst penibele situatie tijdens de presentatie van Pauline Slots boek De hond als medemens.

Gerbrand vertelde bij die gelegenheid, tenminste zolang hond Jasper hem toestond het woord te voeren, dat hij graag een autobiografisch boek wilde schrijven over zijn huis in de Duitse Eifel en over zijn nieuwe gezelschap dat maar niet wilde luisteren naar de naam Jasper. Dat boek zou nergens beter dan in de reeks Privé-domein passen en daarom zou hij graag een uitstapje willen maken van zijn vaste uitgever Cossee naar ons. En zo geschiedde het, zonder de minste wanklank tussen de beide uitgevers, en zo kan het dus ook.

Dat boek – het is er nu – gaat over veel meer dan de Eifel en Jasper. Het gaat ook al heel snel over het eigen verleden en is als zodanig ook een bevrijdende reflectie op dat soms benauwende en in elk geval vaak enerverende verleden. En bovendien bevrijdt het boek hem, terwijl hij aan het schrijven slaat, van de afkeer die hij van het schrijven had gekregen.

Een feodaal boek is het dus ook. Een boek over een hond die zijn baas domineert en koeioneert. Als Jasper heeft geweigerd om mee naar buiten te gaan en vervolgens binnen zijn plas laat lopen: ‘Mogelijk zijn we weer eens in een nieuwe fase in onze relatie beland. Hoe dan ook: ik zat nog voor het ontbijt op mijn knieën de pis op te dweilen terwijl de Chef op zijn bank lag, me af en toe wat schimmelig aankeek, maar vooral met een blik die zei dat hij hier helemaal niets mee te maken had.’

We herinneren ons Gerbrand Bakkers aan het begin van mijn verhaal geciteerde uitspraak: ‘Ik moet het alleen doen.’ Welnu, hij zal het inderdaad alleen moeten doen, want zijn Heer (zijn hond) is hem ontvallen. Die ontviel hem kort na de voltooiing van dit boek, waardoor dit boek een wrange epiloog moest krijgen waarin geschreven wordt over een bevrijding die pijnlijker is dan de knechting van daarvoor.

Makkelijker kunnen we het ten slotte niet maken, maar mooier was het gelukkig al. Jasper en zijn knecht: een heel mooi boek.

Altijd zon en altijd zondag

Rijdend in het wiel van de Groene Leeuw

 ‘Op de nimmer vlakke reis van mijn leven bereik ik op 1 april 2016 halte 60. Een keerpunt is het niet, er is geen weg terug, maar nieuwe wendingen komen. […] De geesten moeten blijven waaien in tijden van tegenwind.’ Aldus annonceerde Jeroen Wielaert onlangs zijn zestigste verjaardag. Die vrijdag 1 april werd zijn ontembare vitalisme beloond met een uitbundig schijnende zon. En zondag 3 april – toen de honderdste Ronde van Vlaanderen werd gereden – was het al even mooi weer. Met Jeroen Wielaert in de buurt ontstaat die illusie al gauw: dat altijd de zon schijnt en dat het altijd zondag is.

Vorig jaar, eind april, deed ik in de kapel van de Utrechtse Dom een vermetele weersvoorspelling. Daar was een groot gezelschap bijeengekomen om de verschijning te vieren van De Tour van Utrecht, Jeroen Wielaerts reconstructie van de lastige weg die de stad (hijzelf voorop) aflegde om de Tourstart van 2015 binnen te slepen. Mijn voorspelling klonk als volgt:

 

Dames en heren, stadgenoten, wielerliefhebbers!

Zes keer eerder in de geschiedenis startte de Ronde van Frankrijk in Nederland. Heel mijn wielerhart jubelt bij het uitspreken van zo’n zin. Maar op de zes momenten zelf had ik zes keer wat te klagen.

Amsterdam, 8 juli 1954. De dag dat de Tour voor het eerst buiten Frankrijk startte. Wat dacht u? Ik was nog maar min zeven en kon er dus werkelijk niet bij zijn. Maar ook als potentieel schepsel moet ik dat al ernstig betreurd hebben. Het weer was prachtig en via Haarlem, Den Haag, Delft, Rotterdam, Dordrecht en Breda werd de Belgische grens overgestoken. Er werd gefinisht in Brasschaat, waar Wout Wagtmans de etappe won en de gele trui mocht aantrekken. Volgens de Fransen (ja zelfs de Fransen zelf) was het de beste Tourstart ooit. Simon Carmiggelt kon dat als oningewijde niet beamen, maar voor deze ene keer zat hij wel degelijk in de koers om er in zijn Amsterdamse krant Het Parool (op 9 juli 1954 onder de kop ‘Rennen’) een Kronkel aan te kunnen wijden: ‘Mijn journalistenhart ging […] open, toen ik, achter die renners aan, meesprintte met Radio Bilbao, met de Franse televisie, die werd omzwermd door eigen filmoperateurs op motorfietsjes en met de sportief getooide mannen van Radar of Paris Match, die bekwaam te velde trokken om op hún manier de enorme hongerige muil der publieke belangstelling te vullen met de soep van de dag. […] Wout Wagtmans’ zegenrijke aankomst liep vast in een aangrijpende massaworsteling van persfotografen. […] Wagtmans lag in deze branding, hijgend en verkreukeld, aan de brede borst van Pellenaars, die nog kans zag hem, met het oog op al die lenzen, even het haar te kammen.’

Onvergetelijk allemaal, maar ik was er dus niet bij – een gemiste kans. Dat zou me niet meer overkomen. Bij alle overige Tourstarts in Nederland was ik wel aanwezig, zoals in Scheveningen op zaterdag 29 juni 1973. Ik was elf en helemaal gek van de Tour, maar van die proloog, gewonnen door Joop Zoetemelk, heb ik achter hagen hoog volk, klein als ik nog was, weinig gezien. Wel werd ik – onnozel jongetje, diep uit de wingewesten – bijna doodgereden door de tram. Het was zo’n dag waarop het weer niets bijdraagt maar ook niets afdoet aan de wielervreugde. Het was, zoals Reve het placht uit te drukken, het weer van alle mensen.

Treuriger, op een bepaalde manier, was Leiden, 28 juni 1978. Ik was bijna zeventien en toog met vriend Jos op weg om naar de Tourstart te gaan kijken. We gingen, om met Potgieter te spreken, ‘onderweg in den regen’. Maar in Leiden regende het nog steeds. Het regende heel de godganse dag. We waren kleddernat en verkleumd en bij het opmaken van de balans bleek ook nog eens dat de uitslag van de proloog waarnaar we hadden staan kijken, die door Jan Raas werd gewonnen, was geannuleerd en dat Jan Raas niet in de gele trui van start mocht gaan in de eerste echte etappe (die hij trouwens uit pure wraakzucht zou winnen om alsnog de gele trui voor zich op te strijken).

Den Bosch dan maar, achttien jaar later, net een jaar in dienst bij De Arbeiderspers. Den Bosch, 29 juni 1996. Wat denk je? Regen! Net als in Leiden werd er ook in Den Bosch indoor gestart. Maar daar stonden wij – mijn kersverse collega Aart Aarsbergen en ik – niet. Wij stonden buiten, waar wij het niet drooghielden. Langzaam veranderde Bois-le-Duc in een ondiepe vijver en langzaam veranderden wij in verzopen straathonden. Dat de halve Hollander Alex Zülle die proloog won (als Zwitser feitelijk) was een schrale troost. En van de regen raakten de renners ’s anderendaags in de brandende drup van de eikenprocessierups, die heel het Brabantse bomenleven op dat moment teisterde. Gauw vergeten die hele toestand in Den Bosch.

Rotterdam dan, op 3 juli 2010. Drie keer raden, en in één keer goed. Om met Acda en De Munnik mee te zingen: ‘het regent als altijd’. Eenzaam en almaar doorweekter struinde ik langs het parcours, op zoek naar mooie plekken om de proloog gade te slaan. En op zoek naar vrienden die zich bevonden op plekken waar ik niet mocht komen (Aart Aarsbergen) of die ik niet of nauwelijks kon bereiken (Jeroen Wielaert, onverstaanbaar door een krakend mobiel telefoontje). Fabian Cancellara won die Rotterdamse proloog, maar ik heb de apotheose niet eens afgewacht, zo veel medelijden had ik op zeker moment met mijn verzopen zelf. Jammer ook voor Rotterdam. Net te vroeg gepiekt.

 

Want in Utrecht, dames en heren, gaat op 4 juli de zon schijnen, dan regent het zonnestralen! Is geregeld. Is besteld. Onderonsje van Jeroen met Onze-Lieve-Heer. En bestenentafeld op zijn Wielaerts: gewoon op een bierviltje. Van woensdag 1 tot en met zondag 5 juli overdag temperaturen variërend van 21 tot en met 23 graden. Nachttemperatuur zakt niet onder de 14 graden. Kans op neerslag 0%, windkracht tussen 2 en 3. Een briesje om het aangenaam te houden.

Het grand départ van de Tour de France 2015, dames en heren, zal schitterend zijn. Utrecht, badend in de zon, gedurende een halve week de hoofdstad van de wereld. En dat is allemaal ontstaan op twee bierviltjes die Jan Fokkens en Jeroen Wielaert op 5 januari 2002 in Café de Vooghel hebben volgekrabbeld.

Allicht moest er ook een boek komen over de vervulling van deze immense jongensdroom. Dat boek presenteren we hier vanmiddag. Dat boek heet De Tour van Utrecht. De trots van een grote kleine stad. (‘Une ville superbe,’ aldus Tourdirecteur Christian Prudhomme).

En daar komt nog bij dat de grote woordenschilder Wielaert met De Tour van Utrecht in feite zijn wielertriptiek voltooit. Het grote middenpaneel daarvan was en is toch wel Het Frankrijk van de Tour, een titel zonder welke De Tour van Utrecht (ik bedoel nu: het boek) er ook echt nooit geweest was. Het linker paneel werd al gevormd door het schitterende Het Vlaanderen van de Ronde, over het decor van de klassieker die volgend jaar honderd wordt, dat wil zeggen: zijn honderdste aflevering krijgt.

 

We herinneren het ons vast allemaal nog. Die weersvoorspelling kwam uit. Het was grandioos, méér dan grandioos weer. Dagenlang, van de ploegenvoorstelling op donderdag in Park Lepelenburg tot en met het vertrek uit Utrecht op zondag nadien, regende het zonnestralen en was het zo zomers als in de mooiste herinneringen van de mensen. Tot en met het vertrek uit de stad! De gemeentegrens was nog niet goed en wel gepasseerd of donkere wolken pakten zich samen om vervolgens het groene hart, Rotterdam en omstreken, de Zeeuwse kust en het wielerpeloton te teisteren met wind, slagregens en hagelbuien die het klassement al na één dag volledig op zijn kop zetten.

Woensdag 1 tot zondagmiddag 5 juli waren precies zoals ik het voorspeld had. Niet mijn verdienste, maar de ervaringswetenschap dat het met Jeroen Wiel’s (de Groene Leeuw) in de buurt altijd zon en altijd zondag is. Weet ook Christian Prudhomme. Die vond het grand départ in Utrecht zo tout à fait inoubliable dat hij al gezegd schijnt te hebben dat Utrecht wat hem betreft in 2025 opnieuw het toneel van de Tourstart mag zijn.

 

Utrecht, 1 tot en met 5 juli 2015. Vijf dagen waarop ik gelukkig was. Gelukkig als een kind tijdens een eindeloze zomervakantie. Daarna sloeg het weer om in mijn leven en brak er een lange periode aan van wisselvallig en slecht weer. Ik ben blij dat het wielervoorjaar weer in alle hevigheid is losgebarsten

 

.

Eeuwig laverend tussen klucht en tragedie. Jaren met Eriek Verpale

In de ochtend van 10 augustus 2015 werd Eriek Verpale dood in zijn bed aangetroffen door zijn werkster. Hoewel er al ruim tien jaar niets van enige betekenis van hem was verschenen, werd zowel in Vlaanderen als in Nederland uitvoerig stilgestaan bij zijn overlijden. Een groot verlies, een veel te vroeg gestorven schrijver die geldt als een van de meest interessante en eigenzinnige Vlaamse schrijvers van de afgelopen decennia – dat was de algemene teneur. Het overgrote deel van zijn oeuvre – vanaf Alles in het klein (1990), het boek waarmee hij doorbrak naar een breed publiek en de NCR Literair binnenhaalde – verscheen bij De Arbeiderspers.

Op 2 februari 2016, de dag waarop hij zijn vierenzestigste verjaardag zou hebben gevierd, werd – op initiatief van Jan Haerynck, Bob de Moor en Luuk Gruwez – in een volle Minardschouwburg in Gent een hommage aan Eriek Verpale gebracht. Met optredens van, behalve genoemde initiatiefnemers, Maarten Inghels, Lieven Tavernier, Georges Wildemeersch, Chantal Pattyn, Pjeroo Roobjee, Michiel Hendryckx en Pascal Verbeken, en gepresenteerd door Katelijne Boon van radio Klara. Ook mij, zijn redacteur vanaf 1995, werd gevraagd een bijdrage te leveren. Het verhaal hieronder is daarvan de uitgebreide versie.

 

*

 

Het zal wel komen door het denkbeeld van die ewige Wiederkehr des Gleichen dat ik erom had durven wedden dat de volgende gevleugelde uitspraak er een van Friedrich Nietzsche is: Alles gebeurt altijd twee keer. De eerste keer als tragedie. De tweede keer als klucht.

Niet dus, niet van Nietzsche. De uitspraak komt van zijn compatriot, voorloper en collega-denker Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Althans de eerste regel. En het was nóg een Duitser, Karl Marx, die er de schampere rest op liet volgen: ja, de eerste keer als tragedie en de tweede keer als klucht. De uitspraak schoot me te binnen toen ik nadacht over de vriendschappelijke band en innige werkrelatie die ik tussen begin 1993 en eind 2005 – zo’n twaalf jaar – heb gehad met Eriek Verpale. Ik heb hem in die periode vele tientallen malen ontmoet en we hebben honderden brieven en mails gewisseld. Voor nu beperk ik me tot ons eerste en ons laatste (althans laatste langdurige) treffen.

De eerste keer was begin februari 1993, een paar maanden nadat hij voor Alles in het klein de prestigieuze NCR Literair had gewonnen. Ik werkte als literair journalist voor Vrij Nederland en reed met fotograaf Hans van den Bogaard (die dag tevens chauffeur) naar Zelzate/De Katte om er Eriek Verpale in zijn habitat te interviewen over zijn plotseling gevierd schrijverschap. Hij werkte toen nog als receptionist in een van de chemische fabrieken in Zelzate. We gingen vroeg op weg, het was koud en winters, en dat was maar goed ook want dat bood onze gastheer het uitgelezen excuus ons niet alleen warm welkom te heten maar ook vivacissimo de kurk van de fles te halen en zonder verder dralen een borrel in te schenken. Deze handeling werd nog diverse malen herhaald gedurende die vroege middag. Dat is allemaal niet in het interview terechtgekomen dat op 13 februari 1993 in Vrij Nederland verscheen, maar het volgende wel: ‘Of we er een rustig gesprek van willen maken, vraagt hij. En niet te veel lachen, want hij heeft een paar ribben gekneusd. Lachen doet vandaag pijn. Gisteren met vriend Luuk Gruwez (met wie hij samen Onder vier ogen geschreven heeft) een interview gehad voor de Gazet van Antwerpen. Er moest een foto gemaakt worden. “Allez Verpalle, klim bij Gruwez in de nek. Dat maakt een mooi portret.” Maar Gruwez verliest het evenwicht en Verpalle valt, bam, met zijn volle gewicht tegen een plantenbak.’ Het fragment sluit af met de zinnen: ‘Nu ligt hij opnieuw in een deuk, schaterend, de pijn verbijtend. Die deuk is veelzeggend. Het is de dubbelzinnige houding van iemand die een gekneusd leven door humor draaglijk probeert te maken.’

In genoemd interview naar aanleiding van dat schitterende Alles in het klein (een sterk gemythologiseerde autobiografie in romanvorm, opgetrokken uit enerzijds brieven en anderzijds verhalen en dagboekbladen) ging het nog over veel meer. Over De Katte (het westelijke deel van Zelzate waar hij toen woonde en waar Alles in het klein zich afspeelt), over zijn huis en de aldaar aanwezige boeken en parafernalia, over zijn moeizame schrijversloopbaan, over het ontstaan van het boek (dat hij ook sterk aan de redactionele diensten van zijn literaire vrienden Luuk Gruwez en Benno Barnard dankte), over de sociale status van het schrijverschap, over zijn zogenaamde Joodse achtergrond (een grotendeels verzonnen identiteit die ik toen in het geheel niet in twijfel trok), over taalverschillen en het wezen van humor en verdriet.

Zeer uitgebreid spraken we over de doordachte structuur van het boek. Ik was nog niet zo lang daarvoor (eind jaren tachtig) afgestudeerd op E. du Perron en had onthouden dat diens autobiografische roman Het land van herkomst een zogeheten zandloperstructuur kent. Die interpretatie kwam van J.J. Oversteegen (auteur van het baanbrekende boek Vorm of vent en zelf – naar de naam van het gezaghebbende letterkundige tijdschrift Merlyn – merlynist, dat wil zeggen close reader, van het eerste uur. Zandloperstructuur, dat hield in dit geval in dat alles wat in het eerste deel aan de orde komt, in het tweede deel (nadat al het tekstmateriaal als zand door het smalle middenrif van de gekozen vorm is gelopen) terugkomt op een anders georganiseerde manier. Zo was dat in die roman van Du Perron, en ik meende in Alles in het klein eenzelfde structuur te hebben ontdekt, iets wat ik met een zekere wijsneuzigheid aan hem voorlegde. Maar mijn observatie bleek niet op inlegkunde te stoelen. Eriek was bijzonder opgetogen dat het nu eindelijk gezien was, dat het niet onopgemerkt was gebleven. Zoiets had hij inderdaad bedoeld: ‘Het moest een dwingende vorm krijgen. Daarop bedacht ik dat ik het zou kunnen structureren als een liggende acht, als de lemniscaat van Bernoulli. Degenen die in de verhalen een hoofdrol spelen, figureren zijdelings in het brievendeel en omgekeerd. En tussen de twee helften van de acht ligt de tijdslijn. Zo begint Alles in het klein met een verhaal dat bijna helemaal gewijd is aan mijn Jiddische overgrootmoeder. In de brieven wordt zij nog maar af en toe genoemd. Andersom komt de geschiedenis met Boes, waarvan de lezer aanvankelijk alleen maar kan vermoeden dat het een ex-vriendin is, pas in het tweede deel aan bod. Er moest een ontwikkeling in zitten, en elk radertje moest twee keer voorkomen. Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt, heeft Jeroen Brouwers gezegd.’

 

Halverwege 1995 nam ik afscheid van de literaire journalistiek en ging ik als redacteur aan de slag bij De Arbeiderspers. En in die hoedanigheid werd ik de redacteur van Eriek Verpale. Achteraf kan je zeggen: dat was midden in zijn meest productieve periode. Want na Alles in het klein, Onder vier ogen, Olivetti 82 en de dichtbundel Nachten van Beiroet verschenen in een behoorlijk snel tempo de boeken die ik tot mijn immense genoegen mede tot stand heb helpen komen: Gitta, De patatten zijn geschild, Grasland en Katse nachten. Maar na die laatste schitterende roman, verschenen in 2000 en nog genomineerd voor de ECI-prijs voor Schrijvers van Nu, kwam de klad erin.

Misschien veranderde er in korte tijd te veel in zijn leven. Hij gaf zijn baan als receptionist op om zich volledig aan het schrijven te kunnen wijden, trouwde opnieuw, verhuisde naar Lebbeke om er in een zeer burgerlijke omgeving een ogenschijnlijk uiterst aangeharkt bestaan te leiden. Maar de schijn bedroog. Ongetwijfeld zal Koning Alcohol toen al een verwoestende invloed hebben gehad op Erieks schrijversdiscipline, maar feit was dat er nauwelijks nog iets uit zijn handen kwam. Spa Rood bleef het spookboek dat het al jaren was, ondanks de vele kisten notities en documenten die er de grondslag voor hadden moeten vormen en die ik met eigen ogen heb gezien.

In een uiterste poging om een vastgelopen schrijverschap vlot te trekken toog ik op een pikdonkere decemberochtend in 2005 in gezelschap van de speciaal hiervoor aangetrokken redacteur Edwin Krijgsman naar Ertvelde, waar Eriek na zijn scheiding van Kristel was neergestreken in een kolossale boerderij die om hem heen hing als de badjas van een zwaargewichtbokser om een kabouter. Rillend van de winterkou arriveerden we tegen tienen na natte sneeuw, hagel en woeste windvlagen te hebben getrotseerd. Het was wel duidelijk dat er door de omstandigheden al een paar waren (nou vooruit: maak daar maar drie van) die ernstig aan een opwarmertje toe waren. Enfin, de fles stond al op tafel en de kurk was er in een ommezien vanaf. Net als in 1993 in Zelzate werden de diverse handelingen die glazen vol doen raken bij herhaling verricht.

Eriek was toen al jaren in de weer om van allerlei notities en autobiografisch materiaal (brieven, dagboeken, krantenstukken) een boek te maken, maar niets lukte meer. Edwin Krijgsman zou door de extra aandacht die hij kon geven misschien in staat zijn om (net als Luuk Gruwez en Benno Barnard destijds in het geval van Alles in het klein) dat boek op te dreggen als een drenkeling uit een meurend moeras. Maar Krijgsman werd al spoedig getrakteerd op dezelfde jeremiades en uitvluchten waarmee ik en in die tijd ongetwijfeld ook vele anderen het bos in werden gestuurd.

Eriek Verpale was een mission impossible geworden. Er was in die jaren ook altijd wel iets dat hem van het schrijven afhield: onenigheden met zijn Kristelbeest, luidruchtige grasmaaiers die hem zozeer tot wanhoop dreven dat hij een kapitaal uitgaf om zijn werkzolder te laten betimmeren en isoleren, lichamelijk ongerief van zeer uiteenlopende aard, en glaszuivere pech van panne tot vingers tussen de deur. En toen hij na een zoveelste in gezamenlijkheid afgesproken deadline niet meer dan een stapel krantencolumns aanleverde, was voor mij de maat vol. Het is jammer dat ik de brief die ik hem toen geschreven heb (waarschijnlijk ergens tussen nazomer 2006 en voorjaar 2007) kwijt ben. Maar de strekking ervan herinner ik me nog levendig. Ik schreef iets in de geest van: als je wilt dat onze rol, zoals Herman de Coninck de activiteiten van zijn uitgevers ooit omschreef in een ironische boutade aan van hen, er alleen uit bestaat een kaftje om een willekeurige portie kopij te leggen, dan doen we dat. Maar als jij je schrijverschap en ons serieus neemt moet je dit materiaal als niet verstuurd beschouwen en nog eens opnieuw beginnen.

Toen was Eriek boos, zij het voor maar even, en waarschijnlijk ook omdat hij wel inzag dat De Arbeiderspers au fond gelijk had. Maar er kwam geen boek meer. Er waren nog wat korte en vluchtige ontmoetingen, er waren nog wat bedankjes en uitwisselingen van beleefdheden, maar onze vriendschap leed een kwijnend bestaan en kwam tragisch noch kluchtig maar zacht jankend aan zijn einde.

De laatste mail die ik van hem heb kunnen terugvinden is het antwoord op een uitnodiging om eind februari 2008 in Brugge de presentatie bij te wonen van de bundel Lagerwal van Luuk Gruwez. Blijkbaar hadden we toen al geruime tijd geen contact meer gehad, want ik schreef hem: ‘Ik weet van deze en gene (o.a. van onze goede vriend Gruwee) dat je nog leeft – en dat is maar goed ook. Want dood zijn kun je nog lang genoeg. Wat denk je: ga je morgen naar Brugge voor de presentatie van Luuks […] bundel? In dat geval zou ik het genoegen smaken je na al die tijd (anderhalf jaar?) weer eens te zien? Enfin, ik ben benieuwd. En als je niet komt, ben ik ook benieuwd. Naar hoe ’t met je gaat bijvoorbeeld.’

‘Dag Peter,’ antwoordde hij, ‘hartelijk dank voor onderstaande mail. Ik moet mij helaas verontschuldigen (geen vervoer) maar heb daar zowel Luuk als Chris [Boudewijns] en ook de Brugse boekhandel reeds van op de hoogte gebracht. Het gaat mij verder niet zo erg goed maar probeer er op de een of andere manier toch mijn hoofd recht te houden. Medio maart – als ik wat meer zicht heb op de structuur van mijn nieuwe boek – neem ik contact met je op.’ Daarvan is, zover ik me herinner, niets meer terechtgekomen.

Het bericht van zijn dood, mij op vakantie ver weg in Zuid-Spanje geannonceerd door Luuk Gruwez, schokte me. Ik had hem graag nog eens ontmoet en gesproken. Ik had graag nog een nieuw boek van hem uitgegeven. En omdat we ons bij De Arbeiderspers realiseerden dat dit nooit meer zou gaan gebeuren, konden we niet anders dan dat oude meesterwerk van hem nog eens een nieuwe generatie lezers gunnen. Die klassieker van hem, Alles in het klein, die we nog heel lang voorhanden willen laten blijven en die hopelijk de weg baant voor nog meer van Verpale. Het doet mij plezier dat we Alles in het klein met een nieuw omslag van Steven van der Gaauw hebben heruitgegeven. Daarop twee lemniscaten van Bernoulli, één in groen en één in rood. Twee keer de tijd opgeheven, twee keer dat symbool van eeuwigheid. Eén lemniscaat voor het tragische en eentje voor de klucht.

 

Verpale_Alles_in_het klein_3D_klein

 

 

 

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑