Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

‘Die vent van die moestuin en van die vieze recepten.’ J.M.A. Biesheuvelprijs 2017 voor Maarten ’t Hart

In ‘De buitendeur’, een verhaal van Maarten ’t Hart uit De moeder van Ikabod, wordt de schrijver belaagd door een groepje jonge boefjes die hem aanvankelijk de inhoud van zijn portemonnee afhandig willen maken. Maar als blijkt dat daar maar vijftig eurocent in zit (voor het zwembadkluisje) zetten ze hem in als lokaas om iemand anders (een slager in zijn winkel) te beroven. Op zeker moment, bij het naderen van een patrouillewagen, weet Maarten aan zijn belagers te ontkomen en zich in een lange sprint te verzekeren van de bescherming van het blauw op straat. Maar het blauw op straat wil hem niet erg geloven.

‘“Weet je ’t zeker? Kerels? Ik heb geen kerels gezien.”
“Ik ook niet,” zei de agent.’ Even aandachtig als achterdochtig keek de agente mij aan, ze zei: “O, kijk nou, als dat die schrijver niet is. Wat was de naam ook weer? Biesheuvel? Nee, nee, Van ’t Hart, ja het is hem, Van ’t Hart, die vent van die moestuin en van die vieze recepten, kom, stap weer in, we gaan naar het bureau.”
“Nee, wacht, misschien dat die vier knullen hier nog ergens…” zei ik.
“Het is Van ’t Hart,” zei de agente koppig, “die heeft nogal een dikke duim. Vier kerels, ga toch weg, we hebben niks niemendal gezien, we hebben alleen maar een idioot de straat op zien sprinten die met zijn armen begon te zwaaien alsof hij Sinterklaas zag aankomen op een dwergezeltje.”’

Dit zegt ongetwijfeld het nodige over hoe de sterke arm schrijvers percipieert (als een bende fantasten die het ook in de werkelijkheid niet te nauw nemen met de feiten), maar daar gaat het me nu niet om.

Het gaat me om Maarten Biesheuvel, die andere Leidse (en omstreken) schrijver die in De moeder van Ikabod zo vaak ten tonele verschijnt dat het welhaast onbetamelijk was geweest als deze verhalenbundel van Maarten ’t Hart afgelopen zondag (19 februari 2017) niet was bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs.

vdh9789029505673

Dat is natuurlijk allemaal achteraf praten. Want toen iets minder dan twee weken geleden de nominaties voor de prijs bekend werden gemaakt (naast Maarten ’t Hart ook A.H.J. Dautzenberg met De dag dat de gieren buigen, Bertram Koeleman met Engels voor leugens, A.N. Ryst met De blauwe maanvis en Kira Wuck met Noodlanding), was het lang niet zeker dat Maarten ’t Hart die prijs in de wacht zou slepen. Hij mag dan met voorsprong de bekendste schrijver van dit vijftal zijn, maar die andere vier waren echt niet voor niks genomineerd. Daar komt nog bij dat Maarten ’t Hart een zeer weinig bekroond auteur is. Een jaar of veertig geleden kreeg hij de Multatuliprijs voor Het vrome volk en halverwege de jaren negentig werd zijn roman Het woeden der gehele wereld bekroond met de Gouden Strop. Dat was het wel zo’n beetje voor wat betreft de literaire erkenning in de Nederlandstalige letteren.

Die feiten dwingen tot scepsis. En ook Maarten liet me weten dat hij er zeker van was dat hij die prijs niet zou krijgen. Daar kwam nog bij dat er omstandigheden waren die het hem praktisch erg lastig maakten aanwezig te zijn bij de bekendmaking en uitreiking van de prijs in het Lloyd Hotel aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. ‘Wat die prijsuitreiking betreft,’ schreef hij zijn redacteur Michel van de Waart, ‘ik weet niet of het mij zal lukken daarheen te gaan. Ik kamp met een eigenaardig euvel. Op onvoorspelbare momenten krijg ik opeens een bloedneus. […] Als dat dit weekend nog niet over is, ga ik niet, want daar in de zaal zitten met opeens een bloedneus – dat is akelig en lastig. Om het bloeden te stelpen moet ik gaan liggen met mijn hoofd achterover en iets heel kouds in mijn nek – zie je mij dat doen midden onder de prijsuitreiking?’

Nee, dat leek ons zelf ook geen feestelijk gezicht. En vanzelfsprekend zouden wij met plezier de honneurs waarnemen, al hadden we (ten overvloede!) het liefst gezien dat Maarten er zelf bij was geweest.

Deze situatie was wel een gelegenheid bij uitstek om eens te kijken of het niet mogelijk was op voorhand wat informatie in te winnen over de kansen van onze genomineerde. Ik deed zélf of mijn neus bloedde en mailde Arjen Fortuin (een van de initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs) om hem te laten weten dat Maarten hoogstwaarschijnlijk verstek zou moeten laten gaan: ‘Met andere woorden: is bij afwezigheid van Maarten komende zondag mijn overkomst dringend gewenst (als je begrijpt wat ik bedoel)? Soms heeft een mens al aan een half woord genoeg.’

Maar Arjen Fortuin liet zich niet kennen: ‘Ik zit niet in de jury, dus halve woorden heb ik niet… Daar staat tegenover dat je natuurlijk wel moet komen, om Maarten te steunen, zijn champagne te drinken of anders om hem te vertegenwoordigen. Bovendien werken we aan een (figuurlijk) doekje voor het bloeden voor alle genomineerden.’

Terugkijkend op vanmiddag neem ik aan dat hij doelde op het feit dat alle genomineerden een ‘schrijfretraite’ werd aangeboden in De Buitenwerkplaats te Starnmeer ‘om even afstand te nemen van het stedelijk leven met alle reuring, prijsuitreikingen en dagelijkse beslommeringen. Van vrijdagmiddag tot zondagmiddag kunt u in alle rust schrijven. Wij zorgen voor een tafel, een bed en een ontbijt- en lunchpakket.’

Welnu, ik hoop zeer dat Maarten op dat aanbod wil ingaan. Want als dat niet een nieuw hilarisch verhaal oplevert, dan weet ik het ook niet meer.

Eén ding is zeker. Ik was daar vanmiddag niet voor noppes en niemendal. Ik werd, nadat Babs Gons het juryrapport* had voorgelezen (‘Maarten ’t Hart weet aanstekelijk schrijfplezier te verenigen met een grote ambachtelijkheid en een ongeëvenaarde stijl’), naar voren geroepen om bij afwezigheid van Maarten (en in aanwezigheid van die andere Maarten!) de prijs (groot € 5105,70) in ontvangst te nemen. Ik sprak namens de auteur door te zeggen hoe verrast wij waren dat deze prijs naar hem gegaan was en namens mijzelf door (ik zeg het nogmaals) te melden dat het ook bijna onbetamelijk was geweest hem niet te winnen bij zoveel verwijzing naar Maarten Biesheuvel in één boek. En ik las ook de regels voor die hij me stuurde voor het geval hij volkomen onverwachts toch de prijs zou krijgen: ‘Ik ben een schrijver met heel veel lezers, maar ook met heel weinig prijzen. Dus ik ben er enorm verguld mee dat ik deze prijs heb gewonnen. Ik dank de jury dan ook hartelijk voor deze uitverkiezing.’

Daarna verwees ik nog naar een interview van Jamal Ouariachi, eerder deze week in Het Parool, naar aanleiding van de verschijning van diens nieuwe boek, Herinneringen in aluminiumfolie, waarin hij meldde dat zijn verhalenbundel onder meer een antwoord was op het alomtegenwoordige ‘droogklotenproza’ in de huidige Nederlandse literatuur. Ik greep die opmerking aan om te zeggen dat met Maarten ’t Harts De moeder van Ikabod weliswaar niet een bundel uitverkoren was die schittert in ontregelend proza of subtiel literair trapezewerk, maar dat het de bekroning was van een gulle verteller die uitblinkt in verhalen die bol staan van humor, kleurrijkheid en zeggingskracht. En van Maarten Biesheuvel dus.

Om dat te onderstrepen las ik het begin voor van het verhaal ‘De hoofdprijs’:

‘Wij schrijven het jaar van het beroemde boek van Orwell. Ik had het boekenweekgeschenk mogen maken. Ik signeerde bij boekhandel Kooyker te Leiden. Op een moment dat het aan mijn tafeltje even stil was sloop een bejaarde dame naderbij. Ze zei: “Dat vind ik nou zo geweldig, meneer Biesheuvel, dat u het boekenweekgeschenk hebt geschreven, zou u er eentje voor mij willen signeren?”

Jaren eerder was het mij, toen ik bij boekhandel Van der Galie in Utrecht signeerde, ook al overkomen dat een reuze aardig meisje voorstelde om na afloop van de signeersessie iets te gaan drinken. Eenmaal in de kroeg bleek dat ook zij dacht dat ik Maarten Biesheuvel was en toen ik haar uit de droom hielp, was zij niet alleen diep teleurgesteld, maar ging ze er terstond vandoor. Dus die oude dame bij Kooyker wou ik zo’n deceptie besparen. Vaak genoeg had ik bij signeersessies naast Bies gezeten, dus ik wist precies hoe hij signeerde. In De ortolaan zette ik derhalve zwierig zijn handtekening, J.M.A. Biesheuvel, met een klein tekeningetje van een kooikershondje eronder. Innig tevreden liep de oude dame met De ortolaan de winkel uit.’

De Arbeiderspers feliciteert Maarten ’t Hart uitbundig met de J.M.A. Biesheuvelprijs 2017.

*Het juryrapport van de J.M.A. Biesheuvelprijs bevatte ook nog een paar bijzondere vermeldingen. Een daarvan was die voor de verhalenbundel Huis voor het hiernamaals van Guido Snel, waarin ‘fictie en non-fictie op fascinerende wijze [worden] verenigd.’ Een meer dan terechte bijzondere vermelding voor een verhalenbundel met veel Midden-Europa waarin essay en vertellend proza een gloedvolle fusie aangaan. Ik kan iedereen deze bundel dan ook zeer aanraden. Ga dat ook lezen!

 

Nomadisch dichten Over Nachtroer van Charlotte Van den Broeck

Das Bleibende, scheint mir, ist wo man sagen kann – ‘Anfang und Ende immerfort dasselbe’.
Hannah Arendt in een brief aan Martin Heidegger, 19 oktober 1966

 

Zaterdag 21 januari 2017 werd in De Zwarte Panter Nachtroer, de tweede dichtbundel van Charlotte Van den Broeck, ten doop gehouden. De beroemde Antwerpse galerie voor hedendaagse kunst, in 1968 opgericht door de aimabele en er nog altijd actieve Adriaan Raemdonck, gevestigd in een voormalig gesticht aan de Hoogstraat, was met zijn inpandige toog van meet af aan ook een favoriete ontmoetingsplek voor dichters en kunstenaars. Jan Vanriet, Paul Snoeck, Jan Decleir, Fred Bervoets, Eddy van Vliet, Pjeroo Roobjee en Hugo Claus waren er kind aan huis. Alleen al om die reden was het een welgekozen plek. De winterkoude kapel van De Zwarte Panter bood maar net genoeg ruimte aan de bijna tweehonderd bezoekers van de presentatie. Dat het bomvol was, had als voordeel dat men zich aan elkaar kon warmen, wat De Zwarte Panter een beetje de aanblik gaf van een duistere convocatie die een samenzwering aan het smeden was, een occult ritueel onder de noemer Nachtroer.

De samengedromde menigte zag optredens van Juicy Dune IJsselmuiden, die een ode aan de nacht kwam brengen; Arnon Grunberg (niet live aanwezig) met een videoboodschap voor de dichter van de avond; Mirjam van Hengel die  Charlotte Van den Broeck kort interviewde over haar nieuwe bundel en uiteraard Charlotte zelf in een indrukwekkende performance met zanger en pianist Gregory Frateur (met wie ze eerder al op de Frankfurter Buchmesse had opgetreden). De tekst hieronder is een uitgebreide bewerking van de toespraak die ik er hield.

 

*

 

We rollen onze tongen op, houden een mond vol

losbandig zwijgen. In het terrarium gloeit stilaan het kameleonwijfje.

Ze krijgt de kleur van wangen na het vrijen

van mannen die op vakantie enkel kaartjes naar hun stamkroeg schrijven.

Het soort rood dat elke schakering op schaamte doet lijken.

 

Het bovenstaande is een fragment van een van de twee titelgedichten uit de bundel Kameleon, waarmee Charlotte Van den Broeck iets minder dan twee jaar geleden debuteerde en die we toen – ook in januari, ook in Antwerpen, al was het toen in boekhandel De Groene Waterman – aan de mensheid voorstelden. Afgaande op de tekst van de toespraak die ik daar hield, moeten we euforisch zijn geweest. We hadden zelf al het gevoel met deze jonge (en vanzelfsprekend nog onbekende) dichter een groot talent in huis gehaald te hebben, maar hadden daarvoor bevestiging gevonden nu zij was toegevoegd aan de toch altijd prestigieuze line-up van Saint Amour, een van de grootste reizende literaire evenementen in Nederland en Vlaanderen dat onder de altijd bekwame leiding van Behoud de Begeerte en Luc Coorevits op het punt van beginnen stond.

Wat we toen uiteraard nog niet wisten: dat deze dichter tijdens Saint Amour zo van zich zou doen spreken. Charlotte Van den Broeck maakte een overdonderende entree in de literaire bovenwereld (underground had ze namelijk al een reputatie als performing poet) en was de sensatie van die afleveringenreeks van Saint Amour. Over haar gedichten schreef Humo dan ook: ‘Ze lijken op maat voor het podium geschreven, maar herbergen achter een bedrieglijke transparantie een rijke gelaagde veelheid.’

Die dubbele kwaliteit – zowel charme en acteertalent als poëticale diepgang – was wat iedereen meteen bijzonder aansprak in Charlotte Van den Broeck. En dan was Saint Amour nog maar de opmaat naar meer succes. Haar bundel werd overladen met enthousiaste recensies en begin vorig jaar bekroond met de Herman de Coninck-debuutprijs. Ze had de enorme eer om, veel later vorig jaar, samen met Arnon Grunberg de Frankfurter Buchmesse te openen, waar Nederland en Vlaanderen zich samen als gastland aan de (boeken)wereld toonden. En dat laatste heeft weer geleid tot een opvallende internationale belangstelling voor haar werk. Ze is net terug van een literaire tournee in Londen en had de afgelopen dagen tal van media-afspraken in Vlaanderen en Nederland. Maar wat wil je ook met een dichtbundel die inmiddels in zijn vierde druk zit en met een opvolger op komst.

Het moge duidelijk zijn: Charlotte’s opkomst in de literatuur schept verwachtingen voor de tweede bundel. In De Standaard van afgelopen vrijdag noemde dichter en criticus Luuk Gruwez – hij besprak er tevens zeer lovend de bundel Ontsnappingen van een andere Arbeiderspers-dichter, te weten de voor de Herman de Coninckprijs genomineerde Eva Gerlach – vijf bundels om dit voorjaar bijzonder naar uit te kijken. Nachtroer dus ook. ‘Met Kameleon […] gooide Van den Broeck hoge ogen,’ aldus Gruwez, die spreekt over ‘de aangrijpende manier waarop zij haar gedichten op een podium weet te brengen, met onovertroffen charisma en uit het hoofd’. En hij vervolgt: ‘Charlotte Van den Broeck ondernam in haar debuut een zoektocht naar de plaats van een mens in zijn lichaam en de plaats van dat lichaam in de wereld, met een opvallende aandacht voor vrouwelijkheid en moederschap. Benieuwd welke richting zij op gaat met Nachtroer.’

Welnu Luuk, richting… Dat is nog niet zo een-twee-drie duidelijk. De bundel vertrekt na een reeks onder de titel ‘Acht, ∞’ (het symbool dat deel uitmaakt van de titel is een lemniscaat, het oneindigheidsteken maar ook een omgevallen acht) waarin een voorbije liefde met terugwerkende kracht in een begin uitmondt, waarna er in het hele vervolg van de bundel opnieuw begonnen wordt om aan het eind uit te komen bij een soort gebruiksaanwijzing: het bouwpakket voor een boot waarmee nogmaals een reis zou kunnen worden aangevangen. Misschien wel een postume, postnucleaire of posthumane reis. Maar je kunt het ook, zoals Charlotte zelf deed in een dubbelinterview met Peter Verhelst in Humo betrekken op de barre maatschappelijke actualiteit: ‘Ja, dat beeld gaat voor mij over een afscheid, maar het kan door het vaak gebruikte beeld van de vluchtelingenboten in de media evengoed als engagement gelezen worden.’

Daarmee is, of het nu om een persoonlijk of maatschappelijk engagement gaat, al één belangrijk thema van deze bundel geduid, namelijk het perspectief dat het opnieuw beginnen, telkens opnieuw beginnen, menselijkerwijs biedt. Dat is uiteraard allerminst een op zichzelf staand, door haar als eerste verkend thema. Van den Broeck plaatst zich aldus nadrukkelijk in een twintigste-eeuwse literair-filosofische traditie (Hannah Arendt en Ernst Bloch voorop) van het levend houden van de hoop als kenmerkend voor de menselijke vitaliteit. Joke J. Hermsen verwoordt het in Kairos. Een nieuwe bevlogenheid in een essay over Arendt als volgt: ‘Het nieuwe begin was voor Arendt zo’n belangrijk filosofisch thema, omdat beginnen niet alleen de kringloop van gebeurtenissen weet te doorbreken, maar ook omdat de mens in haar visie ten diepste een initium is, “een begin en een nieuwkomer” die in staat is nieuwe initiatieven te nemen, een andere weg in te slaan of iets nieuws te initiëren.’

Precies dat is de drijfveer van deze tweede bundel, een drijfveer die zich in Nachtroer ontvouwt als een lange reis, als een schimmig, zo nu en dan ook suspensevol nachtelijk avontuur, als een vlucht naar voren, of om te spreken met Ingeborg Bachmann uit een van haar Frankfurter Colleges: ‘Zo is de literatuur, hoewel en zelfs omdat ze altijd een mengelmoes is van het voorbije en van wat we nu aantreffen, steeds het verhoopte, het gewenste, waaruit we naar ons verlangen een keuze maken – zo is ze een naar voren geopend rijk met onbekende grenzen.’

Die richting uit dus, als een soort moderne versie van de middeleeuwse reis van Sinte-Brandaan, zij het niet zoals in zijn geval als een straf voor het verbranden van een boek dat de waarheid over Gods wonderen bevatte maar vanuit een honger naar iets nieuws (na het verdriet van een gebroken liefde) en vanuit een soort verlangen naar ontheemding, naar verdwijning en naar een opgaan in de permanente stroom van het tomeloze leven. Het motto van Emmanuel Levinas dat aan de bundel zelf voorafgaat is in dat opzicht treffend gekozen: ‘Het innerlijke leven, het ik, de scheiding, zijn de ontworteling zelf, de niet-participatie en bijgevolg de ambivalente mogelijkheid van dwaling en van waarheid. Het kennende subject is geen deel van een geheel, het grenst nergens aan.’

Thema’s (aan)duiden is één ding, maar we moeten niet vergeten erop te letten hoe schitterend ze verwoord zijn en met welke pakkende beelden. Over de vergeefsheid van onze inspanningen of ruzies in ‘Drift’: doet het ertoe/ wie wat van wie heeft meegegraaid/ of wie er als laatste recht bleef staan?// feiten worden altijd door structuren ingehaald, ’s ochtends/ de tanden tot grind gebeten, de mond leeg van verweer. Of hoe in ‘Dorst’ een gevoel van uitputting en zelfverlies wordt opgeroepen: en we breken maar/ uit elkaars ribben, laten de poten willoos hangen/ als bij het nekvel gegrepen door een grotere tegenstander/ blijkt verte maar het testbeeld op de televisie, jij opgesloten/ in de smaak van hoe hij zich je mond herinnert/ zonder kloven of beloftes of lippenstift, bloedappelsien. Of in ‘Snede’ waarin een soortgelijke ervaring van depersonalisatie wordt gekoppeld aan het gevoel van hitte met een beklijvend beeld: juli, bleke hitte, uit mijn polsen druipen vingers, schaduw/ vind ik in ogen achter een zonnebril op mij gericht. Deze voorbeelden zijn enigszins willekeurig. Tientallen van zulke pregnante beelden en regels worden aangetroffen in deze bundel die ook voor de lezer kan uitpakken als een onthechtende ervaring.

Maar die onthechtende ervaring lijkt uiteindelijk misschien wel op niets zozeer dan op het grillige parcours van het onvoorspelbare leven zelf (een onderweg zijn als verzet tegen de dood of misschien – en paradoxaal genoeg – ook wel als verzet tegen het leven zelf). In een van de laatste gedichten uit de bundel (uit de zesdelige cyclus ‘Daar’) verwoordt Charlotte Van den Broeck dat als volgt: Ze zeggen dat je van hieruit maar één kant op kan, weg/ en eenmaal weg weet men snel dat er elders niet meer wereld is […]// maar wie opgroeit in een eindstation weet vanzelf/ dat aan het einde van de dingen onwrikbaar en altijd een gevolg ligt.

Dat komt dicht in de buurt van wat Patricia de Martelaere in een essay over Freud en de dood in Een verlangen naar ontroostbaarheid concludeerde over ons instinct tot zelfbehoud: ‘Er is geen andere keuze dan die tussen de onmiddellijke terugkeer en de omweg: een echte “weg” – die ergens anders aankomt dan waar hij vertrok – lijkt er voor het leven niet te zijn.

Enfin, de omweg dus, begin is einde en einde is begin, en die beleven wij met de dichter (of de ik) mee in deze (nogal urbane) omzwerving. (Nachtroer is tussen haakjes ook de naam van een Antwerpse nachtwinkel.) Etappe voor etappe leidt deze nomadische bundel ons zo niet tot splijtende inzichten en ongekende ervaringen dan toch in ieder geval naar steeds weer schitterende afzonderlijke gedichten.

Charlotte Van den Broeck bewondert de Oostenrijkse schrijfster en dichter Ingeborg Bachmann (1926-1973). Terecht en begrijpelijk. Haar werk is als geen ander doortrokken van verlangen naar ontheemding en ongeneeslijk Fernweh. Neem haar gedicht ‘Bohemen ligt aan zee’ uitmondend in de grootse regels (in de vertaling van Paul Beers): ‘Ik grens nog aan een woord en aan een ander land,/ ik grens, hoe weinig ook, aan alles immer meer’.

Dat schier grenzeloze herkennen we in Nachtroer. Begin er maar aan.

TO TRUMPET 1984

orwellsticker

‘Nou, zeg het maar… Willen jullie meer of minder alternatieve feiten!’

‘Meer, meer, meer. We willen meer alternatieve feiten!’

‘Geweldig. Jullie willen meer alternatieve feiten. Dan gaan we dat regelen.’

‘Misschien een ongepaste vraag, meneer de uitgever, maar hoe gaat u dat doen? En hoe kunt u die verspreiden?’

‘Goeie vraag. Zal ik jullie vertellen. 1984. Dat boek van George Orwell. Niet dat ik het zelf gelezen heb – ik lees nóóit een boek, ik heb wel wat béters te doen – maar echt, een gewéldig boek. Staat vol alternatieve feiten die helemaal waar zijn. En u verdient het om eindelijk eens de waarheid te horen. In plaats van al die volgelogen boekjes van andere uitgevers. Allemaal leugenaars, die uitgevers. In 1984 wordt tenminste gezegd waar het op staat. Dat dat twee plus twee vijf is, als de partij DAT zegt. Vijf dus, dan hoort u dat ook nog eens van mij. Een echte, alternatieve absolute waarheid, zoals ik die in pacht heb. Geloof me maar, ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg.

‘En wat zégt u dan precies?’1984-omslag

        ‘Ik zeg dat we een muur van boeken gaan aanleggen in de
boekhandel in Nederland
en Vlaanderen, en ook in de elektronische boekhandel. Een manshoge muur. Of ze nou willen of niet, die boekhandels. Die komen daar ook niet onderuit. Nee mooi niet! Een múúr van boeken zeg ik. En iedereen van jullie gaat zo’n boek kopen voor 12 + 2 = 15 euro. Wat natuurlijk voor niks is, dat begrijpen jullie ook wel, want jullie he
bben als de besten door hoe dat zit met al die bedriegers van andere uitgevers die die boeken veels te duur maken. En dat er dan ook nog onzin in staat.

En ik zeg jullie nog iets. Ik zeg jullie: de boekhandel gaat hiervoor opdraaien. Die boekverkopers gaan die muur van boeken zelf betalen. Gelóóf mij maar. Maar dat doen ze altijd al wel hoor, die boekhandels, dat is geweldig volk. Great people.

Dus van nu af aan, beste mensen, is het 1984 eerst, 1984 eerst! Make 1984 great again.’

 

Groet,

Peter Nijssen,

Uitgever van De Arbeiderspers

 

preview

 

 

 

De man van taal Over Waanzin went niet van Max Greyson

Vorige week kondigde Max Greyson de presentatie aan van zijn poëziedebuut Waanzin went niet. En wel op 30 januari 2017 in Antwerpen. ‘Krijg nou wat!’ roepen de kenners. Die bundel werd toch vorig jaar oktober al ten doop gehouden in de Arenbergschouwburg in Antwerpen? Het moet niet gekker worden. En toch is het zo. De Orde van de Prinsen (een soort van prestigieuze Antwerpse herenclub) heeft die bundelvoorstelling inclusief alle optredens geboekt als show. Een besloten voorstelling, waarin alleen ondergetekende zal ontbreken. Vorig jaar werd mijn rol tijdens die middag in de uitnodiging aangekondigd als die van ‘een sprekende uitgever in de gedaante van Peter Nijssen’. Geef toe: dat klinkt een beetje alsof een horrorclown alle aanwezigen de stuipen op het lijf komt jagen. Gaan we niet nog een keer doen. Maar mijn toespraak mogen ze hebben. Als ik het goed begrepen heb, heeft ‘presentator Matthias’ zich erover ontfermd. De tekst vindt u hieronder.

 

*

 

U hebt het allemaal kunnen lezen in de uitnodiging die u hebt ontvangen voor deze helemaal te gekke boekpresentatie. Op het programma van vanmiddag staat onder andere een gedaante, en wel de gedaante van een sprekende uitgever. Welnu, dat ben ik. Ecce homo. Ziedaar de mens! Dat klinkt al verontrustend, nietwaar. Is die meneer wel helemaal compos mentis?

En wat presenteren we vanmiddag? Juist, Waanzin went niet, de debuutbundel van Max Greyson. Een van de vragen die hier moeten worden beantwoord is dan ook of Max Greyson gek is. Mad Max Greyson. Een tweede vraag is overigens of de titel slaat op de zender of de ontvanger.

Ecce homo. Dat was zo ongeveer het laatste geschrift dat Friedrich Nietzsche – in nog geen drie weken tijd – voltooide. De ondertitel ervan luidt: Hoe iemand wordt wat hij is. Twee maanden later, begin 1889, viel hij in Turijn wenend een mishandeld en afgetobd paard om de hals. Het begin van een ongeneeslijke krankzinnigheid. De laatste twaalf jaar van zijn leven bracht hij door in bed, starend in een onpeilbare verte en volkomen sprakeloos. Zo gek als het paard van Christus. Het megalomane genie had het intellect en de actieradius van een kamerplant gekregen, al zou je ook nog kunnen beweren dat hij eindelijk had bereikt wat hij wilde: een volkomen ‘freier Geist’ zijn.

Maar goed, dat was na het bijeen pennen van een omvangrijk en nog altijd wereldwijd gelezen wijsgerig oeuvre. Max Greyson, beste mensen, is daarentegen nog ternauwernood begonnen. Hij komt net kijken met zijn Waanzin went niet. Gelukkig stelt Max ons met het motto waarmee hij zijn bundel laat beginnen vooralsnog gerust. ‘Jusqu’ici tout va bien…’ En dat staat er tot drie keer toe. Nu moet ik er wel bij zeggen dat het gedacht wordt door een vent die van een vijftig verdiepingen hoge flat aan het vallen is. Laten we dan meteen maar doorstomen naar de tweede afdeling van deze debuutbundel met de titel ‘Tussen waan en zin’. Of nee, laten we dat nog even niet doen.

 

Laat ik eerst eens vertellen hoe ik Max Greyson op het spoor kwam. Dat spoor werd voor mij uitgezet door Ilja Leonard Pfeijffer, die mij als auteur van De Arbeiderspers maar eerst en vooral als jurylid van het open Nederlands kampioenschap Poetry Slam 2015 tipte over de dichter die dat jaar tweede was geworden, hoewel de jury hem met kop en schouders boven de rest vond uitsteken. Daar dacht het aanwezige klapvee met stemrecht anders over. Die koos voor een gelikte snoeshaan met een allemansrepertoire. Ilja wist wel beter. Max Greyson moesten we hebben: ‘Hij is een echte dichter, virtuoos en talig’

Wat Ilja beweert is maar zelden onzin, dus ik legde contact met Max. Hij stuurde mij nieuwe poëzie en we maakten een afspraak in Gent op de avond dat Christophe Vekeman zijn roman Hotel Rozenstok presenteerde. En daar ontmoette ik hem voor het eerst tussen de ruïnes rondom de Sint-Baafsabdij, waar hij op me zat te wachten op een steen in het gras, peinzend als een Van Gogh die in het open veld zit te penselen aan een nieuw schilderij. Dat werd nog een heel erg starry, starry night daar met alle toespelingen van dien, maar spijt zullen we daar allebei niet van hebben overgehouden.

Want het was begin van de bundel die vandaag ten doop gehouden wordt: Waanzin went niet. Dat we met Max een dichter hadden binnengehaald die de podia en de voordracht – zelfs internationaal, het afgelopen voorjaar zat hij een paar maanden met een zeer kleurrijk gezelschap in Keulen – niet schuwt, was misschien wel het eerste wat we ons realiseerden. Ook hier – op het Mestizo Arts Festival – staat hij weer op de planken. En afgelopen week ontving ik de uitnodiging voor de openingsavond op 2 november van Crossing Border, het literatuur- en muziekfestival in Den Haag waar Smutfish onder de naam Smetvis een Nederlandstalig album presenteert in het Paard van Troje. Dat album bevat tekstbijdragen van bekende figuren als Freek de Jonge, Levi Weemoedt, Bart Chabot en Maartje Wortel. En wie leverde er ook een bijdrage. Juist: Max Greyson. Voor al uw teksten en geluiden!

Maar dat theatrale is één kant van zijn literaire medaille. Het is de kant waar ook zijn maatschappelijke betrokkenheid bij hoort. Het is de kant waarop die zin slaat die op het achterplat van zijn bundel geschreven staat: ‘Hij schuwt het engagement niet, de wereld niet en de liefde nog minder.’ Het is iets dat hij deelt met zijn land- en generatiegenoot Charlotte Van den Broeck die vorig jaar zo waanzinnig succesvol bij De Arbeiderspers debuteerde met Kameleon: het naar buiten toe gerichte en de ambitie om ook een spoken word dichter te zijn. Maar er is toch ook nog iets anders dat hij met haar deelt: namelijk dat ook voor hem geldt dat zijn gedichten in de allereerste plaats gemaakt zijn van taal. Dat staat ook in datzelfde tekstje op achterkant van de bundel vermeld: ‘Zijn poëzie is een hartstochtelijk onderzoek naar klank en ritme met als doel een ongenadige stem te vinden die alles en iedereen (ook zichzelf) op de proef stelt.’

 

Laten we dan nu nog eens teruggaan naar die afdeling in Waanzin went niet getiteld ‘Tussen waan en zin’. Die afdeling opent met het gedicht ‘Mal’. En de tweede strofe daarvan luidt als volgt:

‘Wanneer we ontwaken in een boog

van negentig graden, met onze tenen in een kramp

en onze vingertoppen badend in weke huid

hoor ik hoe je luidop een vorm ontwerpt

om op je lichaam te passen’.

Dat is inderdaad mal, maar niet alleen maar als gekte maar ook als een passende vorm – als euforie, als koortsachtige liefde, als iets wat lijkt op wat het omslag ons toont.

Waanzin went niet

Van die talige euforie, al dan niet op sinistere wijze van het padje geraakt, staat deze bundel vol. Neem bij voorbeeld (en daarmee ook ten slotte) het gedicht ‘Geef hem een naam’ dat als volgt begint:

 

‘Spreek hem aan zoals hij is gebekt, vergelijk hem met de stank, de dranklucht

die tijdens lange winters en hete zomers in de metro hangt, jaag hem buiten

als een kruimeldief, kraker, wanbetaler, gootloper, zonder schroom, vind hem

vadsig rijmelaar, schimmig dichter in honderdenéén gezichten verroest

en versteend, geslepen in ongrijpbaarheid, jezuïet of huichelaar,

einzelgänger, subsidiemelker en cultuurbarbaar, hij gaat niet naar theater’

 

En dat gedicht eindigt met de regels:

 

‘[…] zie hem inktzwart ogen op een witte muur

spreek hem aan, geef hem een naam, noem hem niet je mens’

 

Die aansporing neem ik ter harte. Ik noem hem niet ‘je mens’. Niks Ecce homo. Ik, de gedaante van de sprekende uitgever, noem hem Max Greyson. Die van de waanzin die niet went.

Max Greyson is lang niet gek.

Max Greyson is helemaal te gek.

DE VELE PADEN NAAR HET PARADIJS Een steelse blik op het werk van Atte Jongstra

 

                                                         There’s a lady who’s sure

                                                                       All that glitters is gold

Led Zeppelin

 

Zondag 22 januari 2017 kreeg Atte Jongstra in Den Haag voor zijn hele literaire werk de Constantijn Huygens-prijs uitgereikt die de Jan Campertstichting hem eerder al had toegekend. Eric Vloeimans stak virtuoos een adembenemende loftrompet en Max Pam gooide er een geestige ode in woorden tegenaan. De Constantijn Huygens-prijs is na de P.C. Hooft-prijs de belangrijkste literaire oeuvreprijs. Wie die prijs heeft ontvangen gaat welhaast vanzelf deel uitmaken van de literatuurgeschiedenis. Eerdere laureaten van de sinds 1947 uitgereikte prijs zijn onder anderen Bloem, Elsschot, Vestdijk, Bordewijk, Carmiggelt, Lucebert, Boon, Vasalis, Claus, Haasse, Nooteboom, Minco, Grunberg en Van der Heijden. Eind februari verschijnt Jongstra’s nieuwe boek Het fluïde tijdperk. Daar moet nog even op worden gewacht. Lees daarom eerst zijn boeiende roman Aan open zee die vorig jaar bij De Arbeiderspers uitkwam.

 

‘In elk van zijn boeken treft het de lezer telkens weer hoe hij citaten, verwijzingen en fictie weet samen te brengen in een kunstig, vermakelijk en vaak tegendraads werk van de verbeelding,’ staat over Atte Jongstra te lezen in het juryrapport van de Constantijn Huygens-prijs 2016. Dat komt dan mooi uit, want binnenkort – om precies te zijn op 21 februari – verschijnt er met Het fluïde tijdperk weer zo’n typisch eclectisch Jongstra-boek. Eentje dus waarin het barst van uiteenzettingen over beeldende kunst en dat (dus ook) vergeven is van de (kleuren)plaatjes. Zoals gewoonlijk, kan je wel zeggen, alhoewel plaatjes in Aan open zee, zijn vorige boek nu juist schitterden door afwezigheid. Sterker nog: eruit gestolen leken te zijn.

We vierden de verschijning van Aan open zee vorig jaar maart met een feestje bij de schrijver thuis in Osdorp, in het hol van de leeuw, in de ruime woon- annex werkkamer waar de roman grotendeels geschreven is. Ik hield er een toespraak aan de hand van een stapel boeken en een bos verroeste sleutels zonder uitgeschreven tekst. Wat nu volgt is een reconstructie (niet geheel betrouwbaar dus, maar dat is geheel in Jongstra’s geest) van wat ik daar gezegd zou kunnen hebben.

 

*

 

Omdat je sleutels nodig hebt om ergens binnen te komen, begin ik met het volgende. Vorig jaar, misschien wel anderhalf jaar geleden, reed ik met mijn schoonmoeder naar De Lindenhof in Baambrugge om gastronomisch inkopen te doen voor een familiemaaltijd. Ze verkopen in die boerderijwinkel vlees van eigen landerijen, groente en fruit van omliggende bedrijven, overheerlijke kazen en wijnen van heinde en verre, en noem maar op. Ga daar ook een keer boodschappen doen, maar neem een welgevulde portemonnee mee. (Zo, nu heb ik weer genoeg reclame gemaakt om mijn portemonnee bij een volgend bezoek thuis te kunnen laten.)

Wat ik die vorige keer wel meende bij me te hebben maar waar ik niet mee thuiskwam: mijn sleutels! Bij thuiskomst bleek ik mijn sleutels kwijt te zijn. Ik heb nog een paar keer naar De Lindenhof gebeld. Maar nee hoor, ze hadden geen sleutels gevonden, niets wat daar op leek. Ze waren voorgoed kwijt. Ze moesten daar ergens in de varkens- of koeiendrek zijn blijven steken… (Dit is geen antireclame, dit is om de rustieke, bucolische sfeer van het gelukzalige boerenbuitenleven te benadrukken.)

Maar hoe dan ook: dit verhaal komt haperend op gang met een slechte tijding, dat was u ook al opgevallen.

Laten we daarom vervolgen met het goede nieuws. Terwijl we de nieuwe roman van Atte Jongstra nota bene hier en nu ten doop houden, hebben we de eerste viersterrenrecensie al binnen. Die komt van Janet Luis en stond eergisteren in nrc Handelsblad onder de kop ‘Vergeet dat lijk, let vooral op de zee’. Een magnifieke start, maar het advies zou ik toch liever niet volgen. Let nou eens vooral wel op dat lijk! Het is met Jongstra namelijk altijd hetzelfde liedje in de kritiek. De recensenten wijzen graag – of men nu pro of contra is – op het ontregelende, onaffe, ontsporende in dat werk, ook als er, zoals in dit geval, nu juist eens wél sprake is van een (ja, zelfs spannend) verhaal. Nu doet Jongstra aan het eind van het boek ook weer alle moeite om ons te doen geloven dat dat hele boek van hem als vanouds een soepzooitje is. In het laatste hoofdstuk (heel gotisch ‘Slut’ geheten) van dat boek, spelend op een piepklein eiland in de Oostzee, staat het namelijk het volgende, dat door Janet Luis gretig geparafraseerd wordt:

 

‘Misschien moest hij Mette de baaierd aan stukken en brokken maar eens laten lezen. Wie weet kon zij eruit opmaken wat hij eigenlijk met zijn boek zou willen zeggen. Zijn uitgever had al een om een voorlopige samenvatting gevraagd, het was Axel niet gelukt.

“Godbewaarme…” had de uitgever teruggemaild. “Is het wel een roman? Als je een reisverhaal bedoelt: daar is geen markt voor. Bovendien had je me een thriller beloofd, weet je nog.”

Niet achteromkijken, dacht Axel. Voorwaarts! Eenmaal aan de schepping begonnen, dan ook doorzetten. En anders word ik maar timmerman of visser. Daarbij: de liefde wacht!’

Uiteindelijk was ik als uitgever van het boek van Atte Jongstra enorm gerustgesteld: een echte Atte, maar ook een echt verhaal en ja, met een beetje goede wil ook nog eens een echte thriller. Drie keer waar voor uw geld!

En dan was er, nog iets eerder vorige week, zelfs nog een tweede viersterrenrecensie van ene Maryse op de boekrecensiewebsite Scriptor, onder de kop ‘Het water neemt de vorm aan van de vaas waarin men het giet’. Maryse begint als volgt: ‘Op Christiansø, een honderd zieleneilandje aan de rand van Denemarken, gebeurt nooit iets. Daarom is het de ideale plek voor een auteur die in alle rust een roman wil schrijven. Toch heeft Axel Borg, de hoofdfiguur uit Aan open zee, nog niet eens een beginidee voor zijn fictieproject. Hij denkt er zelfs aan plagiaat te plegen en zich Het ravijn, een minder bekend boek van Ivan Gontsjarov, geestelijk toe te eigenen… tot hij ontdekt dat er rondom hem spannende dingen gebeuren en eender wie een verborgen agenda kan hebben.’

Het water in dit boek neemt als snel de vorm aan van een pakkend winterverhaal, rechttoe rechtaan verteld, zo lijkt het. We kunnen het nauwelijks geloven, want dat is nooit eerder vertoond bij Jongstra. En misschien is het ook wel te mooi om waar te zijn.

 

Van zijn eerste (De psychologie van de zwavel) tot zijn voorlaatste (Worst) blinken de boeken van Atte Jongstra uit door een totaal gebrek aan rechtlijnigheid of doelmatigheid. Kenmerkend, een enkele uitzondering daargelaten, is verder dat er altijd plaatjes in staan. Veel vieze en ook vaak rare plaatjes, bijvoorbeeld van een mannetje dat zijn hoofd in een vagina steekt, van een schema van de hel, van lustvuurwerk of van een mankepoot in een soort middeleeuwse voorloper van een rolstoel. Dat werk. En behalve plaatjes bevatten de boeken ook voetnoten, motto’s, bibliografieën en registers. Kortom: de constante in al die boeken is alles wat juist afleidt van de kern. En constant is ook dat er altijd van alles gejat wordt. In zijn boeken wemelt het van de citaten zonder bronvermelding. Atte Jongstra steelt als de raven.

In mijn exemplaar van zijn debuut De psychologie van de zwavel uit 1989 (waarschijnlijk door Atte gesigneerd tijdens een optreden in het Utrechts Literair Café in Zeezicht; het kan niet anders of ik moet dat boek toen al gerecenseerd hebben voor het Utrechts Nieuwsblad) staat: ‘17/12/89: voor Peter Nijssen, vorser in voetnoten, zo heb ik begrepen, en dat was ook de bedoeling.’ De boef die bewust sporen achterlaat en er prijs op stelt als die ook worden aangetroffen.

Maar het kan nog brutaler. Atte heeft eens een boek vertaald van Peter Cornell, De paden naar het paradijs. Noten bij een verloren manuscript. Dat boek bestaat, zoals de ondertitel al impliceert, volledig uit noten en plaatjes die verwijzen naar een afwezige tekst, een lege kern. Jaren later verscheen er een boek (is het wel een boek? het is eerder een glossy tijdschrift dat bij nadere beschouwing een catalogus blijkt) met vrijwel dezelfde titel, Paden naar het paradijs – alleen het eerste lidwoord ontbreekt –, dat ook voor een groot deel uit plaatjes bestaat en een tentoonstellingscatalogus van Rijksmuseum Twenthe blijkt te zijn. De ondertitel verraadt genoeg aan de kenners: Klompen aan en gaan! Neo-wetenschappelijke wegen naar de eeuwigheid. Daar kan niemand anders dan Atte Jongstra, obscurantist der vaderlandse letteren, achter zitten, al is het ding daadwerkelijk in opdracht van het Rijksmuseum Twenthe gemaakt.

De uitgave bevat verwijzingen naar god mag weten wat, maar niet naar Cornell. En ze is bij elkaar geschreven en geredigeerd door een keur van figuren als (naast Atte Jongstra) Robert Junius, Agna Eygenraam, Tom Wispolius, Gaston Tarjet en Arno Breekveld. Let vooral op de anagrammen, pseudoniemen naamverbasteringen en -verwijzingen. Charlatanerie uit één koker!

 

Wie de moeite neemt Aan open zee niet alleen als een spannend winterverhaal maar eveneens (en dus aandachtig) te lezen als een geestig en subtiel spel van referenties, komt ook daarin een heleboel briljant jatwerk tegen. Ik noem slechts Flaubert, Simenon, bekenden uit de Nederlandse onderwereld, de Deense politieke geschiedenis. Het verhaal op zich vormt een soepel strakgetrokken bovenlaag, maar daaronder blijkt dat niets is wat het lijkt, of in ieder geval dat alles ook nog iets anders is dan het lijkt. Zelfs het lijk blijkt niet het lijk dat het lijkt.

Toen ik deze roman als redacteur eind vorige zomer doornam, had ik al het plezier tal van verwijzingen op te merken. Maar je ziet natuurlijk nooit alles, soms ook het kapitale niet. Afgelopen najaar zat ik wat te grasduinen in mijn boekenkasten en stuitte daar bij toeval op een nooit gelezen of in elk geval nooit meer dan provisorisch gelezen roman van August Strindberg. Wie schetst mijn verbazing dat dit boek (dat ik toch al een jaar of vijfentwintig in bezit heb en waarschijnlijk ooit bij De Slegte op de kop heb getikt) de titel droeg van het nieuwe boek van Atte Jongstra onder welke het inmiddels ook al in de prospectus stond. Op de achterflap ervan las ik dat het Strindbergs ‘aanvankelijke bedoeling was een vissersverhaal te schrijven dat evolueerde tot een roman over kunst en de godgelijke kunstenaar, waarin de ontkiemende subjectivistische wereldbeschouwing het wint van de idealistische maatschappijkritische tendens waaraan Strindberg zijn werk tot het eind van de jaren tachtig ondergeschikt gemaakt had. De teloorgang van de visserijinspecteur Axel Borg […] groeide tijdens het werk aan het boek uit tot een symbool van Strindbergs breuk met zijn geloof in het directe maatschappelijke nut van de literatuur.’

Krijg nou toch pek en veren! Niet alleen die titel, maar ook het personage plus een heel scala aan thematische noties had de vogel naar zijn eigen nest in aanbouw verplaatst.

Voor alle duidelijkheid: dit zijn geen beschuldigingen maar uitingen van aanhoudende verbazing. Dat is en blijft de lol van het lezen van Atte Jongstra – ook in een boek zonder illustraties en voetnoten, ook in een boek dat een straightforwardly vertelde geschiedenis uit de doeken doet.

 

Straightforward is niet een in het oog springende eigenschap van deze causerie geworden. Mijn verontschuldigingen. Maar ik moest – om een en ander duidelijk te maken over de kleptomane werkwijze van de schrijver in kwestie in wiens roversnest wij thans vertoeven – een omtrekkende beweging maken. Die beweging nadert zijn einde.

Mijn zoon Derek was vanochtend met vriend Joep aan het voetballen in het aan ons huis grenzende parkje. Op zeker moment trapte een van hen de bal op het dak van het transformatorhuisje. Met vereende krachten – Joep met ineengevouwen handen, Derek die daar op gaat staan en zich naar de rand van het dak wurmt – slaagden ze er in die bal van dat dak te halen. Maar niet alleen die bal. Hij trof er ook de bos sleutels aan die ik al bijna een jaar kwijt was, verroest en onder de viezigheid van halfvergane bladeren.

Hoe kan dat nou? Hoe kunnen die sleutels daar terechtgekomen zijn?

Ineens begon mij iets te dagen. Naast dat transformatorhuisje staat een wel twintig meter hoge populier. En hoog in die populier verschanst zich al jaren een koppel eksters in een nest. Eksters. Daarover weet de website van de Vogelbescherming het volgende te melden: ‘Eksters staan er in de volksmond om bekend glimmende voorwerpen als sieraden en zilveren theelepeltjes te “stelen” en naar het nest te brengen. Dit gedrag komt voort uit de onverzadigbare nieuwsgierigheid van eksters; alles dat er “anders” uitziet, wordt onderzocht en eventueel begraven onder enkele bladeren voor later gebruik.’

Ja, ook eksters, Gerrit Dekzeil, stelen als de raven. Ik blijf ten slotte zitten met een vraag. Illustreert dit verhaal over het terugvinden van mijn sleutels nu dat Atte Jongstra een ekster is of heeft toch de Heilige Antonius, beste vrind, mij die sleutels helpen terugvinden? Eén ding weet ik wel: ook de Heilige Antonius schittert in het werk van Atte Jongstra. In elk geval in zijn De hele santenkraam. Nieuw christelijk lexicon (De Arbeiderspers, 1997).

 

Is een roman van een filosoof een filosofische roman? Het debuut van Henri Lambert, ‘De verstekeling’

De presentatie van De verstekeling, de debuutroman van Henri Lambert (pseudoniem van Helmer Stoel), vond vrijdag 16 december plaats in het vermoedelijk kleinste theater van Amsterdam. Het Torpedo Theater (voorheen het Parool Theater) ligt diep verscholen in de Nes en telt niet meer dan dertig vierkante meter. Gevolg: heel veel volk per vierkante meter. De perfecte locatie voor een boek dat handelt over nietigheid en verborgen motieven. Hieronder mijn enigszins bewerkte toespraak tijdens die gebeurtenis.


582bf_9789029505505_cvrIemand moet het doen. En daarom komt het er vaak op neer dat de stapels ongevraagd ingezonden manuscripten op de uitgeverij worden doorgenomen door een stagiair. Die staan, heel cru gezegd, nu eenmaal onderaan de pikorde van een uitgeverij en worden derhalve zonder scrupules ingezet om de vieze klusjes op te knappen. In kringen van het boekbedrijf zelf worden die ongevraagde manuscripten niet voor niks doorgaans aangeduid met de term slushpile. Misschien valt dat woord in deze betekenis nog het beste te vertalen als baggerberg. Nou, dan weet je het wel. Of in elk geval weet je dan hoe er in de literaire uitgeverswereld tegen die stapel wordt aangekeken. Het overgrote deel is troep en gaat down the drain al dan niet voorzien van een zalvende afwijzing.

Maar zo’n twee jaar geleden – De Arbeiderspers was na een reeks homerische omzwervingen neergestreken op Singel 262, de plek waar het een kleine twintig jaar eerder was vertrokken en waar het decennialang had samengewerkt en -gewoond met de uitgeverijen Querido, Nijgh & Van Ditmar en Athenaeum – Polak & Van Gennep die daar nog steeds vertoefden zodat de terechte vraag rees of we daar dan niet net zo goed hadden kunnen blijven zitten – kwamen op een nazomerochtend niet één maar twee stagiaires (we hadden er toen hele regimenten van) bij me binnenlopen, hoog op de benen en rood in de konen. Want ze hadden breaking news; ze hadden iets ontdekt, misschien wel goud gedolven, in die muf dampende baggerberg. Het was een manuscript van een jongeman, het was echt heel goed, en dat vonden ze toevallig allebei! Ik hoorde dat aan met de gereserveerde geamuseerdheid van de-oude-man-die-alles-al-een-keer-of-tien-langs-heeft-zien-komen die hopelijk niet voor arrogantie werd versleten, en nam het manuscript in ontvangst.

Tot mijn stomme verbazing hadden ze gelijk. Dit stelde echt wat voor, dit verleidde mij tot doorlezen en stemde me tot nadenken. Een roman, geschreven door ene Helmer Stoel, filosofiestudent. Is een roman van een filosoof een filosofische roman? De vraag stellen is hem (nog niet) beantwoorden. Het ging om een boek over een terroristische aanslag in Amsterdam, verteld vanuit het standpunt van een Nederlandse rechtenstudent met een evident Noord-Afrikaanse achtergrond, ene Karim Hamid. Een boek dat me hier en daar deed denken aan De vreemdeling van Albert Camus. Geen slecht vergelijkingsmateriaal. Ik vond het – zonder nu de indruk te willen wekken dat alles er al aan klopte – met dermate grote overtuigingskracht van binnenuit geschreven (ik bedoel: het verdriet, de benardheid en het denken van een geaccultureerde jongeman met die achtergrond) dat ik me afvroeg of Stoel geen pseudoniem was van een jonge Marokkaanse Nederlander. Er zat er maar één ding op om dat uit te vogelen: uitnodigen die gast.

En zo zat ik op een goede vrijdagochtend in oktober in de spiegelzaal van Singel 262 aan tafel met twee overduidelijk opgetogen stagiaires en een rijzige jongeman uit Haarlem met iets van de uitstraling van een playboy die verdacht weinig weg had van een Marokkaan. Nu lopen de meningen uiteen over de wenselijkheid van Marokkanen in de eigen omgeving, maar ik kon aanvankelijk een licht gevoel van teleurstelling niet onderdrukken. Want ik wil graag meer, meer, meer Marokkanen in het fonds van De Arbeiderspers dan alleen maar Abdelkader en Saïda Benali (ik zou er meer kleur in willen tout court – zowel het personeel als het auteursbestand is me te overwegend wit), maar probeer dat maar eens te regelen.

De teleurstelling duurde maar even. Helmer Stoel bleek niet alleen de jonge auteur van een veelbelovend boek, hij liet ook binnen de kortste keren merken (zonder dat ook maar een moment nadrukkelijk te willen etaleren) dat hij met een intellectuele belangstelling in de wereld staat en, zo jong als hij is, beschikt over een verbazingwekkende eruditie. Ja, meneer bleek een philosooph te zijn, om (ik meen) een sarcastische Reve (uit De avonden?) te citeren. Eentje die zich verdiept had in het marxisme en de Frankfurter Schule en die met het grootste gemak kon praten over het werk van grootheden als Georg Lukács, Theodor W. Adorno en Herbert Marcuse – met name over die eerste, waarop hij, als ik het me goed herinner, aan het afstuderen was. Later bleek zijn kennis van de geschiedenis van de filosofie maar ook van de literatuur en van complete klassieke oeuvres trouwens, nog veel breder dan ik al durfde te vermoeden (hij kwam aandragen met Axel Honneth, sprak zijn bewondering uit voor het eigenaardige filosofische oeuvre van Simone Weil, las in een maand of wat het hele werk van Dostojevski), maar die eerste ontmoeting sterkte me direct in het voornemen met deze jongeman een verplichting aan te gaan.

Zo makkelijk was dat nog niet. Helmer Stoel had kennelijk met al zijn marxistische belezenheid ook nog een mercantiele kant. Hij had zelf voor agent gespeeld en zijn manuscript naar diverse uitgeverijen gestuurd. Met als gevolg dat ook diverse uitgeverijen – en niet de minste; De Bezige Bij en Atlas/Contact behoorden ertoe – belangstelling hadden om deze debutant in hun literaire programma op te nemen. Het vervult me nog altijd met trots en vreugde dat Helmer Stoel uiteindelijk voor ons koos, ja zelfs met een zekere overtuiging voor ons koos. Waar hebben we het aan verdiend?

Misschien aan het feit dat ik niet schrok van de vastberadenheid waarmee hij zijn literaire toekomst strikt gescheiden wilde houden van zijn wetenschappelijke (filosofische) toekomst. Misschien omdat ik er a priori waardering voor had dat hij op die beide terreinen met volle overgave het beste uit zichzelf wilde halen. Hij was, vertelde hij bij die eerste ontmoeting, nog net bezig zijn studie in Amsterdam af te ronden. Daarna zou hij een poos in Wuppertal (of was het Düsseldorf?) verder studeren om zich vervolgens bij zijn Italiaanse vriendin te vervoegen in Toulouse en daar zijn filosofische studies te vervolgen. Zulke ongebreidelde ambities staan mij wel aan. En die ambities worden waargemaakt, want na Toulouse is hij neergestreken te Padua om daar nog weer verder te studeren. In Padua zit hij nu dus, en dat boek, De verstekeling getiteld, dat is er.

Maar waar ik heen wilde: die scheiding tussen kunst en wetenschap leverde ook een nieuwe naam op. Zijn echte naam wil hij graag voorbehouden aan zijn wetenschappelijk werk. Dus Helmer Stoel is de filosoof, zonder ph en zonder poeha. En voor zijn literaire werk, waarvan hier vanavond de eerste vrucht aan de wereld getoond wordt, hanteert hij een pseudoniem. Mag ik u derhalve voorstellen: Henri Lambert (1988) studeerde filosofie in Amsterdam, Wuppertal, Toulouse en Padua. De verstekeling is zijn literaire debuut.

Over die titel en terloops (want daar heeft het van alles mee te maken) de betekenis van dit boek zou ik het vanavond ook nog kunnen en willen hebben. Maar dit is geen literatuurcollege. Ik volsta hier met te zeggen dat ik het aanvankelijk een ongrijpbare en wat mistige titel vond die mij vaagjes deed denken aan Der Verschollene van Franz Kafka, een zo moeilijk vertaalbaar woord dat die (onvoltooide) roman van Kafka in het Nederlands Amerika is gaan heten. En verder dat het woord wijst op iets in de roman dat niet zozeer met die grote, kaderende gebeurtenis van een terreuraanslag te maken heeft als wel met de eenzame binnenwereld van, behalve Karim, nog minstens één ander personage in De verstekeling.

Laatste zinnen van het boek: ‘We doen wat we kunnen, de kat en ik. We zijn de overlevenden.’ Als dat niet nieuwsgierig maakt, weet ik het ook niet meer.

Reken dáár maar op: van Henri Lambert zult u nog het een en ander gaan horen. En van Helmer Stoel trouwens ook. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat beiden van zich zullen laten horen via de podia van De Arbeiderspers. Die is er immers ook voor al uw non-fictie! Maar Stoel en Lambert zelf – die zullen zo nu en dan nog wel een robbertje met elkaar gaan vechten. We moeten er maar het beste van denken en ervan uitgaan dat ze elkaar heel zullen houden.

‘Soms kan het ook zonder haakjes’ Over de nominatie van Anne Eekhout voor de BNG Bank Literatuurprijs 2016

 

 

Eekhout_Op_een_nacht_3D.jpgLaat ik het maar eerlijk toegeven: we hielden er rekening mee, we zaten er een beetje op te wachten, we vonden eigenlijk dat het echt niet anders kon. En toch raak je in een feeststemming als Anne Eekhout dan ook echt, geheel volgens onze verwachtingen, genomineerd wordt voor de BNG Bank Literatuurprijs 2016, ‘een prijs voor jonge schrijvers met een jong oeuvre’. Schrijvers die genomineerd kunnen worden zijn Nederlandstalig, van 1976 of daarna. Ze hebben twee of meer literaire prozawerken op hun naam staan, zijn nog niet echt doorgebroken (wat dat ook moge betekenen), hebben geen grote literaire prijs gewonnen en publiceerden in het afgelopen jaar een boek. Dat het een sluis is die toegang biedt tot breder vaarwater wordt wel duidelijk als je kijkt naar wie (onder anderen) de prijs in het verleden hebben gewonnen: Esther Gerritsen, Gustaaf Peek, Christiaan Weijts en vorig jaar Jamal Ouariachi.

Anne Eekhout dus, die drie jaar geleden bij De Arbeiderspers debuteerde met de roman Dogma en van wie dit jaar de opvolger daarvan, Op een nacht, uitkwam. Ze is genomineerd met Thomas van Aalten, Hanna Bervoets, Merijn de Boer en Eva Meijer.

Een paar weken nadat Op een nacht was verschenen, publiceerde Anne in de nrc.next van 21 maart 2016 een stuk onder de titel ‘Moet je knetter zijn als auteur?’ Dat was een pleidooi voor het schrijven van echte fictie, maar het problematiseerde dat genre meteen ook. Want zuivere fictie heeft, aldus Anne Eekhout, geen haakje. Arjen Fortuin sprong daar in een column in NRC Handelsblad tien dagen later gretig op in. Het haakje is, schrijft Fortuin, ‘datgene waarmee een boek uit de grijze massa gewone romans te halen is. Iets autobiografisch bijvoorbeeld. Iets zieligs of iets actueels. Iets dat de redacties van kranten, radio en tv-programma’s interesseert. “Dit is geweldige literatuur” is geen haakje. Dat klinkt te veel als: “Ik heb nog een oude kruik levertraan in de kelder gevonden.”’

Is dat zo? Misschien moet ik er de toespraak die ik hield bij de presentatie van Op een nacht nog eens bij halen. Die staat hieronder tussen de asterisken.

*

Wie de ontwikkelingen in het boekenbedrijf van de laatste jaren heeft gevolgd, moet zich wel sterk bewust zijn van het feit dat het vandaag de dag voor een romanschrijver hondsmoeilijk is geworden om te debuteren in de Nederlandstalige literatuur.

Iedereen weet dat er veel minder boeken worden verkocht dan vroeger, dat er minder boekhandels zijn en dat de boekhandels die er over zijn – de majestueuze uitzonderingen van een boekhandel als Athenaeum waar we ons nu bevinden daargelaten – ook voorzichtiger inkopen en over minder middelen beschikken om alles rijp en groen op de tafels neer te leggen. Daar komt dan nog eens bij dat fictie (en daar behoren romans nu eenmaal toe) de laatste jaren minder verkoopt, niet alleen in absolute zin, maar ook in verhouding tot non-fictie.

Je moet kortom stevig in je schoenen staan om nog carrière te willen maken in een genre waarin – dit is een persoonlijke indruk die ik nog niet met cijfers kan staven – de afgelopen jaren minder gedebuteerd is omdat naar mijn stellige indruk ook uitgevers voorzichtiger zijn geworden.

En als je dan al debuteert dan graag met iets dat brandende kwesties aansnijdt, op de bladderende huid van de barre tijd geschreven is of schaamteloos autobiografisch is.

Durf dan als jonge debutant nog maar eens te komen aanzetten met een roman die met volle overtuiging volledig ontsproten is aan niets dan de verbeeldingskracht. Maar Anne Eekhout durfde zich met Dogma in die niche te storten. Pure fictie over een gegeven – een groep studenten die op zeker moment besluit een documentaire te maken over de zelfmoord van een van hen – waarop kwalificaties als ‘gezellig’, ‘onderhoudend’ of ‘herkenbaar’ nu niet direct toepasbaar zijn.

Anne Eekhout was er ook niet op uit het ons gemakkelijk te maken of om ons gerust te stellen, maar haar oncomfortabele vertelling kreeg wel zijn beslag in een beklijvend boek waarvan de kwaliteiten door de literaire kritiek (kortom door mensen die we wanneer ons dat goed uitkomt doorgaans als kenners zien) onmiddellijk werden herkend. Dogma werd onthaald op viersterrenrecensies (en over dat sterrensysteem zullen we het nu, om het gezellig te houden, ook maar niet hebben). En Dogma werd herdrukt én genomineerd voor de Bronzen Uil voor het beste debuut én op de longlist van de AKO Literatuurprijs gezet.

Kortom: succesvol gedebuteerd in een voor dit type boek niet bepaald gunstig literair klimaat. Voor zoiets word je dan in feite ook meteen weer gestraft want een geslaagde start schept hoge verwachtingen. ‘Succes met een eerste boek is geweldig,’ sprak laatst een thrillerschrijfster, ‘maar als je eenmaal uitgejuicht bent, ontdek je het addertje onder het gras. De lat is een stukje hoger gelegd en het is aan jou om er elegant overheen te springen. Kleine foutjes die je bij je eerste boek nog werden vergeven, zijn nu uit den boze, want je moet er wel van geleerd hebben. Dat moet je bewijzen in je tweede boek.’

Maar volgens mijn stellige overtuiging is Anne Eekhout in het geheel niet gebukt gegaan onder het juk of de vloek van dat tweede boek. Waar ze jaren aan Dogma werkte en in soms grote vertwijfeling talloze nieuwe versies maakte, daar schreef ze haar nieuwe boek Op een nacht – nee, niet in een nacht en ook niet in een vloek en een zucht – maar wel in hooguit anderhalf jaar en ook nog eens met een plezier dat je maar zelden tegenkomt als redacteur.

Dat plezier zit bij haar in de monterheid en vastberadenheid waarmee ze het schreef. Het zit niet per se in het boek zelf. Het plezier spat niet van de pagina’s af. Want laten we wel wezen: wie beide boeken gelezen heeft zonder de auteur ervan te kennen zal op z’n minst denken dat die Eekhout niet bepaald het zonnetje in huis is.

En dat is meteen ook het grote misverstand. Het misverstand om te denken dat het boek (en wat erin tot uitdrukking wordt gebracht) op de een of andere samenvalt met de schrijver (en de psyche van de schrijver). Vaak is dat natuurlijk wel zo, maar het is niet noodzakelijkerwijs zo bij de schrijvers van pure fictie, en daarvan is Anne Eekhout er een. Zij is er daarvan zelfs zozeer een en met zoveel overtuiging dat ze er een stuk over heeft geschreven onder de titel ‘De rijkdom van de pure-fictieschrijver’ [dat stuk dus dat later onder een andere titel in nrc.next stond]. Het is een geestdriftig pleidooi voor dat toch lichtelijk bedreigde genre van de zuivere fictie waarvan de auteurs slechts aan hun eigen fantasie vastzitten: ‘En die is grenzeloos’.

‘Pure fictie kan sentimenten onsentimenteel onder de aandacht brengen, politiek zijn zonder te dwingen, het universele individueel maken en het individuele universeel, juist door niet rechtstreeks afkomstig te zijn uit het leven van de schrijver.’

Het plezier spat van de schrijver, van Anne Eekhout, af en niet zozeer van de bladzijden die zij geschreven heeft. Wat daarvan in Op een nacht af spat is het steeds vastere vormen aannemende vermoeden dat hier iemand aan het werk is die met de kracht van die pure verbeelding alle mogelijke emoties, gedachten en handelingen weet op te roepen. In Op een nacht ervaren we op een nooit eerder beleefde manier wat beklemming, gruwel, ongerustheid en waanzin voor vormen aan kunnen nemen, maar hetzelfde geldt ook voor liefde, geborgenheid en onversneden geluk. Op een nacht is een boek zoals je er voor het eerst een zult lezen.

Maar ook voor het laatst.

En over de vraag of we ons met dit boek uiteindelijk in de hemel of de hel of iets daartussenin bevinden, zal oneindige discussie blijven bestaan.

*

 

Conclusie: Arjen Fortuin heeft gelijk. ‘Dit is geweldige literatuur’ – dat is geen haakje. En toch is dit (het werk van Anne Eekhout) geweldige literatuur. Soms krijg je dan een beetje hulp. Van zo’n nominatie bijvoorbeeld. Soms kan het ook zonder haakjes.

 

 

op-een-nacht-beste

‘Wij zijn niet bestand tegen de tijd’ Paul de Wispelaere (1928-2016)

 

Zaterdag 2 december 2016 overleed Paul de Wispelaere. Zijn misschien wel beroemdste boek, Het verkoolde alfabet, verscheen in de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers. Dat boek had gevolgd moeten worden door meer boeken bij dezelfde uitgeverij, maar de loop der dingen bepaalde anders.]

wispelaere_verkooldeDe liefde, de menselijke eenzaamheid en de vergankelijkheid – drie van de belangrijkste thema’s uit zijn werk vinden we al terug in de roman Een eiland worden waarmee Paul de Wispelaere op zijn vijfendertigste debuteerde in de Nederlandstalige letteren. ‘Wij zitten elk op een eiland […] wij zij niet bestand tegen de tijd,’ stelt hoofdpersoon Filip daar vast.

Alleen al die titels van veel van zijn boeken. Een eiland worden, Brieven uit Nergenshuizen (briefwisseling tussen een schrijver op leeftijd en een jonge lezeres), En de liefste dingen nog verder (wat uiteindelijk zijn laatste roman bleek te zijn, handelend over een oudere schrijver die te horen krijgt dat hij aan een terminale ziekte lijdt): de weemoed spat ervan af.

Paul de Wispelaere is langzaam uit zichzelf weggegleden. Hij leed aan de ziekte van Parkinson en de gevolgen daarvan: een falend geheugen. Mede daardoor had hij al vele jaren geen contact meer met zijn uitgevers en met (anderen uit) de literaire wereld. Niettemin ging het bericht van zijn dood in Vlaanderen niet onopgemerkt voorbij. Alle belangrijke kranten wijdden stukken aan hem als ‘een van de onbetwiste coryfeeën en vernieuwers van de Vlaamse literatuur’. En toch, om dicht bij de melancholie van De Wispelaere te blijven, moeten we ook vaststellen dat roem vergankelijk is en je in deze geheugenloze tijden al snel in de vergetelheid raakt als je niet constant in het nieuws bent.

In Nederland waren de berichten over de dood van Paul de Wispelaere namelijk een stuk kariger en schaarser. De maandag na zijn overlijden was de Volkskrant er overigens wel meteen bij, met een stuk van hun Vlaamse medewerker Paul Depondt. En met een begeleidende foto op postzegelformaat. Je moest dus goed kijken om te zien dat, anders dan het onderschrift ons wilde doen geloven, Paul de Wispelaere daar helemaal niet op stond. Het was een foto van Herman de Coninck, tot mijn verdriet ook weer een eeuwigheid dood.

Paul de Wispelaere is een geval apart in mijn hoedanigheid als redacteur en uitgever bij De Arbeiderspers. Hij is bij mijn weten de enige auteur met wie ik jarenlang (zo tussen 1995 en 2002) contact heb onderhouden – hij was immers fondsauteur – zonder dat ik ooit een boek van hem heb kunnen uitgeven. Goed begrepen: tot mijn grote spijt.

De eerste keer dat ik hem ontmoette (als dat het juiste woord is) was trouwens jaren voor mijn tijd bij De Arbeiderspers. Die ontmoeting vond volkomen toevallig en ongepland plaats. Het moet in de zomer van 1993 zijn geweest. Het verkoolde alfabet, misschien wel zijn grootste succes als schrijver waarin hij een jaar lang een dagboek bijhoudt, was in 1992 bij De Arbeiderspers uitgekomen in de reeks Privé-domein. Dat boek maakte, aanvankelijk vooral onder beroepslezers, furore. Achterop de derde druk (die ik zelf bezit) staan citaten van uiteenlopende bewonderaars als Julien Weverbergh, Jeroen Brouwers en Cyrille Offermans. Die laatste schreef: ‘Het verkoolde alfabet [is] een hoogtepunt in De Wispelaeres oeuvre; binnen de Nederlandse literatuur neemt dat oeuvre trouwens een unieke plaats in.’ Het was hetzelfde jaar waarin Mulisch, de Goethe van het Leidseplein, zijn magnum opus, De ontdekking van de hemel, publiceerde. In die jaren stelde ik voor Nijgh & Van Ditmar een aantal keer Mekka. Jaarboek voor lezers samen. Een van de vaste onderdelen van dat jaarboek was Mekka’s Top Honderd, een uit de toptienen van een zeventigtal critici uit Nederland en Vlaanderen opgemaakte lijst van de beste honderd literaire boeken van dat jaar. Mulisch won dat jaar met zijn grote roman de Mekka-beker, maar Het verkoolde alfabet eindigde op nummer twee, ver voor Het grote verlangen van Marcel Möring, die met dat boek later de AKO Literatuurprijs zou winnen, maar ook voor schrijvers als Koeppen, Tranströmer, Kadare, Singer en Pynchon van wie dat jaar ook allemaal belangrijke boeken in een Nederlandse vertaling verschenen.

Die zomer maakte ik – om op de eerste ontmoeting terug te komen – met mijn geliefde, niet voor het eerst en ook niet voor het laatst, een rondreis door Europa per auto. Op een dag reden wij van Bern naar Frankrijk met de bedoeling om naar Chartres, Illiers-Combray (Proust!) en Parijs te rijden, maar we maakten die avond een tussenstop, diep in de Bourgogne, in het rustieke, hoog op een heuvel gelegen middeleeuwse stadje Brançion, ‘overschaduwd door de silhouet van het oude kasteel’, om een toeristenfolder te citeren. We parkeerden onze auto aan de rand van de vesting en zagen dat er tezelfdertijd nog een andere auto een parkeerplek aan het bemachtigen was. Eentje met een Belgisch kenteken. En verdraaid, wie stapten er uit die wagen? Paul de Wispelaere en zijn geliefde (ik kende haar toen nog niet bij naam), Ilse Logie. Ik was nogal onder de indruk van die ontmoeting. Daar stonden we ineens oog in oog met de schrijver die weliswaar Mulisch voor zich had moeten dulden als auteur van het boek van het jaar, maar dit was toch een levende legende uit de Vlaamse letteren, auteur van een geweldig autobiografisch boek. Wij hebben ons toen ten overstaan van Paul en Ilse niet bekend gemaakt. Dat leek ons wat ongepast. Dus in die zin was er slechts sprake van een eenzijdige ontmoeting.

Maar een paar jaar later, toen ik voor De Arbeiderspers begon te werken, en erop werd uitgestuurd om bij hem in Moerhuize (Maldegem) op bezoek te gaan, heb ik hem natuurlijk verteld over die eenzijdige ontmoeting op die pittoreske plek.

Ja, ik werd er inderdaad op uitgestuurd, als gezant van De Arbeiderspers om de belangen van de uitgeverij veilig te stellen. Het was in de jaren van de vete tussen de AP en Atlas, de door Emiel Brugman na zijn vertrek bij AP opgerichte uitgeverij waarnaar een twintigtal auteurs van De Arbeiderspers was ‘overgelopen’ uit solidariteit met Brugman, geschoffeerd als die heette te zijn nadat niet hij maar Ronald Dietz de nieuwe uitgever van De Arbeiderspers was geworden als opvolger van Theo Sontrop. Maar er was een pak twijfelaars, auteurs die zich zakelijk en misschien ook anderszins gebonden voelden aan De Arbeiderspers, maar loyaliteit voelden in de richting van de vertrokken Brugman.

Paul de Wispelaere behoorde tot dat gezelschap, en Paul was een zachtaardige, sympathieke man, en zulke mensen zijn zelden van het heldhaftige, doortastende soort. Kristien Hemmerechts schreef het mooi op in haar in memoriam-stukje in De Morgen: ‘Hij was een lieve man, een van de eerste schrijvers die ik leerde kennen toen ik zelf begon te schrijven. Hij heeft vaak aardige dingen over mijn werk gezegd, en dat zal wel helpen bij de wederzijdse waardering, maar Paul heeft over het werk van veel schrijvers aardige dingen gezegd. Ik denk dat hij het niet in zich had om gemeen te zijn. Hij zal er wel af en toe het zijne van hebben gedacht, maar hij had niet de behoefte om dat met de wereld te delen.’

Enfin, Paul de Wispelaere moest gered worden uit de grijpgrage handen van het Atlasgeboefte en zo werd ik naar Moerhuize gezonden om Paul op de juiste koers te houden en te wijzen op zijn verplichtingen jegens De Arbeiderspers. Aldus heb ik diverse dienstreizen gemaakt naar Vlaanderen en Paul bezocht in zijn prachtige huis met die immens grote tuin eromheen. En zoals dat gaat: het ging tijdens die bezoeken over van alles en nog wat maar vrijwel niet over de zaken zelve. Daar kwam ik meestal voorzichtigjes op terug in de brieven die we elkaar schreven. Ook die gingen vaak over andere dingen, en de subtiele aansporingen mijnerzijds om nu eens serieus aan de slag te gaan met het schrijven van nieuw literair werk werden door hem met een nog grotere omzichtigheid beantwoord. Uiteindelijk moest de kogel toch door de kerk: Paul voelde zich moreel verplicht aan Emiel en die roman die eraan zat te komen (En de liefste dingen nog verder) verscheen uiteindelijk daar, evenals nog twee andere boeken (Cuba en andere reisverhalen en de essaybundel Onder voorbehoud), tot mijn ingehouden chagrijn. Missie volbracht, maar niet met het gewenste effect.

Tussen die bedrijvigheden door was ik er ook nog bij toen in 1998 zijn complete oeuvre bekroond werd met de Driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste literaire onderscheiding in de Lage Landen, uitgereikt door (toen nog) Hare Majesteit Koning Beatrix. Die enige keer dat ik bij koningin op bezoek ben gemogen, dat had ik dan toch aan hem te danken. Dat met die prijs bekroonde complete oeuvre – het moet niet vergeten worden – bevat ook nog een heleboel essayistiek en ‘wetenschappelijk’ werk. En eigenlijk bestond zijn fictie ook uit allerlei essayistische en autobiografische mengvormen. De Wispelaere was heeft zijn schrijverschap tientallen jaren lang gecombineerd met onderwijs en wetenschap. Tot begin jaren negentig werkte hij als hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit in Antwerpen.

Een boek van Paul zelf is er in mijn tijd bij De Arbeiderspers dus niet meer gekomen. Maar toch hebben we bij de AP nog een gezamenlijk literair project tot een goed einde gebracht. Paul heeft (samen met Jeroen de Preter) de monumentale tweedelige uitgave bezorgd van het proza van een van de belangrijkste Vlaamse schrijvers: Het proza van Herman de Coninck… Laten we dat niet vergeten.

Aan de nagedachtenis van die laatste is En de liefste dingen nog verder opgedragen, als gezegd: zijn laatste roman over een schrijver die weet dat hij gaat sterven. En boek vol mooie, melancholieke zinnen, zoals deze: ‘Ook oktober is teruggekeerd, de opeenvolging van de maanden en seizoenen houdt het jaar in bedwang, maakt de toekomst voorspelbaar en neemt de dreiging ervan weg. […] Het is niet te geloven dat het allemaal regelmatig terug zal keren en voortbestaan zonder dat ik het hoor en zie. Ook de straat die door de velden naar café De Wielewaal kronkelt. En het dorp. En de stad. En Marlies. En, veel verder weg, Spanje en Mexico. En de wereld. Alle liefste dingen. Overal waar ik ooit geweest ben en alles wat in mijn geheugen is bewaard. Zonder toekomst wordt echter ook het verleden een ondraaglijke last.’

Iets tussen twee tonen in / Over ‘Het valse seizoen’ van Christiaan Weijts

Maandag 28 november werd in Boekhandel Paagman, Frederik Hendriklaan Den Haag, de nieuwe roman van Christiaan Weijts, Het valse seizoen gepresenteerd. Maarten Dessing interviewde de auteur en een internationaal kwartet jonge musici van het Koninklijk Conservatorium (een Litouwse, een Nederlandse, een Russische en een Griekse) speelde Beethoven en Haydn. Zelf maakte ik van de gelegenheid gebruik in te gaan op de al voor de verschijning van het boek gepubliceerde kritieken in een aantal kranten.

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Niet dat ik anders verwacht had, maar het deed mij plezier om te zien dat Het valse seizoen van Christiaan Weijts dit weekend al in diverse gezaghebbende kranten uitgebreid besproken werd nog voor het officieel verschenen was. Want voor alle duidelijkheid: die plechtigheid voltrekt zich hier en nu. Zulke mediagretigheid is een indicatie dat Weijts gezien wordt als een belangrijk schrijver – eentje wiens nieuwe werk men niet wekenlang ongelezen laat liggen.

De keerzijde is dat ik mij, gezien de kritische kanttekeningen die twee recensenten maakten in overigens allerminst negatieve, ja zelfs behartigenswaardige stukken, gedwongen voel te citeren uit een mailwisseling met Christiaan Weijts van een paar weken geleden naar aanleiding van een artikel van hem over onbegrepen ironie in de zaterdagbijlage Opinie & Debat in NRC Handelsblad.

‘Over ironie gesproken,’ schreef ik hem, ‘bij mij thuis wordt beneden televisiegekeken. Iedere avond toch wel. Ik zit meestal boven op zolder (mijn werkkamer) en daal af en toe de twee trappen af voor koffie, water of wijn om dan staande, vijf minuten lang, commentaar te leveren op wat de treurbuis weer allemaal voor twijfelachtigs te bieden heeft. Ik doe dat meestal op de geacteerde toon van een oude zeurkous (denk Maarten van Rossem), maar dat dan toch vooral om het nog iets vetter aan te zetten. (Want anders worden ze echt boos op me, de kinders en soms ook vrouwlief.) Afgelopen donderdag stond ik daar even in mijn mok te roeren terwijl Expeditie Robinson werd uitgezonden (aflevering 33b, vermoed ik). Ik kijk dat een paar minuten zwijgend aan en richt vervolgens mijn blik op zoon Derek (veertien jaar) met de vraag: “En – wie denk jij nu dat de mol is?” (Ik heb uit jouw stuk, Christiaan, geleerd dat we in zo’n geval te maken hebben met het ironische stijlmiddel van de geveinsde onwetendheid, en dat is ook de Griekse etymologie van het woord.) Heel even kijkt Derek me verbouwereerd aan, maar meteen daarop volgt het weerwoord: “Kijk, kijk, mama!” roept hij terwijl hij een priemende vinger naar me uitsteekt. “Hij staat weer achter zijn vuistje om zijn eigen grapjes te gniffelen!” Ze hebben me door, Christiaan. Kortom: het wordt tijd voor een next level.’

Al is dat doorhebben in dit geval nu juist belangrijk, want ironie werkt eigenlijk alleen maar als er een pact bestaat tussen zender en ontvanger.

Goed, laten we de zaken eens even op een rijtje zetten. Zes eerdere boeken schreef Christiaan Weijts. In chronologische volgorde: Art. 285b (een roman), Via Cappello 23 (een roman), De etaleur (een dansnovelle), Euforie (een omvangrijke roman), Achternamiddagen (een verzameling opstellen en essays) en De linkshandigen (een korte roman). Het is niet zo moeilijk om die boeken van muzikale genreaanduidingen te voorzien: een sonate, een symfonische voorstudie, een verzameling etudes en scherzo’s, een rapsodie in de vorm van een road novel.

Maar de zevende van Christiaan Weijts is onomstotelijk een heuse symfonie. Vanwege de lengte, de complexiteit én de ambitie. Dit is een roman waarin nogal wat wordt omgewoeld en polyfoon met elkaar in verband gebracht. Vrijdagavond zat Weijts in het Radio 1-programma Kunststof voor een (meer dan onderhoudend, zo nu dan elektriserend) gesprek van een uur met Petra Possel. De redactie heeft de gewoonte (zo weet ik, omdat er eerder auteurs van ons in dat programma gezeten hebben) om in het geval van een schrijver een voorgesprek te hebben met de betreffende redacteur. En zo’n beetje de eerste vraag die mij werd voorgelegd, was of ik het werk van Christiaan Weijts wilde kenschetsen. Nou, antwoordde ik, in een boek van hem is een al dan niet problematische liefdesrelatie meestal de stuwende kracht. Je kunt ook zeggen: de liefde vormt het verhalende aspect. Maar bij Weijts is dat nooit het enige. Dat liefdesverhaal wordt altijd gelardeerd met beschouwing, met verwijzing naar andere schrijvers en filosofen, met reflectie op wereld en kunst (heel vaak muziek). En in Het valse seizoen wordt er nog veel meer uit de kast getrokken en is er zelfs nog een tweede plotlijn rondom wat zich afspeelde tijdens een zomerklas met jonge musici, zo’n kleine twintig jaar eerder.

Rob Schouten formuleerde het in zijn zeer lovende recensie in Trouw afgelopen zaterdag puntiger en geestiger: ‘Zijn romans gaan over muziek en meisjes, steeds opnieuw, mooie muziek en mooie meisjes die hij met zijn elegante pen de hemel en soms de hel in schrijft.’

Ook in Het valse seizoen weer – en dat kwam hem in de Volkskrant, waar Persis Bekkering het boek besprak, op een soort van indirecte reprimande te staan. Ook zij signaleert dat elke roman van Christiaan Weijts ‘oneerbiedig gesproken […] ongeveer dezelfde ingrediënten’ bevat. Ze eindigt haar opsomming met deze zin: ‘Dan hebben we nog een ernstig geval van een madonna-hoercomplex, een verdwenen viool, een onbekende dochter en meer familiegeheimen’. En dat alles leidt dan weer tot de volgende conclusie: ‘Je ziet de apollinische schrijver zwoegen aan zijn bureau, fantaserend over passie en verborgen extase, duisternis en razernij. Alleen zijn pen heeft het doorleefd.’

Dat laatste moet wel onbedoeld dubbelzinnig zijn, want het is duidelijk dat de Volkskrant de auteur in kwestie verwijt dat hij kenmerken van een kamergeleerde vertoont, maar wie Christiaan Weijts kent weet dondersgoed dat hij dat in zeer veel opzichten niet is en dat hij ook bepaald geen zwoegende schrijver is. Opvallend genoeg komt Toef Jaeger in haar kritiek in de NRC Handelsblad dicht in de buurt van de Volkskrant-teneur. In beide stukken is sprake van bewondering voor de bezieldheid en het intellect waarmee Christiaan Weijts schrijft, maar Jaeger sluit af met deze woorden: ‘Het valse seizoen is vakwerk, maar omwille van de kunst zou Weijts het verstand af en toe iets meer op nul mogen zetten.’ De alinea waarmee Rob Schouten afsluit luidt als volgt: ‘Het valse seizoen is daarmee een rijke, klassieke roman, die aan grootmeesters als Thomas Mann en Simon Vestdijk doet denken, ver van alle populistische behaagzucht. Geen music for the millions, maar misschien wel voor een uitgelezen schare.’

Als je het allemaal een beetje bij elkaar probeert op te tellen dan zie je een auteur op een voetstuk neergezet worden waarna met een zekere verbazing wordt geconstateerd dat er sprake is van distantie. Die meneer op dat voetstuk is een estheet, een ouderwetse representant van de hoge cultuur en een man met een atavistisch vrouwbeeld. Maar wie distantieert zich van wie?

Degenen die Christiaan Weijts een beetje volgen op de journalistieke podia waar hij zich met regelmaat laat zien, weten dat zijn ivoren toren hooguit een romantische illusie is. Inmiddels al jaren betoont hij zich in De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad een columnist die een adelaarsoog heeft voor alles wat er (in de wereld en zeker ook in zijn directe omgeving tot aan de huiselijke kring toe) om hem heen gebeurt, en ook voor allerlei verschijnselen en gebeurtenissen die niet meteen als highbrow ingekaderd kunnen worden, of zelfs juist niet. De laatste tijd trekt hij voor zijn NRC-column zelfs de wijken in. Paradoxaal genoeg huldigt Ilja Leonard Pfeijffer (vriend en in heel wat opzichten geestverwant van Weijts) als uitgesproken linkse columnist veel meer uitgesproken elitaire (anti-volkse) opvattingen dan Christiaan Weijts. Die laatste houdt zich als het om zijn politieke of maatschappelijke standpunten gaat meer op de vlakte. Weijts is een flaneur, een geamuseerde toeschouwer, een ironisch schrijver – en vooral om dat laatste gaat het mij hier.

In genoemd opiniestuk (‘De smiley is het betonrot in onze ironie’) van twee weken geleden in de NRC schreef hij: ‘Hoe vet moet een knipoog zijn om nog te worden opgemerkt? In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie.’ Hij signaleert hoe problematisch – zéker op sociale media – ironisch taalgebruik is geworden: ‘We lijken ironie alleen nog maar te accepteren als die duidelijk gemarkeerd is. De Speld, Arjen Lubach en Lucky TV zijn mateloos populair, maar probeer maar eens satire te bedrijven buiten die zwaar door markering beveiligde ironische enclaves. Probeer maar eens een ironisch zinnetje te sms’en zonder 😉 erachter te typen. Dat kost je vrienden. En misschien zelfs je relatie.’

En je kunt ook zeggen: probeer maar eens een roman te schrijven zonder elke ironische passage van expliciete tekens sprake is van ironie of dubbelzinnigheid of van iets tussen schijn en wezen, iets tussen twee tonen in. Wat ik in de recensies miste is het besef dat ook in Het valse seizoen – neem alleen al de titel – de ironie, zij het op een fijnzinnige, weinig uitgesproken manier, alomtegenwoordig is. In de tirades vol hyperbolisch cynisme van het personage Pablo Sleedoorn, in de schildering van de manier waarop de leden van het Corretto Kwartet met elkaar omgaan, in de krankzinnige verwikkelingen op de namaak-Titanic waar de drie stemmen uit dit boek elkaar letterlijk treffen, en ook (zou ik denken) in de bijna dwaze, puberale manier waarop dertiger Camiel verliefd is op Nadège, de twee andere (tot ons) sprekende personages uit het boek.

Het valse seizoen is een boek over een strijkkwartet bestaande uit drie stemmen. En ik meen te weten dat het de intentie van de auteur is dat de lezer de vierde stem is. En wel op de manier van de componist Giuseppe Tartini, ontdekker van de combinatietoon, zoals wordt uitgelegd in een brief van Nadège: ‘Tartini’s toverkunst. Il terzo suono: twee snaren trillen en het oor maakt zelf een nieuwe klank halverwege. Jij schrijft mij in een taal die ik lang niet heb gehoord. Ik schrijf jou in een taal die ik lang niet heb gesproken en alleen stiekem las. En het oor maakt zelf een verhaal halverwege.’

Dat verhaal halverwege – dáár gaat het om. Daar ligt het werk (en de verbeelding) voor de lezer. Maar je zou misschien ook nog kunnen zeggen: daar zindert de ironische invulling.

In het NRC-stuk schrijft Christiaan: ‘In een ironische tekst zijn de uiteindelijke betekenis en het morele oordeel opgeschort, uitgesteld, en zo ontstaat er, tussen het teken en de betekenis, een ruimte waar andere wetten gelden, als op een podium. […] Echt zeker weet ik alleen dit: als we de subtiliteit van de ironische toonzetting missen, beroven we ons taalinstrument van zijn gulle meerstemmigheid. Het is alsof we een concertvleugel nog maar met één vingertje bespelen.’

Kortom: ook dat zogenaamde vrouwbeeld, die Schöngeist en dat onversneden intellectualisme van Christiaan zijn zaken die we gerust met een korreltje zout mogen nemen en die ergens halverwege de veronderstelde positie het zuiverst op zijn waarde worden geschat. En zelfs dan blijft het net ongrijpbaar, en voor mij maakt dat literatuur nou juist tot literatuur.

Misschien is er maar één ding in Het valse seizoen dat niet ironisch kan worden opgevat. En dat is de liefde voor de muziek die eruit spreekt. ‘Waarom, Nadège, ráákt de muziek?’ vraagt het personage Camiel zich ergens af. ‘Misschien wel hierom, in een wereld waarin alles onophoudelijk iets representeert, is muziek het enige wat niet verwijst, geen teken is, geen representatie.’

In de zuivere muziek (bijvoorbeeld in de intieme brieven van Leoš Janáček, een belangrijke inspiratiebron in deze brievenroman) houdt alle ironie op te bestaan. Het valse seizoen is veel meer dan een muziekroman, maar de muziek speelt er een rol in hors catégorie, zoals alleen muziek dat kan.

De eerstvolgende keer dat ik beneden in onze woonkamer huisvredebreuk pleeg door halverwege een aflevering van Expeditie Robinson of Holland’s Next Top Model binnen te vallen, zal ik niets zeggen maar de cd-speler aanzetten en keihard Brahms’ Ein Deutsches Requiem of zoiets aanzetten. Of is dat dan toch ironie? Is dat het ironische van de ironie?

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑