Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Poëzie als overlevingsstrategie. Over ‘De boom valt op mij’ van Ilse Starkenburg

Op een enkele uitzondering na is De boom valt op mij, de vijfde bundel van Ilse Starkenburg, heel goed ontvangen. Het was haar eerste bundel in tien jaar. Het valt natuurlijk onmogelijk te bewijzen maar het zou best eens kunnen dat er een verband bestaat tussen dat lange stilzwijgen en die uiterst welwillende ontvangst. Daar zit een zelfkant aan (reculer pour mieux sauter) maar ook een andere kant. Laat de lezers (en mutatis mutandis de literaire kritiek) maar eens honger krijgen. Des te meer komt men een volgende keer aan zijn trekken.

Om er hier een paar (van die recensies) kort te noemen: Dieuwertje Mertens in Het Parool waardeert de gedichten van Starkenburg weliswaar positief, maar De boom valt op mij ziet ze al met al als een verzameling ‘fijne, gedegen, dromerige gedichten, die soms een verwijzing naar de filosofie of de literatuur bevatten en regelmatig eindigen met een twist of een grapje. […] De gedichten zijn aangenaam en vertrouwd als een eerste lentedag.’ Vreemd hoe iemand deze poëzie kan lezen als vooral aangenaam en ongevaarlijk.

Tot een heel andere conclusie – en mijns inziens eentje waarmee de vinger beter op de zere plek wordt gelegd – komt Janita Monna in Trouw, in een recensie waaruit overigens eveneens vooral waardering spreekt: ‘Achter dit soort lichte twinkelingen’ – Monna wijdt uit over een gedicht waarin vrolijkheid en humor weerklinken – ‘schuilt veel eenzaamheid. Dat gevoel probeert de dichter op de staart te trappen. Het ene moment laat ze zich er volledig door meeslepen. […] Om elders tot het nuchtere besef te komen dat échte eenzaamheid voor een ander onzichtbaar blijft.’

In soortgelijke bewoordingen laat ook Maria Barnas in de Volkskrant zich erover uit: ‘Starkenburg veroorzaakt met ultieme beheersing een verpletterend besef van eenzaamheid, schijnbaar achteloos en met de lichtste aanraking van het woord.’

Het scherpst in dat opzicht – dat van de (h)erkenning van angst en eenzaamheid als grondthema in het werk van Ilse Starkenburg – verwoordt Mario Molegraaf het in het tijdschrift Lychnari. Verkenningen in het Griekenland van nu, in een artikel waarin hij meteen maar het hele oeuvre van Starkenburg (vijf dichtbundels en een verhalenbundel) erbij betrekt: ‘Gedichten als noodsignalen, als afgeschoten vuurpijlen. Hier ben ik, een teken van mijn eiland. Of maak ik te veel psychologie van de poëzie van Ilse Starkenburg?’

Ik denk dat je – mits met verstand en niet al te veel koude grond bedreven – niet genoeg psychologie kunt maken van de poëzie van Ilse Starkenburg. In ieder geval heb ik me er ook zelf ‘schuldig’ aan gemaakt toen ik in april jongstleden de onderstaande woorden sprak tijdens de presentatie van de bundel op de met grote voorsprong kleinste podiumplek van Nederland, het Torpedo Theater in de Sint Pieterspoortsteeg in Amsterdam, een theater met een heuse bühne en een voorhang, een bar en zelfs een balustrade (al gaat het in praktische zin om een trompe l’oeil) dat nauwelijks de ruimte van een iets meer dan gemiddelde woonkamer overstijgt. (Er waren daar in het Torpedo Theater trouwens ook optredens van de dichters Peter Swanborn en Anne Büdgen alsook uiteraard van Ilse Starkenburg zelf, het zij gezegd.)

Ilse_Starkenburg_2 001

Hier wordt vandaag op glorieuze wijze een stilte verbroken. Misschien moest daar eerst met enig geweld een boom voor worden geveld, een barricade voor worden doorbroken, misschien moest er tijd verstrijken. Dat laatste is in elk geval wel gebeurd sinds de verschijning van Gekraakt klooster, de vorige bundel van Ilse Starkenburg.

Tien jaar is dat geleden! Tien jaar om van Gekraakt klooster naar De boom valt op mij te gaan. Maar wie Ilse Starkenburg wat beter kennen weten dat het allerminst zo is dat er in die tien jaar niet gewerkt is, niet geschreven, niet geleefd. Er is een hoop gebeurd, al voert het wat ver om te beweren dat dit ook allemaal verwerkt is in deze nieuwe bundel. Ilse Starkenburg is niet een autobiografisch dichter, al zouden we het desondanks eens kunnen zijn met schrijver en criticus Tim Parks wanneer die, in het onlangs in Nederland verschenen De roman als overlevingsstrategie beweert dat stijl, tekstsoort en de manier van vertellen samen de overlevingsstrategie vormen die de auteur – álle auteurs van álle literaire teksten – ontwikkelt als reactie op spanningen in zijn of haar persoonlijke leven.

Tussen 1990 en 2007 verschenen van Ilse Starkenburg vier andere dichtbundels en een verhalenbundel bij De Arbeiderspers. En daarna dus – nogmaals – tien jaar niets. Alleen al daarom vind ik de verschijning van De boom valt op mij een belangwekkende gebeurtenis. Nu ik twee derde van haar oeuvre als redacteur heb begeleid is het wellicht interessant om eens na te gaan, hoe ik haar werk in die afgelopen twintig jaar gezien heb. Ik kan het niet beter doen dan door naar de flapteksten te kijken, want die heb ik immers (zo goed als) zelf geschreven.

Over de verhalenbundel De blinde vlek op de kaart (1998) schreef ik dat daarin ‘kleine, alledaagse voorvallen het uitgangspunt vormen, maar door de manier van kijken van de hoofdpersonen, en doordat zij niets als vanzelfsprekend ervaren, neemt dit alledaagse vaak zeer onalledaagse proporties aan’. Die verhalen werden in 2003 gevolgd door een derde bundel, in plaats van alleen. Daar meldt de flaptekst dat ‘een verlangen naar werkelijkheid, naar contact met de dingen een van de terugkerende motieven’ is. ‘Haar poëzie, bedrieglijk eenvoudig vanwege haar directheid, is in diepste wezen anti-hermetisch. Een gesloten wereld met bijbehorende geheimtaal, is hier slechts vertrekpunt. Het oogmerk is niet tot een gedicht te komen dat de werkelijkheid vervangt, maar juist tot één dat die werkelijkheid ontsluit.’

Gekraakt klooster (2007) bevat nog wel een flaptekst maar blijkbaar hadden wij – Ilse en ik – samen besloten dat we het daarin niet weer over de thematiek en het wezen van haar werk moesten hebben (die immers niet wezenlijk was veranderd) maar dit keer vooral over de wapenfeiten. Dat haar werk in allerlei prestigieuze literaire tijdschriften verschijnt, dat het veel in (niet minder prestigieuze) bloemlezingen wordt opgenomen, dat het met stipendia en nominaties voor belangrijke prijzen was beloond.

En nu, vandaag, kunnen we constateren, dat dat een point of no return blijkt te zijn geweest, want De boom valt op mij heeft helemaal geen flaptekst meer. Geen blurb, geen bio, geen biblio, geen wapenfeiten, geen inhoudelijk tekstje (nog geen regel). Niks! Om met Jules Deelder te spreken: ‘geen klote, geen donder, geen reet’. Het moest maar eens voor zichzelf gaan spreken, die poëzie van Ilse Starkenburg, vond Ilse Starkenburg, en daar ging ik volledig in mee. Dat wil zeggen: voor de flaptekst.

Want we hebben natuurlijk altijd nog de prospectustekst achter de hand. Daar staat naar aanleiding van De boom valt op mij het volgende: ‘Vanaf haar debuut Verdwaald ontwaken werkt Ilse aan een dichterlijk oeuvre waarin verlangen naar aanwezigheid en contact met de ander constanten zijn. Haar gedichten zijn evenzovele pogingen om een voortdurend sluimerend dan wel concreet isolement te doorbreken. […] Ze doet dat in een taal die zich meer dan ooit beperkt tot de essentie en als zodanig waarmaakt wat Jan Arends ooit dichtte: ‘Ik/ schrijf gedichten/ als dunne bomen.// Wie kan zo mager/ praten/ met de taal/ als ik?’

Het antwoord, beste Jan Arends, luidt: Ilse Starkenburg.

En o, er valt nog zoveel meer te zeggen over haar poëzie. Zoals bijvoorbeeld dat haar poëzie vaak heel geestig is, iets wat Maria Barnas in haar uiterst lovende recensie van De boom valt op mij in de Volkskrant afgelopen zaterdag al constateerde: ‘De observaties over hoe anderen omgaan met elkaar zijn vaak teder en tragikomisch: o, ik vond het zo mooi denkt de ik-figuur bij een herinnering aan hoe Andrea een gedicht schreef “bij de eenzaamheid van Tanya”. Door het woord “bij” wordt “de eenzaamheid van Tanya” verheven tot iets belangwekkends.’

Hier komt het:

HOU JE BIJ JE LEEST

Andrea schreef een gedicht
bij de eenzaamheid van Tanya

het werd een eindeloos gedicht
begeleid door Tanya’s gitaar

akoestisch en met nylon snaren
o, ik vond het zo mooi

het werd een eindeloos gedicht
Tanya ging er beelden bij maken

je zag Tanya dansen met zichzelf
naast het bed waarin ze elke nacht

en het liedje ging maar door
dat liedje over eenzaamheid

je voelde haar in parken
monumenten aanspreken

alleen eten in eetcafé’s
o, ik vond het zo mooi
toch denk ik dat het nog
iets ingewikkelder ligt

het bed was zo opgemaakt
en Andrea
bleef er steeds maar bij

vdh9789029511780

 

 

 

 

Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Over ‘As, vuur’ van Hester Knibbe

Het was even wachten op echte (die naam waardige) recensies over As, vuur, de nieuwe eind mei verschenen dichtbundel van Hester Knibbe. Maar het wachten was de moeite en het ongeduld waard, want neem nou de beschouwing van Arie van den Berg op vrijdag 14 juli in NRC Handelsblad met als aankeiler op de voorpagina van de cultuurbijlage ‘Poëzie vol oerwoorden van onze beste dichter’. Het stuk zelf is één grote lofrede op het dichterschap van Knibbe en culmineert in de volgende regels: ‘Na elf bundels behoort Hester Knibbe wat mij betreft tot onze beste dichters, en per bundel is haar kwaliteit nog altijd stijgend. Tijd voor de P.C. Hooftprijs?’ Van mij mag het.

En het mocht van mij ook al, toen ik op zaterdagmiddag 27 eind mei – het was snikheet die dag – de onderstaande woorden uitsprak (voor deze blog enigszins bewerkt) op de presentatie van As, vuur in boekhandel Donner te Rotterdam. Het was een middag met muziek van de Rotterdamse band The Yes Please en bijdragen van Derek Otte, stadsdichter van Rotterdam (in die functie opvolger van Hester Knibbe), Peter Swanborn (collega-dichter, hoofdredacteur van het tijdschrift Tortuca en recensent van de Volkskrant), die Knibbe interviewde, dichter en oud-Letterkundig Museumdirecteur Anton Korteweg en Miriam Van hee die samen met Hester Knibbe elk vier gedichten uit de gedichtendialoog ‘Leeftocht’ voorlazen. Het aandeel van Knibbe in die dialoog is ook in As, vuur terechtgekomen.

In de stad van de schaars verwende kampioenen moet het gepermitteerd zijn nog één keer die uit zijn voegen geciteerde wisecrack van Gerard Cox te citeren: ‘Feyenoord-fan – dat ben je niet voor je lol.’ Dus beste Rotterdammers, Feyenoorders: geniet nog maar even van die landstitel, want de komende decaden zult u weer op water en brood moeten leven en nederlaag op nederlaag moeten lijden.

Ik zeg dit niet zomaar. En ik zeg het ook niet om de boel een beetje te provoceren. Ik zeg dit omdat ik hier uit liefde sta – dat moet u van me willen aannemen. Ik sta hier uit liefde voor Hester Knibbe, voor haar gebeitelde poëzie, voor de literatuur, ja zelfs voor Feyenoord en Rotterdam. Maar voor de lol sta ik hier ook niet, meneer Cox. Er is geen mens, en zeker geen Nederlands mens, die zelfs maar een beetje besmet is met de bacil der wielergekte die nu voor zijn lol ook maar ergens anders zou willen zijn dan in de koers of voor de buis om te kijken naar de Ronde van Italië, de Giro, die zich op dit eigenste uur in de beslissende fase bevindt, in de fase waarin Tom Dumoulin wel of niet gaat zegevieren. De renners beklimmen – terwijl ik dit zeg om 15.03 – de Monte Grappa in de voorlaatste etappe van Pordenone naar Asiago. En ik ken die berg, die vuile smeerlap. De eerste keer dat ik hem bedwong… Herstel, de eerste keer dat ik hem probéérde te bedwingen – mijn oudste zus woonde in die tijd in Marostica (in de Veneto) op een kilometer of dertig van deze magische col – raakte ik niet boven. Onbezonnen als ik toen was, begon ik er veel te hard aan en draaide ik mijn motor in de soep. Ik kookte over, de benen ontploften en ik brandde af als een luciferhoutje. De tweede keer was ik veel beter getraind en ging ik weloverwogen te werk. Niet te hard van stapel en eerst een goede cadans vinden. Zo kreeg ik vleugels en herrees ik op de Monte Grappa, gelijk een feniks uit de as van mijn eerste mislukte poging.  Ik had het gevoel te vliegen en ging dansend naar boven – en danseuse heet dat in wielertermen als je uit het zadel wiegend op de trappers voortbeweegt.

Eerst sterven, dan hoog opstijgen – dat is de juiste volgorde.

De nieuwe bundel van Hester Knibbe heet As, vuur. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de werktitel heel lang een andere was (Wie gij worm, een titel nog gekker dan het toch ook al curieuze Archaïsch de dieren), maar het is een heel gelukkige ingreep van Hester geweest om daar te elfder ure nog verandering in aan te brengen. As, vuur is namelijk een uiterst betekenisvolle titel.

Knibbe_Koos_Breukel_BEW

De bundel valt in twee delen uiteen: ‘Drift’ en ‘Stromen’. Uitgangspunt voor het eerste deel, ‘Drift’, is een aantal zogenaamde ‘oerwoorden’ die alle Euraziatische families met elkaar verbinden. As en vuur zijn twee van die oerwoorden. En ‘As’ is de titel van het laatste gedicht van de afdeling ‘Mond’ uit dat eerste deel, terwijl het meteen daaropvolgende gedicht ‘Vuur’ het eerste gedicht uit de afdeling ‘Hand’ is.

‘As’ gaat als volgt:

wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaapt kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Er is nog een derde afdeling in dat eerste deel ‘Drift’, en die slotafdeling eindigt met het gedicht ‘Stromen’, dat weer eindigt met de regels ‘om / een monding een zee aan je voeten / te weten waarin / verdwijnen gewoon is’. Het tweede grote deel van de hele bundel heet als gezegd in zijn geheel ‘Stromen’. Het begint daar al meteen in het eerste gedicht te bewegen als een tierelier: ‘Er vliegt een vogel voorbij, vleugels zo wijd dat je / zijn slagpennen kunt tellen, maar wie ontrafelt zijn roep? // Iemand kan naakt op spitzen dansen, armen gespreid, / en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo’.

Om terug te komen op de titel van de hele bundel en het na elkaar geplaatst staan van de gedichten ‘As’ en ‘Vuur’: die volgorde roept onvermijdelijk de associatie op dat er alleen getriomfeerd en geleefd kan worden als er eerst is gestorven of een nederlaag geleden. Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Alleen zo blijft de ziel bewaard. De beweging van dood naar het leven impliceert dat As, vuur een bundel is die vitaliteit benadrukt en dat ook wil uitstralen. De dood neemt niettemin een belangrijke plaats in – de hele eerste helft van de bundel wordt er in zekere zin door gedomineerd –, maar belangrijker is het leven dat eruit voortkomt en dat een centrale plaats inneemt in het tweede deel van de bundel.

Cruijff heeft ook bij Feyenoord gespeeld, dus ik neem geen aanstoot als ik deze filosoof citeer met de woorden: ‘Als je niet ken verliezen ken je ook niet winnen’. Dat is toch de teneur van deze bundel. Of, de jager/verzamelaars indachtig: het is eten of gegeten worden. Of om met de oude Zeeuwen te spreken: ‘Luctor et emergo’, worstel en kom boven. En waarom zouden we niet ook de oude Nietzsche er nog bij halen met zijn concept van ‘de eeuwige terugkeer van hetzelfde’.

Twee helften zijn er dus in As, vuur. Een eerste helft onder de noemer ‘Drift’ en een tweede onder de noemer ‘Stromen’. Laat die twee woorden even op je inwerken en je zult je realiseren dat ze in feite hetzelfde betekenen. Beide woorden suggereren dynamiek, een soort van drijven, een iets met een wil. Drift zou je kunnen zien als de gestolde, gesubstantiveerde vorm van stromen, zoals as het resultaat is (of het residu) van branden.

Afijn, ik wil maar zeggen: deze bundel zit verdraaid goed in elkaar.

De betekenis van de structuur van de bundel wijst in de richting van een vitalistische instelling, maar dat levenskrachtige, op het nu gerichte doet niets af aan het feit dat tegelijkertijd de traditie, de geschiedenis en de eeuwige waarden verdedigd worden. Voor Hester Knibbe kan het nieuwe alleen bestaan bij de gratie van het oude. Niet voor niks was ze zo hartstochtelijk opgetogen over de vondst van die Euraziatische oerwoorden. De gedichten die daarover gaan en die (ten overvloede) de eerste helft van deze bundel vormen zou je kunnen zien als de humus (toch ook een soort van as) voor het tweede deel waarin de gestolde drift tot leven komt en gaat uitstromen in (misschien ook wel wat meer autobiografisch) gedichten over het eigen, actuele leven en waarin bij voorbeeld nogal wat gereisd wordt, een activiteit waaraan Hester zich met graagte overgeeft.

Intussen zijn we alweer een minuut of zeven hoger op de Monte Grappa. En ik heb geen idee hoe onze Hollander, die dagenlang in het maglia rosa reed maar nu dus niet meer, het stelt. Ik hoop dat het hem vergaat zoals het mij verging. Als de Piancavallo, de aankomstberg van gisteren, een soort generale van de Monte Grappa is en hij vandaag kan verrijzen uit de as van gisteren en de shit van nog wat langer geleden dan mag vanavond wellicht het ‘Victorious’ van Muse luid opklinken of welk ander toepasselijk triomflied dan ook. (Voor mijn part ‘Geen woorden maar daden’, hoewel dat appèl in de context van vanmiddag wat moeizaam overkomt.)

Het moge duidelijk zijn dat ik mij voor deze gedachten heb laten inspireren door de nieuwe bundel van Hester Knibbe. Daarom tot slot nog het gedicht ‘Vuur’:

Hij was een beginneling, een eenling
met twee linkerhanden en men lachte
naar hem, men lachte om hem. Maar hij

kluitte uit, waste zijn lijf, liep weg
met zichzelf en verbaasde wereld
toen hij met lenige handen

hout schikte, steen tegen steen
sloeg en met dat simpel geweld sluipend
het smeulen begon, branden ontstond, toen hij

vuur kneedde tot vlam die de hemel beklom.
En het werd donker onder de zon
de aarde een vruchtbare roetkorst.

Hij lachte, piste en knielde erop.

As, vuur

Oi, oi, hier gaat het om. Over ‘Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar’ van Anna Enquist en de bloemlezing uit het werk van Gerrit Kouwenaar, ‘Van woorden gemaakt’, samengesteld door Anna Enquist

Amper twee weken geleden was ik, tijdens een verrukkelijke korte rondreis in Italië, een paar dagen in Venetië. We hadden een appartement in de wijk Canareggio, en op een namiddag las ik daar in het serene binnentuintje dat er deel van uitmaakte en waar de stadsgeluiden zo goed als verstomden de laatste hoofdstukken van Thomas Eyskens’ biografie over Herman de Coninck die binnenkort onder de titel Toen met een lijst van nu errond verschijnt bij De Arbeiderspers. Het was warm, het was zonnig. Ik belandde ten slotte bij de laatste regels van het boek: over hoe Herman op straat in Lissabon, tijdens een tournee van Nederlandstalige schrijvers in Portugal, mei 1997, sterft in de armen van Anna Enquist. Hij slaat nog één keer zijn ogen op en zegt dan: ‘O, jij bent het.’

Toen Gerrit Kouwenaar stierf was het zeventien jaar en een paar maanden later. Anna Enquist was er niet bij toen het gebeurde, maar ze was er wel de avond tevoren en zorgde ervoor dat op aandringen van Kouwenaar zelf diens zoon nog aan zijn sterfbed kwam te staan. Ik ontleen die wetenschap aan het nieuwe boek van Enquist, Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar: ‘In die nacht is Gerrit gestorven. Alles waar hij op gewacht had was gebeurd, hij kon opgelucht in de kussens leunen, het was klaar. We werden ’s morgens vroeg gebeld en waren niet verrast.’

We schrijven 4 september 2014.

Ondertussen verstreken er bijna drie jaar en verschijnt ten huize van Singel Uitgeverijen behalve het genoemde Een tuin in de winter als nummer 294 in de reeks Privé-domein (bij De Arbeiderspers) ook een door Anna Enquist geselecteerde en ingeleide bloemlezing uit de gedichten van Gerrit Kouwenaar (bij Querido) onder de betekenisvolle titel Van woorden gemaakt.

vdh9789021402314

In Van woorden gemaakt doet Anna Enquist een eigenzinnige greep uit Kouwenaars volledige werk: ‘Ik begon de gedichten in chronologische volgorde te lezen. Een kleine 750, alles bijeen. Tussen debuut en dood liggen 73 jaren, de productie bedroeg dus zo’n 10 gedichten per jaar. De vrij bescheiden hoeveelheid zou kunnen duiden op een oeuvre waarin alles degelijk is overdacht, gerijpt, vele malen bijgevijld en onder het vergrootglas gelegd. […] Zo ben ik uiteindelijk gekomen tot 100 gedichten, gerangschikt in 7 thematische afdelingen. De afdelingen zelf weerspiegelen de levensloop: ze gaan over vroeger, over de oorlog, de gang door het leven, de verbintenissen in liefde en vriendschap, de betekenis van huis en tuin, de poëtica en, ten slotte, de dood.’

Literatuur is (om de titel van de bloemlezing nog wat explicieter te duiden) van woorden gemaakt, en gedichten – zeker die van Gerrit Kouwenaar, in wiens werk dat besef op de spits gedreven is – zijn dat in bijzondere mate. Maar de literatuur als biotoop, in zijn wekere delen, is een verzameling mensen en een onontwarbaar kluwen van menselijke betrekkingen. Ik vind het steeds weer fascinerend en ontroerend om me dat te realiseren. En om daar deel van uit te maken. Anna Enquist denkt daar niet anders over. Zo bezien is Een tuin in de winter niet alleen een getuigenis van de kwarteeuw die die vriendschap tussen haar en Kouwenaar ongeveer duurde, begonnen op een editie van Poetry International begin jaren negentig en bestendigd in jaarlijkse bezoeken aan Kouwenaars huis in Zuid-Frankrijk, gezamenlijke literaire excursies in het buitenland en geregelde ontmoetingen in Amsterdam, maar geeft het ook (en tegelijkertijd) een beeld van de sociale context waarbinnen die vriendschap bloeide, bestaande uit tal van mensen onder wie de wederzijdse echtgenoten Bengt en Paula, maar vooral ook literaire vrienden als Eva en Henk Bernlef, Rutger (Rudi) Kopland, Remco Campert en noem maar op.

Over sociale context gesproken. Toen Gerrit Kouwenaar op 4 september 2014 overleed, bevond ik me, kort nadat ik daarvan op de hoogte was geraakt, in de trein naar Maastricht. Ik was op weg naar boekhandel De Tribune om de presentatie bij te wonen van een nieuw boek van Cyrille Offermans, getiteld Wat er op het spel staat. Literatuur en kunst na 1945. De beide uitgevers van dat boek, het echtpaar Eva Cossee en Christoph Buchwald, waren er ook. Eva Cossee was merkbaar geraakt door de annonce van het overlijden van Kouwenaar en citeerde ter plekke en zo goed als uit hoofd dat meesterlijke gedicht ‘men moet’, beginnend met de regels: ‘Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis/ nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen’, en eindigend met ‘men moet nog een kuil graven voor een vlinder/het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –’

Zulk soort poëzie is voormalig studenten Neerlandistiek aan de Rijksuniversiteit Utrecht wel toevertrouwd. Die hebben colleges poëtica en poëzie bijgewoond bij Guus Sötemann en Redbad Fokkema. Ik ben er daar een van en heb nog met Eva Cossee colleges literaire kritiek gevolgd bij genoemde Fokkema.

En Christoph Buchwald, ooit gedurende korte tijd als troonopvolger van Siegfried Unseld boegbeeld bij Suhrkamp, was Enquists eerste Duitse uitgever bij Luchterhand Verlag. Onder zijn bekwame redactionele hand zijn in het Duits minstens twee of drie van haar boeken verschenen. Laat bovendien in dat gloednieuwe boek van Cyrille Offermans een heel essay aan Kouwenaar zijn gewijd. Dat stuk, ‘Dus vredig de avond’, is nota bene gebaseerd op een toespraak geschreven ter gelegenheid van de feestelijke presentatie van vallende stilte in 2008 bij Querido, toen nog gevestigd op Singel 262. Ik was die middag vanaf dat adres – dat we op dat moment nog een paar maanden ons adres zouden kunnen noemen (op 1 januari 2015 verhuisden we naar het Spui) – richting Maastricht vertrokken. In dat essay van Offermans, een scherpzinnige analyse van de ontwikkelingen in het werk van Kouwenaar, wordt de zojuist genoemde Sötemann terecht opgevoerd als een van Kouwenaars interpreten van het eerste uur. Offermans: ‘Ik weet niet precies of het qua jaartallen klopt, maar ik denk dat Kouwenaar pas eindeloos per woord is gaan wikken en wegen, schaven, schrappen en comprimeren, toen hij geen toneelteksten meer hoefde te vertalen om brood op de plank te krijgen en hij zich volledig op de poëzie kon richten.’ De suggestie is daarbij ook dat die tendens naar versobering en schrijven over  essentialia zijn beste werk heeft opgeleverd.

Maar goed, Guus (officieel A.L.) Sötemann. Ik heb ontzettend veel van die man geleerd. Zijn colleges over poëtica (hij onderscheidt er vier: de romantische, realistische, classicistische en symbolistische) hebben mijn denken over literatuur wezenlijk beïnvloed. Het werk van Kouwenaar behoorde volgens Sötemann overigens duidelijk tot de symbolistische poëtica, die mét de classicistische de zuivere traditie in de literatuur vormt, waar realisme en romantiek de onzuivere lijn vertegenwoordigen.

In dat baanbrekende stuk in over Kouwenaar, gebundeld in Over poëtica en poëzie gaat Sötemann diep in op de poëticale drijfveren van Kouwenaar. De zin van de poëzie voor Kouwenaar is, aldus Sötemann, gelegen in de poging ‘’t vlies van ’t onmogelijke te verbreken’. Iedere kunstenaar moet volgens hem ‘sluiers van het bestaan aftrekken, nieuwe verbanden in de werkelijkheid aanbrengen.’ Of, nog anders gezegd – en Sötemann citeert uit een interview met Kouwenaar door Bibeb (over wie vorige week bij Querido een biografisch portret verscheen van Adinda Akkermans en Roos Menkhorst): ‘Je staat voor de osmose van eeuwigheid en tijdelijkheid. Die ervaring, daarvan zeg ik: oi, oi, hier gaat het om. Die osmose wil ik laten stollen in mijn poëzie.’

ae

En verdraaid als het niet waar is, maar nu zijn we ineens weer terug bij Herman de Coninck. De Coninck en Sötemann, zo las ik in dat Venetiaanse binnentuintje, leerden elkaar begin jaren negentig kennen op in een literair congres in Zuid-Afrika. Dat is niet zonder gevolgen gebleven. De Coninck, die overigens pas laat bewondering wist op te brengen voor Kouwenaars poëzie, kon het meteen al heel goed vinden met Guus Sötemann. Tot zijn grote schaamte moest Sötemann echter bekennen dat hij – de internationaal vermaarde emeritus hoogleraar – het werk van De Coninck niet kende. Terug in Nederland schafte hij zich meteen De Conincks laatste dichtbundel Schoolslag aan en schreef hem: ‘Ik kan niet anders zeggen dan dat ik er buitengewoon enthousiast over ben. Je schrijft verzen naar mijn hart, ingehouden, haast karig, maar treffend, ontroerend, ironisch en verrassend.’ Niet veel later zaten ze, De Coninck als voorzitter, samen in de jury van de VSB Poëzieprijs 1996. Het jaar daarvoor had De Coninck er als gewoon jurylid al mede voor gezorgd dat de prijs toen naar Leo Vroman ging voor Psalmen en andere gedichten. Nu werd de prijs aan – jawel – Gerrit Kouwenaar toegekend voor zijn bundel De tijd staat open. Tijdens de juryberaadslagingen kreeg De Coninck dat voorjaar (we hebben het over 1997, de prijs wordt uitgereikt in het jaar na de beoordeelde oogst) een ingeving. Waarom niet een bloemlezing maken met de 100 beste gedichten van 1996. Dat idee legde hij voor aan zijn uitgeverij, en die uitgeverij was De Arbeiderspers en bij die uitgeverij was ik sinds enige tijd in dienst. Het idee werd omarmd en zo werd ik de redacteur van de allereerste editie van De 100 beste gedichten, een jaarlijkse bloemlezing die nog steeds bestaat. In die eerste editie staan ook drie gedichten uit Anna Enquists in 1996 verschenen bundel Klaarlichte dag. Te bevreemden hoeft dat niet. Herman de Coninck was een verklaard bewonderaar van haar werk en heeft meerdere malen gedichten van haar in zijn Nieuw Wereldtijdschrijft opgenomen.

Treurig is wel dat De Coninck zijn bloemlezing, met daarin zes gedichten van winnaar Kouwenaar, zelf nooit meer heeft zien verschijnen. Hij stierf, zoals aan het begin gememoreerd, op 22 mei 1997 in Lissabon. Geen drie weken later, op 10 juni 1997 werd de prijs in de Rode Hoed uitgereikt en verscheen ook de bloemlezing.

En geloof het of niet, maar ook Gerrit Kouwenaar was mee op die literaire reis in Portugal. Dat weten we uit Een tuin in de winter. Anna Enquist schrijft: ‘Ik was bij hem (Herman), hij had me geroepen toen hij achterbleef omdat hij het wandeltempo van de groep niet kon bijhouden. […] Gerrit was pas later op de fatale ochtend uit het hotel vertrokken en op weg gegaan naar het festival. Hij was langs de onheilsplaats gekomen, het terrasje van een klein café. Daar had hij een lichaam zien liggen, opgerold in een oud tapijt, dicht tegen de muur geschoven. Hij was enorm geschrokken toen hij later besefte dat dat Herman was.’

Ook hij, de dichter met de koele reputatie, dus aangeslagen. Maar poëzie is van woorden gemaakt en in de woorden van Gerrit Kouwenaar zouden deze regels uit ‘Plaatselijke tijd’ (uit De tijd staat open, door Herman opgenomen in de 100 beste gedichten) toepasselijk zijn: ‘De nacht vindt plaats/de tijd is rond/men proeft het rijpe woord meloen/warm als de afgekoelde grond/en op de rand van het bederf//omdat men zich in vlees verbergt/schenkt het moment een eau de vie/waarbij een gast verzwijgen moet/dat hij tot geest bestierf/de zomer rilt al van de herfst […]’.

Poëzie, kortom, is van woorden gemaakt. En dat is maar goed ook. Maar de literatuur is, ik zei het al, óók van mensen en menselijke betrekkingen gemaakt. Gerrit Kouwenaar zou hier misschien niet bijzonder in geïnteresseerd zijn. ‘Het was niet de opzet dat de dichter zijn gevoelens uitstortte in het gedicht en dat de lezers op hun beurt hun gevoelens daarin verwoord zagen,’ schrijft Christa in de inleiding van haar bloemlezing over de literaire intenties van Kouwenaar. ‘Al helemaal niet dat zij zich door de woorden getroost zouden voelen. Gerrit vond dat een sentimentele, verwerpelijke gedachte. […] Wat moeten gedichten dan wel? Ze moeten gebouwd worden, van woorden gemaakt, zodat van alles wat de dichter meemaakt en overdenkt een afdruk in taal wordt achtergelaten.’

Anna Enquist daarentegen beschikt wél over bijzondere antennes voor die gewone menselijke kant van het kunstbedrijf. Enquist heeft niet alleen verstand van literatuur maar ook, en misschien wel beroepshalve als psychoanalytica, ‘verstand van gevoel’, zoals Aleid Truijens het ooit treffend formuleerde. Om het in een poëticaal perspectief te plaatsen: de romantiek en het realisme – de onzuivere richtingen in de kunst tout court – willen ook hun dorst kunnen lessen. Men lave zich dus met volle teugen aan Een tuin in de winter en bewaart Van woorden gemaakt voor de meer sublieme en droge momenten tussendoor.

tHart Dienstreisopm

Een goed begin is het hele werk. Over ‘Een verhaal uit de Zonnestad’ van John-Alexander Janssen

John-Alexander Janssen is een naam die u moet onthouden. Hij is geen man van  half werk. Die wil de zaken meteen grondig aanpakken, en dat verwacht hij ook van zijn uitgever, ook al komt hij als debutant en jonge schrijver net kijken in de literaire wereld.

Die grondigheid is mogelijk diep verankerd en aldus een van de pijlers van zijn karakterstructuur. Een blik op zijn curriculum vitae leert ons dat hij afstudeerde in geschiedenis, maar niet alleen in geschiedenis. Om die studie een beetje stevig te stutten doorliep hij ook een complete studie in filosofie en rechten. Enkel in Nederland wonen was hem blijkbaar ook wat te eenzijdig. John-Alexander Janssen woonde in Harrisonburg, Parijs en ook in Jeruzalem. Dat laatste is niet onbelangrijk geweest voor het ontstaan van zijn literaire debuut. Vanuit Israël trok hij met een vriend namelijk de grens over naar Syrië, alwaar hij stof opdeed voor Een verhaal uit de Zonnestad, een andere naam voor Damascus, waar dat verhaal zich grotendeels afspeelt. En thans is hij docent geschiedenis maar hij was ook enige tijd in opleiding om rechter te worden. Het verlangen om recht te spreken kan echter ook gesublimeerd worden in literatuur, misschien heeft dat hem van zijn rechterspoor afgehaald. Lees zijn boek maar, en u snapt wellicht wat ik hier wil zeggen. Zijn ambities reiken evenwel nog wat verder, want naast die onderwijsbaan en die literaire bezigheden (die echt niet zullen ophouden bij dit ene boek) werkt hij ook nog eens aan een proefschrift. Geen half werk dus bij deze man.

 

ffff

Zo heeft John-Alexander Janssen zichzelf bewust in een situatie gemanoeuvreerd die hem in staat staalde aan die roman te werken. In 2014 won hij namelijk de Prix de Paris. Die prijs is gericht op het stimuleren van innoverend geschiedkundig onderzoek, wordt toegekend (als ik het goed onthouden heb) aan excellente afstudeerscripties en ging gepaard met een geldbedrag dat hem in staat stelde zich een tijdlang vrij te kopen van zijn dagelijkse verplichtingen.

Geen half werk dus! Dat had ik me ook moeten realiseren toen zijn agent Remco Volkers mij ruim een jaar geleden zijn manuscript toestuurde, waarvan ik al lezende danig onder de indruk raakte. Remco is al jaren actief als literair agent en heeft mij menig interessant werk voorgelegd, maar dit vond ik met voorsprong het beste wat ik tot nu toe via hem te lezen had gekregen. Een boek als een exotische verrassing, gesitueerd in een land en in een tijd (net voor het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië) die je niet meteen verwacht van een jonge oerhollandse auteur, en geschreven in een heldere, geserreerde, welhaast klassieke stijl, draaiend om een jongeman die obsessief verliefd wordt op een meisje uit een hoogburgerlijk milieu. Het meisje woont in een grandioze, immense, ommuurde villa in het oude deel van de stad en is lid van een extended family van artsen en wetenschappers met een meer dan gewone culturele belangstelling – alsof je zo te midden van een oriëntaalse variant van de familie Mann bent aangeland. De liefde van die jongeman voor dat meisje neemt Vestdijkiaanse proporties aan als in Terug tot Ina Damman. En heel terloops wordt er dan ook nog van alles gezegd en getoond over de politieke situatie in Syrië zoals die bestond aan de vooravond van de opstand die zulke funeste gevolgen heeft gehad. Máár… ik vond het wel wat kort om te kunnen spreken van een echte roman en wat onaf in de manier waarop de verhaallijnen aan elkaar geknoopt waren om te kunnen spreken van een overtuigend einde. In het manuscript was ik zo’n beetje terechtgekomen bij een situatie waarin de jongeman (Hamza) zich inmiddels toegang had weten te verschaffen tot de villa van de familie Al-Iskandri en hij tot op zekere hoogte een intieme relatie met de dochter des huizes Zania had weten op te bouwen. Maar haar krijgen (of verliezen) ho maar. Het verhaal eindigde zo’n beetje met de woorden: ‘Als ik met haar wilde blijven omgaan, dan kon ik mij dus maar beter voorbereiden op nu en dan wat onenigheid.’ Tsja.

Ik nam me voor de auteur en zijn agent daarmee te confronteren in een gesprek waarvoor ik ze uitnodigde. Want spreken wilde ik ze. Ik zag immers op zijn minst de contouren van een interessant schrijverschap. Wat bleek? Ik had om onbegrijpelijke redenen maar de helft van het boek in print. Misschien wel door eigen schuld – dat viel niet meer na te gaan. Maar tot mijn schaamte was ik dus nog maar halverwege geraakt en moest ik mijn oordeel opschorten.

Ook dit gegeven maakt duidelijk dat Janssen geen auteur is van half werk (tenzij je zo stom bent om het maar half tot je te nemen).

vdh9789029511841

Het hele werk dus maar, en dat bracht uitkomst, want toen ik ook de rest eenmaal had gelezen viel alles wel degelijk op zijn plek: de liefde van Hamza voor Zania (ik laat hier in het midden hoe dat eindigt; u wilt dat zelf lezen), de geheimen van de familie Al-Iskandri (die nogal politiek verknoopt blijken te zijn), de toedracht rond de dood van Hamza’s vader en de moeilijkheden waarin Hamza geraakt (die tegen wil en dank eveneens nogal politiek getekend blijken te worden).

Niet dat ik nu niets meer had aan te merken op deze bepaald meeslepende geschiedenis, maar ten aanzien daarvan liet John-Alexander er geen gras over groeien. Alle commentaar werd buitengewoon serieus genomen en uiterst consciëntieus en kritisch verwerkt. Zelfs in dat geval: géén half werk! Toen ik hem ergens in de loop van onze redactionele meetings een keer vroeg of ik hem John of Alex of voor mijn part Alexander kon noemen – of dat niet zelfs usance was in zijn eigen kringen – in plaats van voortdurend dat tongstruikelende John-Alexander te moeten zeggen (bij voorbeeld in situaties die nu eenmaal enige kordaatheid en beknoptheid vergen: ‘John-Alexander, pas op voor die auto van links!’), was het antwoord kort en krachtig. John-Alexander is de naam. Geen half werk. Mijn voorganger bij De Arbeiderspers, wierp ik nog tegen, heet ook Alexander Jansen, en die noemden we kortweg Lex, dat mocht van hem. En mij noemen ze vaak Peet (al ben ik daar ook niet echt blij mee) en mijn dochter Janna wordt door haar vriendinnen Jan genoemd. Maar nee hoor: John-Alexander!

Maar wanneer ik hem mail, kan hij me wat. Dan roep ik hem consequent aan als J-A. Tot dusverre is me dat nog niet verboden. Begin van de week mailde ik hem met de vraag of hij blij was met het boek, waarvan we hem een vooruitexemplaar over de post hadden toegezonden. John-Alexander schreef terug: ‘En of ik er blij mee ben, mijn boek! Maar: als een begin.’

Een goed begin is het hele werk. U gaat vast nog van hem horen. John-Alexander Janssen, onthoud die naam.

beb

 

 

 

Aan deze kant van de waterlijn

Stroeve_Lans_Olympischvdh9789029539449Over Lans Stroeve, Olympisch zwemmer

Vorige maand werd in Steenwijk de J.C. Bloemprijs uitgereikt. Het is niet de bekendste poëzieprijs, maar wel een van de belangrijkste. Waarom? Omdat het gaat om een prijs voor de tweede bundel van een dichter. En de tweede bundel is – misschien nog wel meer dan de eerste – een rite de passage naar een solide identiteit als dichter, een cruciale stap op weg naar een oeuvre. Of de stootbalk die een vervolg definitief verhindert. De waardering voor een tweede bundel (of het uitblijven daarvan) kan in dat opzicht essentieel zijn.

 

De organisatie die de prijs toekent formuleert het zelf als volgt: ‘De prijs van 2500 euro, ter beschikking gesteld door de gemeente Steenwijkerland, wordt om het jaar uitgereikt en geldt als een bevestiging van “duurzaam” dichterlijk talent. Dat wil zeggen van dichters die geen debutant meer zijn en van wie we doorgaans nog veel zullen horen.’ Daarom vind ik het jammer dat Lans Stroeve (voor de afgelopen editie naast Maarten van der Graaff, Elmar Kuiper, Anouk Smies en Marwin Vos genomineerd) haar tweede bundel Olympisch zwemmer niet met de J.C. Bloemprijs bekroond zag. Niets ten nadele overigens van winnaar Maarten van der Graaff, die ik als een groot talent zie en die zich nu sterk aangemoedigd mag zien dat ook waar te maken. Maar Lans had net zo goed kunnen winnen, en gelukkig wijzen de diverse lovende recensie daar ook op zodat zij zich ook zonder die prijs en daarbij horende premie eveneens gestimuleerd mag weten.

Al in 2007 verscheen bij De Arbeiderspers haar eerste bundel, Leerling in de tijd. Het was haar officiële debuut als dichter in de Nederlandse letteren. Officieel, omdat Lans eerder al in eigen beheer en/of bibliofiel werk had uitgegeven (wat ze nog steeds weleens doet, bijvoorbeeld bij Studio 3005, de uitgeverij van Marc Vleugels). Maar om in sporttermen te spreken: dat waren en zijn (soms prachtige) vriendschappelijke wedstrijden. Maar ze zijn niet voor het echie.

Olympisch zwemmer is dat wel. Bij verschijning in het najaar van 2015 zei ik op de boekpresentatie bij Perdu in Amsterdam: ‘Met die bundel kan ze prijzen winnen, kan ze bij wijze van spreken wereldkampioen worden in de poëzie. Regenboogtrui voor Stroeve! Nu we toch de sportwereld als referentiekader hebben – en de titel van de bundel geeft daar ook alle aanleiding toe – wordt het tijd om vast te stellen dat er twee olympiaden zijn verstreken sinds het debuut van Lans.

Het is niet eens zo gek om in zulke tijdvakken te denken. De gemiddelde dichter bij De Arbeiderspers publiceert ongeveer elke vier jaar een nieuwe bundel. Als je het zo bekijkt liet Lans Stroeve vier jaar geleden dus verstek gaan, gaf ze niet thuis, was ze bij gebrek aan klinkende uitslagen (gedichten) niet geselecteerd. Olympische limiet niet gehaald, geblesseerd geraakt, langdurige vormcrisis gehad of misschien gewoon heel rustig naar een nieuw niveau toegewerkt?

Ik veronderstel dat vooral dat laatste een doorslaggevende factor is geweest, want met Olympisch zwemmer bewijst Lans wat mij betreft – en ik geef toe dat ik parti pris ben – dat de lange radiostilte niet voor niets is geweest. Olympisch zwemmer is volgens ons, de technische staf van haar club, een regelrechte een kandidaat voor het ereplankier, een medaillekanshebber. Vooral op de wisselslag lijken haar kansen groot. Want als er iets blijkt uit deze bundel is het wel de veelzijdigheid van deze atlete. Met evenveel gemak hanteert Lans Stroeve de strakke en ingehouden vorm van de schoolslag als de exuberante, wijd uitwaaierende vrije slag. Ook op de ingewikkelder technische onderdelen als de vlinderslag (‘vlieg in tomeloze duisternis de vlinderslag/ versneld tegen de grond’) en de rugslag (‘omgekeerd leven, als een vleermuis ondersteboven hangen’) toont ze zich zeer vaardig. Bovendien durft ze tempowisselingen aan door binnen haar baan met wit te spelen en te variëren in regelafstand. En niet alleen in het korte vijftigmeter bad. Er worden hier heel wat gedichten gezwommen die blijk geven van duur- en uithoudingsvermogen, die zich feitelijk afspelen in open water. Variatie is de grote kracht van deze Olympisch zwemmer, ook in thematisch opzicht.’

Lex Jansen, uitgever van De Arbeiderspers toen Lans Stroeve aan deze tweede bundel zat te werken en in die tijd ook haar redacteur, schreef haar op 6 mei 2014, toen ze de min of meer definitieve versie van de bundel had ingeleverd: ‘Ik heb de afgelopen dagen steeds weer je poëzie gelezen en je gedichten bevallen me zeer. Een aantal gedichten is verrassend anders dan wat ik van je ken. Ik vind het mooi hoe je de tijd vooraf, het “nu” en de tijd die volgt in één samenhang probeert te vangen. Omdat ik dat een paar keer tegenkwam, moest ik denken aan een boek dat ik kortgeleden las. De titel is Wat is leven? Queeste van een bioloog van bioloog en filosoof Arjen Mulder. Hij heeft het daarin over een driedelige structuur van de tijd: retentie, het nu, protentie. In ieder deel afzonderlijk zijn alle drie de delen aanwezig. Dat zie ik ook in een aantal van je gedichten.’

Dichter en criticus Eppie Dam (Dagblad van het Noorden/Leeuwarder Courant) waardeerde Olympisch zwemmer met vijf sterren en schreef: ‘De poëzie van Lans Stroeve troost en verontrust, is open en ondoordringbaar, ontwapenend en verhullend, meeslepend en weerbarstig. Nooit eenvoudig, maar feilloos in te voelen voor wie het leven vreest en omarmt. Intussen blijft de eenzaamheid, en lijkt de hang naar het absolute bij uitstek gerelateerd aan de kunst van het woord: “Het is in helderheid en tijd/ tot op het bot alleen/ lichtgevend, ervan dromend als de sterren/ om gezien te zijn. Kijk// hier licht een poëzie.”

Nicolas Verscheure in het blad Vlaanderen noemt de bundel subliem maar ook donker ‘doordat Stroeve op een cynische manier de dood in al haar facetten gadeslaat’. Zijn conclusie: ‘Dit is volstrekt intelligente poëzie die de lezer op het gepaste moment een ware uppercut toedient’. In Awater schaarde Kiki Coumans de bundel onder de allerbeste van het jaar en dat vond dus ook de jury van de J.C. Bloemprijs die de nominatie van Lans Stroeve als volgt beargumenteerde: ‘Haar poëzie gaat onmiskenbaar over eeuwige onderwerpen als verdriet, dood en verlies. Niet toevallig dat Stroeve weleens spreekt bij het ten grave dragen van eenzaam gestorvenen (Eenzame Uitvaart). Het geeft troost, kracht en ten slotte ook berusting om zo te kunnen dichten: “Ik ben nog hier – aan deze kant van de waterlijn/ waar achter dode vrienden zwijgend kijken/ en glimlach vast in het vooruitzicht.”’

Met of zonder J.C. Bloemprijs: Lans Stroeve moet ook na Olympisch zwemmer nog lang blijven doorzwemmen, ‘aan deze kant van de waterlijn’, in grote open wateren, alle mogelijke slagen uitproberend.

 

Stroeve_Lans_Olympischvdh9789029539449

ANNIE ERNAUX, HÔNNETE FEMME VAN DE LITERATUUR

Vijfhonderd mensen waren er afgelopen zondag 26 maart, tijdens een van de hoofdprogramma’s van het Passa Porta Festival in Brussel, afgekomen op een avond met Annie Ernaux. Een uitverkochte zaal van Bozar. Het festival zelf kondigde haar in de folder als volgt aan: ‘Annie Ernaux bekleedt een vooraanstaande plaats in de hedendaagse Frans literatuur. In haar grotendeels autobiografische oeuvre gaat ze op zoek naar zichzelf, als was ze een vreemde die ze zich herinnert.’ De Franstalige Belgische actrice Virginie Efira las fragmenten voor uit Mémoire de fille, Ysaline Parisis interviewde Annie Ernaux over haar werk en ik, zijnde haar Nederlandse uitgever, mocht haar het eerste exemplaar overhandigen van de magnifieke Nederlandse vertaling door Rokus Hofstede van Mémoire de fille, eerder afgelopen week verschenen onder de titel  Meisjesherinneringen. Annie Ernaux had ik daarvoor twee keer eerder ontmoet, maar dat was lang geleden. De laatste keer was in 2004 tijdens een Boekenweek rond het thema Frankrijk, toen ze in Haarlem over haar werk sprak met Abdelkader Benali als interviewer. Voor ik haar dat zogenaamde eerste exemplaar uitreikte, sprak ik een ingekorte versie van onderstaande woorden.

I26A4352

foto: Hatim Kaghat van Le Soir

  V.l.n.r. Rokus Hofstede, Virginie Efira, Ysaline Parisis, Annie Ernaux, Peter Nijssen

 

 

Het moet rond 1990 zijn geweest – en dus al meer dan vijfentwintig jaar geleden – dat mijn goede vriend Theo Rooijakkers mij aanspoorde om een literaire ontdekking van hem ook eens te gaan lezen. Hij had van Annie Ernaux La place en Les armoires vides gelezen (die allebei bij De Arbeiderspers in vertaling zouden verschijnen als respectievelijk De plek en Lege kasten) en was zeer onder de indruk geraakt van deze schrijfster. Ik heb die aansporing ter harte genomen en moest mij al snel gewonnen geven. Ja, dit was in al zijn intense beknoptheid grandioze literatuur.

Misschien, zo redeneer ik achteraf, heeft ook het feit dat wij allebei  bewonderaars waren van het werk van E. du Perron (en daarmee in zekere zin ook van zijn literaire opvattingen en levenshouding waarin de vent een belangrijk begrip was) een rol gespeeld in onze appreciatie. Eerlijkheid is een kernbegrip in de poëtica van Du Perron, een woord dat niet louter niet  morele maar ook allerlei stilistische implicaties heeft: geen krullendraaierij, geen woordenvloed maar kernachtigheid, geen vorm als maskerade. Ook in stilistisch opzicht ging het erom een zogenaamde hônnete homme te zijn, een begrip dat Du Perron, die daarnaast ook het bijna synonieme ‘smalle mens’ (als verkozen politiek-maatschappelijke levenshouding) hanteerde, zelf ook weer ontleende aan de Franse letteren, waarin het al voorkomt bij schrijvers als Montaigne en La Rochefoucauld. Van die hônnetes hommes bestaan natuurlijk ook vrouwelijke representanten – al ben ik er niet zeker van dat ze dan hônnetes femmes zouden moeten worden genoemd. Misschien betekent dat in het Frans toch weer net iets anders.

En toch. Ik denk dat Annie Ernaux een hônnete femme van de literatuur is. Haar complete, sterk autobiografische literaire werk – van Les armoires vides en La place tot en met La honte (De schaamte) en Mémoire de fille, waarvan de net verschenen vertaling bij De Arbeiderspers al uitgebreid is besproken in de Belgische pers – is doordrenkt van die literaire inzet en die levenshouding waarin eerlijkheid een centrale plaats inneemt. In Lege kasten gaat het dan over de breuk tussen ‘een jongere generatie, die de kans kreeg zich te ontwikkelen, met de ouders die maatschappelijke vooruitgang van hun kinderen op zichzelf wel wensen maar lijden onder de kloof die aldus ontstaat; in De bevroren vrouw om de verstarring die voortkomt uit een huwelijk met een man uit een hoger maatschappelijk kader; in De plek over de vader die, anders dan de hoofdpersoon, is gebleven wie hij was en op de plek waar hij geboren werd (‘Les livres, la musique, c’est bon pour toi. Moi, je n’en ai besoin pour vivre’), in Een vrouw over de moeder vanuit eenzelfde soort pijn om de afstand die ontstaan is tussen de hoofdpersoon die zich maatschappelijk ontwikkeld heeft en de eenvoudig en nuchter gebleven moeder met als resultaat ‘een schrijnend en ontroerend verslag dat in het ontveinzen van elke emotie juist een heel persoonlijke en universele smart onthult’; en in Alleen maar hartstocht  over de even gepassioneerde als pijnlijk verlopende affaire tussen een vrouw en een jongere, getrouwde man.

Het eerste boek van Annie Ernaux dat ik als redacteur van De Arbeiderspers begeleidde was La honte, waarvan de vertaling in 1998 verscheen onder de titel De schaamte. Dat boek gaat over de impact van een voorval in 1952 waarbij haar vader haar moeder met een mes naar het leven stond: de schaamte die daar het gevolg van is, schaamte over het taalgebruik, de tafelmanieren en het sociale gedrag van haar ouders, die zo krampachtig proberen zich te distantiëren van hun sociale afkomst uit de laagste klassen. Daarna verschenen in Nederlandse vertaling bij De Arbeiderspers nog Het voorval (L’événement), handelend over de abortus die ze begin jaren zestig laat plegen en die veel sporen in haar heeft nagelaten en De blik naar buiten (een samenbundeling van Journal du dehors en La vie extérieure) dat de notities bevat die Ernaux tussen 1985 en 1999 maakte over het uitwendige leven in een groeistad net buiten Parijs: flatgebouwen, winkelcentra, een kale straat met losstaande villaatjes, en een metroverbinding met Parijs. Juist door over de buitenkant te schrijven komt ze meer te weten over haar eigen innerlijk. En dan was er dus vorig voorjaar ineens dat boek, Mémoire de fille, dat maandenlang hoog in de Franse bestsellerlijsten stond, dat ik op de terugreis van een bezoek aan de London Bookfair las nadat ik diezelfde ochtend op de stand van Gallimard een exemplaar had gekregen van Anne-Solange Noble, hoofd rechten van die uitgeverij. Dat boek waarvoor Annie Ernaux diep in zomer van 1958 dook, en diep in haar eigen pijn en ontreddering omdat het gaat over het verwarrende zomerkamp waarin ze voor het eerst met een man naar bed ging. Ernaux gaat er (vermoedelijk terecht) vanuit dat dit voorval allang uit het bewustzijn van iedereen die op dat kamp was en er eventueel weet van heeft gehad is verdwenen: ‘Ook ik heb dat meisje willen vergeten. Haar echt vergeten, oftewel geen zin meer hebben om nog over haar te schrijven. Niet meer denken dat ik moet schrijven over haar, over haar verlangen, haar waanzin, haar stompzinnigheid en haar hoogmoed, haar honger en haar opgedroogde bloed. Het is me nooit gelukt.’ En voor de literatuur is dat maar goed ook.

In haar hele werk, van Lege kasten tot en met Meisjesherinneringen, bedrijft Ernaux een soort microsociologie, een studie van de eigen persoon in de ruimtelijke en sociale context waarin die verkeert en (vaker) heeft verkeerd. Maar omdat daarin ook wetmatigheden kunnen worden aangewezen wordt het een onderzoeksveld waarin men (Ernaux) dingen aan de weet komt die toch weer iets over ons allemaal zeggen. De eerlijkheid waarmee Annie Ernaux die literaire sociale wetenschap bedrijft wordt echter bepaald niet als een makkelijk te bereiken doel uitgespeeld. Het geheugen is bedrieglijk (Ernaux put veel uit haar persoonlijke herinneringen), de taal een bevroren meer door het gebruik waarvan men zich voortdurend op glad ijs begeeft, de werkelijkheid een uiterst complex (en als zodanig vrijwel onkenbaar) iets, waardoor het nodig is voortdurend van perspectief te wisselen om iets meer te weten te komen.

Annie Ernaux lezen is – hoe autobiografisch haar werk mag zijn – ook over jezelf en je omgeving lezen. Over de ingewikkeldheid van je zelf, over schaamte, ongemak, nietsontziend maar toch ook met mededogen gepresenteerd. Lees Annie Ernaux en leer iets over jezelf.

Ernaux_Meisjesherinneringen_3D

HET BOEKENBAL DER VERLEIDINGEN*

Preambulante fase

16.46 Bushalte Korianderstraat Utrecht naar Centraal Station

Op het perron van spoor 5 een man in een zuurstokroze kostuum. Vast op weg naar het Boekenbal der Verleidingen

17.23 NS Intercity naar Station Amsterdam Amstel

17.43 Metro 54 naar Weesperplein

17.53 Tram 10 naar Weteringcircuit. Ik neem plaats tegenover Coen Verbraak. Achter mij zitten Ivo Victoria en Griet Op de Beeck. De conclusie moet zijn dat ik op de goede weg ben. Vanaf halte Weteringcircuit teruglopend in de richting waar de tram kwam de vaststelling dat ik ook (en beter) had kunnen uitstappen op halte Frederiksplein.

18.02 Aankomst op Weteringschans 259, vanaf eind april de nieuwe locatie van Singel Uitgeverijen en voor deze avond decor van het aan het Boekenbal voorafgaande auteursdiner van onze uitgeverijen.

 

Weteringschans 259

18.02 Bij de ingang Bram Kleiweg (eenmanswelkomstcomité van de uitgeverij)**, Annette Portegies, Kees ’t Hart en zijn vrouw, Greta Le Blansch (glaasje bubbelspul), Loek Hermans, Kester Freriks en vrouw, Rob Zweedijk, Paulien Loerts (een kus, wat nu dan toch?!), Elik Lettinga, Guido den Aantrekker, Jesse Hoek;

18.05 Anne Eekhout, Ineke Riem, Lucas Zandberg (eerste rondleiding door pand);

18.12 Anne-Marieke Samson (concerteert morgen op de piano, dat vergt discipline voor vanavond), Iris Hannema;

18.26 Paulien Loerts (opent buffet met toespraak over nieuwe pand en big- dataloze literatuur), Bas Kwakman, Atte Jongstra & Dorien (glas witte wijn), Abdelkader en Saïda Benali (de eerste met zijn Leica in de aanslag), Maria Vlaar (Stetson! Deze mysterieuze mededeling zal nog betekenis krijgen, maar niet in dit stuk);

Foto door Abdelkader Benali

18.36 (Bordje lopend buffet) Joke Hermsen, Henk van der Waal, Charlotte Van den Broeck & vriend (over rap & middelnederlandse poëzie);

18.52 (Nog een bordje lopend buffet en nog een glaasje witte wijn)

19.04 Tweede rondleiding (glas water), met aantal eerder genoemden en Gustaaf Peek, Hester Helming, Josje Kraamer, Arie Storm & Lola, Tom Hofland;

19.14 (Glas witte wijn) Esther van Dijk, Michel van de Waart, Jan-Willem Anker, Marja Pruis, Marije Vos, Martijn Neggers, Jeroen van Kan;

19.44 (Glas water) Derk Haank (‘Water? Dat is de boel flessen.’) en zijn vrouw, Caroline Reeders, Nathalie Doruijter, Jaap Robben, Barbara den Ouden.

 

Ambulante fase – Weteringschans-Wachtrij voor de ingang van-Paradiso

20.25 Rutger Vahl, Stan van Engelen (over boeken in de uitgeverij en boeken op televisie), Carolina Lo Galbo, Bert Wagendorp, Wilma de Rek, Bert Natter & Hester, Jeroen Wielaert (‘Ik schiet even achter Jesse Klaver aan’).

 

In Paradiso

21.10 (Glaasje Spaanse vermouth bij binnenkomst) (Grote zaal) Benjamin Moser, Arthur Japin, Patty Voorsmit, Lex Jansen (gesprek in schreeuwend fortissimo want Disco inferno) (Gauw weg daar) (Richting de grote entree:) Connie Palmen (kiss & ride), Ron van Roon & partner, Chris van Houts (foto, tweede glaasje Spaanse vermouth);

21.40 (Op naar de kelder, mellow sfeertje, god zij dank!) Jeroen Wielaert (over onderduikers, liefde en oorlog) (glas rode wijn), Anton Korteweg (over fietsen, poëzie en Belgische poëziezomers) (glas rode wijn en nog een glas rode wijn), Rob Schouten (terug van dochterbezoek in Chili!);

22.55 Elik Lettinga (twee biertjes tegelijk, want dat is gemakkelijker), Alexandra Koch, Hans Peters (over voetbalboekenschrijvers), Pieter Boskma (‘er zijn hier helemaal geen dichters’), Maaike Pereboom (gelukwens voor Max), Jessica Durlacher, Joost Nijsen, Floor Zijlstra, Pieter Eckhardt, Suzanne Holtzer (nog een biertje);

IMG_6491
Peter Nijssen in gesprek met Pieter Boskma

00.15 Op weg weer naar boven weer Anton Dautzenberg, Jurgen Maas, Charlotte Huizink (wat een leuk weerzien, biertje mee gedeeld) (moet intussen ontstellend nodig plassen);

00.40 Van de gepornificeerde toiletten op de weg terug naar waar ik was: Bas Heijne (lang niet gesproken, uitgeven in onze tijden, Parijs, Guy Hocquenghem) (maar Charlotte is nu foetsie) (Charlotje, waar was je nou?) (En wie ook niet heb gezien maar die er wel waren: Lieke Kézer, Christiaan Weijts & Maaike, Marion Bloem & Ivan Wolffers).

 

Postambulante fase

1.05 Noodtrappen naar het morgenlicht. Bevrijdend pis-aller. Lopen van Paradiso naar Amsterdam Centraal (kroket uit de muur van de Febo op de Leidsestraat) (Vlaams frietje op het Damrak).

1.33 Aankomst op Centraal Station, ijsberen op de perrons en over de traversen (flesje water).

2.29 Marja Pruis (was jij dat daar een heel stuk verder op het perron, gebogen over je mobieltje, het Boekenbal der Verleidingen voorbij?)

2.39 Trein naar Utrecht CS

3.14 Taxi naar huis.

3.25 Thuis. Wat een (toi)letteren (woordgrapje van Ronald Giphart). Wat een leven.

 

*Het genre van deze tekst heet ‘lijstje’ en is in die zin geïnspireerd door Georges Perec, die er vele heeft gemaakt en gepubliceerd. Het onderwerp is: mensen die ik tegenkwam op het Boekenbal 2017. De oulipiaanse beperking (contrainte) is in dit geval dat alleen mensen mogen worden genoemd met wie ik twee of meer zinnen heb gewisseld deze avond. Uitzonderingen zijn namen in cursief. Ze komen in deze tekst voor (om diverse redenen) maar ik heb ze niet of nauwelijks gesproken.

**Dank aan alle andere collega’s van de uitgeverij die de gastheerrol met verve vervulden: Marije Vos, Esther van Dijk, Hugo van Doornum, Martijn Prins, Mirjam Renting, Greta Le Blansch, Rolinka Boot en excuus aan degenen die ik in deze opsomming vergeet.

Van Zeist naar Zorgvlied in het spoor van Willem Pijper

 

pijperAfgelopen zondag 19 maart had ik als wegatleet op leeftijd willen starten in het Nederlands Kampioenschap Halve Marathon. Dat NK werd gehouden als onderdeel van de Stevensloop in Nijmegen. Ik had me er al voor ingeschreven en was sinds begin januari vol toewijding aan het trainen met het oog op dat evenement. Het feest ging niet door. Voor mij tenminste. Welbeschouwd was een verkoudheid – nee, godbetert niet zo eufemistisch: een majeure, hemeltergende griep die me een paar weken in een benauwende greep hield – er debet aan dat ik in plaats van de Stevensloop de afgelopen twee zondagen in het levensspoor van de componist Willem Pijper een parcours aflegde van Zeist naar Zorgvlied. Ofte wel van het oord waar hij in 1894 geboren werd naar de plaats waar hij sinds 1947, toen hij op 52-jarige leeftijd overleed, begraven ligt. Memento mori.

Dat zit zo.

Zondag 12 maart, net weer een beetje opgekrabbeld, besloot ik me met het oog op dat NK nog maar eens te testen. Een duurloop van een dikke twintig kilometer met een paar forse blokken in het beoogde halve marathontempo. Het kostte erg veel moeite, en het was ook een veeg teken dat ik met een te hoge hartfrequentie liep. Derhalve zat ik die middag nog nahijgend, een zweem van zweet op het voorhoofd en het gevoel dat ik me in een ruimte bevond waar de verwarming op meer dan dertig graden stond, in Theater Figi te Zeist, om preciezer te zijn in de Willem Pijperzaal, in de voorstellingenserie Jong Talent te luisteren naar dochter Janna, zingend in een close to close harmonie-groepje van negen meiden, begeleid op piano en drums, dat optreedt als The Jump (onthoudt die naam, daar gaat u nog van horen!). The Jump, veelal arrangementen vertolkend van moderne muziek (pop, soul, jazz) werd voorafgegaan door een jonge harpiste die fraaie en ongetwijfeld licht gearrangeerde vertolkingen van stukken van Bach, Chopin en Debussy uit haar harp toverde. Maar dus niet van Willem Pijper, hoe toepasselijk dat in Zeist op dat moment ook was geweest. Precies een week later zou namelijk herdacht worden dat Pijper, van wie me niet bekend is of hij werk voor harp heeft gecomponeerd, zeventig jaar geleden overleed.

Die zeventigste sterfdag, op zondag 19 maart dus, werd door de Willem Pijper Stichting aangegrepen om een herdenkingsconcert te houden in de Aula van begraafplaats Zorgvlied. Arthur van Dijk, betrokken bij de Stichting, had me ervoor uitgenodigd. En niet zomaar, want Van Dijk bezorgt voor De Arbeiderspers een in 2018 in de reeks Privé-domein te verschijnen uitgave van de brieven van Willem Pijper onder de titel In het Licht van de Eeuwigheid. Een leven in brieven. Zeventig jaar na iemands dood is met het oog op auteursrecht een omineuze datum. Vanaf dat moment vervallen namelijk de aanspraken van erven op auteursrecht en wordt een persoon (en diens artistieke nalatenschap) publiek domein. Je zou kunnen zeggen dat het voor uitgevers vanaf dat moment makkelijker wordt om iemands werk te publiceren. Maar de Willem Pijper Stichting greep het moment ook aan om als het ware te zeggen: kijk, Willem Pijper mag dan zeventig jaar dood zijn, maar wij zijn er nog als hoeders van zijn nalatenschap.

Willem Pijper geldt als een van de belangrijkste Nederlandse componisten van de vorige eeuw. Gelet op zijn korte leven, dat niettemin twee wereldoorlogen en een langdurige economische depressie omspande, heeft hij toch een vrij imposant muzikaal oeuvre nagelaten. En een minstens zo imposant corpus brieven. Pijper schreef er tussen 1917, het begin van zijn loopbaan als componist en muziekcriticus, en 1947 meer dan tweeduizend. Ze waren gericht aan collega’s uit de muziekwereld als Willem en Karel Mengelberg, Alphons Diepenbrock en Maurice Ravel, aan schrijvers als Simon Vestdijk, Hendrik Marsman (ook uit Zeist) en Frans Coenen en aan tal van vrouwen die in zijn leven een belangrijke rol speelden, zoals echtgenote en schrijfster Emmy van Lokhorst en studente/geliefde Iet Stans. Pijper leidde bepaald geen rimpelloos leven, beheerst als het werd door tumultueuze liefdes, artistieke conflicten, armoe en oorlog. Aanvankelijk kon hij als niettemin gewaardeerd componist nauwelijks de kost verdienen. Dat veranderde pas toen hij in 1930 directeur van het Rotterdams conservatorium werd, vaste medewerker van De Groene Amsterdammer en in binnen- en buitenland succes oogstte als componist en de opdrachten binnenstroomden. Maar bij het bombardement op Rotterdam, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (toen zowel het conservatorium als zijn huis met de grond gelijk gemaakt werden) raakte Pijper zo ongeveer alles kwijt wat hij bezat. Kortom: een boeiend, turbulent en deels tragisch leven dat een magnifiek Privé-domeindeel lijkt te gaan opleveren.

Maar goed, die zondag op Zorgvlied. Ik had Arthur van Dijk al moeten teleurstellen. Ik kon er niet zijn, want ik zou die wedstrijd lopen. Niet dus. Een ultieme test op dinsdagavond wees uit dat de naweeën van die griep mijn halve-marathondroom definitief aan gruzelementen hadden gegooid.

Op naar Zorgvlied dus, zij het met iets van – ik moet het eerlijk toegeven – blues in het gemoed. Dat humeur verdween toen ik eenmaal in de Aula had plaatsgenomen, waar ik onder het publiek tot mijn verrassing ook Arbeiderspers-auteur Anne-Marieke Samson ontwaarde. Samson blijkt een vurig bewonderaar van Willem Pijper en was de afgelopen maanden juist bezig enkele sonatines van Pijper in te studeren. Dat je daarvoor een meer dan behoorlijk beetje piano moet kunnen spelen, bleek wel uit de glasheldere en subtiele uitvoeringen van de Sonatines 1, 2 en 3 door Hans Erik Dijkstra, die die middag ook nog samen met fluitist Tim Wintersohl de extatische sonate voor fluit en piano uit 1925 ten gehore bracht. Het programma werd muzikaal afgesloten met een uitvoering door het strijkkwartet van het Koninklijk Conservatorium van Pijpers onvoltooid gebleven Strijkkwartet nr. 5 uit 1946.

Tussen die muzikale bedrijven door las Arthur van Dijk voor uit de vaak uiterst geestige en soms heerlijk malicieuze brieven van Pijper. Aan Corrie Hartong schreef hij op 8 mei 1942: ‘Ik heb me er altijd een beetje grimmig over verbaasd, over de ons allen ingeboren ambitie “een leegte na te laten,” met andere woorden gemist te willen worden als we er als zoogdier niet meer zijn. We zouden dan immers het leven uithollen, er een soort gigantische Emmentaler kaas van maken. Ik geloof, dat we juist niet als leegte, maar als volte voortbestaan.’

Opgebeurd door die woorden begaf ik mij na afloop naar buiten om – nu ik niet over het Nijmeegse asfalt hoefde te hollen – met het boek Wandelen over Zorgvlied van Marcel Bergen en Irma Clement in de hand nog een poos over Zorgvlied te scharrelen langs de graven van beminde en betreurde overledenen als Margit Widlund (de dochter van Anna Enquist), Jean-Paul Franssens, Martin Bril, Henk van Woerden en mijn goede vriend Aad de Groot. En natuurlijk langs het graf van Willem Pijper. Maar hoe ik ook zocht naar graf 18-II-421 – ik kon het niet vinden. Zij het dat ik, alweer op de terugweg ergens vlak langs de Fluwelen Hoofdgang, stuitte op Willem de Pijper. Maar Willem de Pijper is geen Willem Pijper.

Weg van Zorgvlied dan maar. Weg van de griep. Weg van de leegte. Op naar de lente en het volle leven. Op naar Ilja Leonard Pfeijffer met wie ik in Leiden had afgesproken. Ook al een Pijper als je z’n naam verhollandst. Daar komt nog bij dat hij er net dat weekend een tourneetje met het Nederlands Blazersensemble op had zitten. Overal zit muziek in! Ook een Pijper dus, maar dan een heel levende met heel lange haren van wie nog vele composities mogen worden verwacht, zo concludeerden we die avond na een diner in The Bishop en het nuttigen van enige flessen bruiswater.

 

*Michel Butter werd Nederlands kampioen in 1u05 nog wat. Maar dat was gelukkig geen concurrent voor mij. Mijn tegenstanders bevonden zich in de categorie M55 (leeftijd 55-60 jaar). Alex Stienstra behaalde de titel in 1u17. Ik had hem beslist niet kunnen verslaan.

 

 

Berichten en beelden van een mondiaal opererende poëziediplomaat Over Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman

Bas Kwakman is sinds vorige week niet alleen de directeur van Poetry International. Hij is nu ook de schrijver van Hotelkamerverhalen, waarin verhalen en tekeningen een sprankelende eenheid vormen en waarin we met de verteller een wereldreis maken vol bizarre belevenissen, steeds in het kielzog van de poëzie. Het boek werd vrijdag 10 maart gepresenteerd bij boekhandel Donner in Rotterdam, van stonde af aan de stad van Poetry International, maar ook al heel lang van Bas Kwakman.

58352_9789029510394_cvr

Dat begint al goed in die Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman. Zoran, de programmeur van het Poëziefestival in Struga, Macedonië, staat op de landingsbaan in Skopje onder aan de vliegtuigtrap en stelt zijn collega Kwakman – dit verhaal had ook Onder poëziefestivaldirecteuren kunnen heten – de volgende ontwapenende welkomstvraag: ‘Hoeveel dichters zijn er op jouw festival gestorven?’

‘Op mijn festival al drie,’ beantwoordt Zoran zijn eigen vraag. ‘Twee Serven en een Rus. Verdronken in het meer van Ohrid. Starnakel.’ Maar directeur Kwakman weet van de prins geen kwaad: ‘Het festival in Rotterdam is bijna vijftig jaar oud en er ging nooit iemand dood.’

Daar geloof ik niks van, Bas. Laten we nu eens even een ander voorzetsel in die vraag zetten. Geen op maar aan. ‘Hoeveel dichters zijn er aan jouw festival gestorven?’ Ik vermoed dat de directeur van Poetry International daar wat minder stellig op zou antwoorden. Voor dichters zijn poëziefestivals oorden van fatale mondaine verleiding.

Het sterven en lijden van dichters – ik kom erop omdat ik deze week To stay alive van Erik Lieshout zag, een film geïnspireerd op het essay ‘Leven, lijden, schrijven – methode’ van Michel Houellebecq (opgenomen in De koude revolutie, uitgegeven door De Arbeiderspers). Houellebecq figureert zelf in die innemende en ontroerende film, maar de hoofdrol is weggelegd voor punklegende Iggy Pop die zich als kunstenaar volledig herkende in dat essay. In de film zet hij zijn diepdonkere stem in om grote delen van die even aangrijpende als meedogenloze tekst te laten klinken als cymbalen in de ure des doods: ‘In een permanente, algehele oorlogssfeer bevindt de dichter zich in de frontlinie van alle levenden. Door zijn dagelijkse aanraking met het ondraaglijke zal hij worden blootgesteld aan de verleiding van de desertie, de euthanasie. Hij moet zich verzetten, de waardigheid verachten, bestaan tot hij erbij neervalt. Wie werkelijk wil overleven, moet eerst zien te overleven in beperkte zin. Houd moed. […] Een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat u blijft leven.’

En heel de rest van dat betoog is een in imperatieven gestelde snelcursus in het articuleren van het lijden, het kweken van ressentiment jegens het leven en het leren te slaan waar het pijn doet. ‘Streef niet naar kennis om de kennis alleen. Alles wat niet rechtstreeks voortvloeit uit emotie is in de poëzie van nul en gener waarde.’

*

Met dit alles in gedachten dringt zich de vraag op of we Bas Kwakman – deze wereldreiziger, deze gezant in de poëzie – wel moeten benijden. Ogenschijnlijk wel, want wie wil er nou niet de culturele grand seigneur uithangen op alle continenten, ondertussen in luxueuze hotels verblijvend om vandaaruit te worden rondgereden langs plekken van verbijsterende schoonheid, en dat in het gezelschap van grote dichters (als Cees Nooteboom, Derek Walcott of Breyten Breytenbach) aan wier vanzelfsprekend joie de vivre en even achteloos als niettemin genereus uitgedeelde bewijzen van intellectuele en artistieke verhevenheid je je gretig kunt laven.

Van de eenenveertig plaatsen die Bas Kwakman in deze Hotelkamerverhalen aandoet – en neemt u van mij aan dat hij er in die ruim twaalf jaar dat hij dit werk verricht in die hoedanigheid een veelvoud heeft bezocht – ben ik alleen in Rotterdam, Tel Aviv, Dublin, Brussel, Chicago, Berlijn, Dordrecht, Antwerpen, Londen, Maastricht en Parijs geweest. Ulaanbaatar, Medellín, Sjanghai, Durban of Chisinau – voor mij zijn het vooralsnog exotische, onbezochte oorden, om maar te zwijgen van Khamriin Khiidd of Huangshan – nog nooit van gehoord!

En van de hotels verbleef ik, voor zover ik me kan herinneren, alleen ooit in Hotel Metropole in Brussel, het Theater Hotel in Antwerpen en Villa Augustus in Dordrecht (in alle drie de gevallen zelfs meermaals).

Nogmaals die vraag: is Bas Kwakman te benijden? Het hangt er bijvoorbeeld maar van af hoe je de volgende passage, iets verderop in dat eerste verhaal dat speelt in Macedonië, waardeert en interpreteert: ‘De volgende dag ga ik tijdens het ontbijt naast Don [het hoofd van de plaatselijke maffia] zitten en bied hem een sigaar aan. Hij nodigt me uit om samen met Zoran in zijn grote zwarte Volvo naar Albanië te rijden, omdat je daar het mooiste zicht hebt op het Meer van Ohrid. We roken onze sigaren op, stappen in de auto en rijden de bergen in.

“Kogelvrij,” zegt Zoran terwijl hij op het glas van het portier tikt.’

Ik zou zeggen dat dit, hoewel een tikkeltje verontrustend, nog tot daaraan toe is. Maar verderop in dit boek zien we Bas Kwakman ook brandalarmen bezweren in Rotterdam in het kielzog van een knettergek geworden dichter, helse hoofdpijnen trotseren in een dor, warm en stoffig Tel Aviv, gedwongen naar het stupide, lichtelijk kwaadaardige gekissebis van Derek Walcott en zijn echtgenote luisteren, door ratten en boeven belaagd worden in New Delhi, bivakkeren met een bijkans doodbloedende Mongoolse consul, en in een tent in  de Gobi-woestijn bijna in een bed gaan liggen waarop het krioelt van de torren, terwijl we in datzelfde verhaal al lazen: ‘Ik eet glibberige zeekomkommer, gefermenteerde haai en gefrituurde schorpioen en drink daar een baijiu van 85 procent bij, dubbelgestookt op dierenkadavers.’ Enzovoorts, enzovoorts.

Eén ding is zeker: aan de gevaren en ontberingen waaraan onze handelsreiziger in poëzie wordt blootgesteld komt maar geen einde.

Moeten wij dat betreuren? Geenszins! Het heeft prachtige, soms aan het ongelooflijke grenzende verhalen opgeleverd.

Moeten wij hem benijden? Nee, dus. Laat hem maar reizen. Wij reizen met hem mee vanuit onze warme, veilige huiselijke leesfauteuil.

En vanaf nu is Bas Kwakman bovendien niet alleen meer die ploeterende poëziediplomaat die zich, gelijk Indiana Jones, in de meest hachelijke avonturen stort, maar ook zelf een schrijver. Vanaf nu is hij toegetreden tot de kringen van hen die waarlijk moeten lijden en schrijven om ons – lezers – met de neus op de feiten te drukken.

Ik word altijd een beetje kriegel van mensen die zeggen: ‘Dat is een mooi boek om te lezen.’ Of: ‘Een mooie film om te kijken.’ Wat zou je in vredesnaam anders met een boek of een film moeten doen? Nu Bas Kwakman zelf een dichter (een schrijver) is geworden, houden we hem de woorden van Houellebecq nog eens voor: Houd moed, want een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat je blijft leven. Dat weten we des te beter na het lezen van de Hotelkamerverhalen. En het kijken ernaar, want dat moet op de valreep nog gezegd: dit boek telt eenenveertig verhalen, maar het bevat evenzovele magnifieke tekeningen, steeds van de hotelkamer waar Bas in het desbetreffende verhaal verbleef. De beeldend kunstenaar Bas Kwakman komt in dit boek al evenzeer tot zijn recht en staat misschien zelfs wel aan de basis ervan: ‘Ik teken hotelkamers om mijn herinneringen vast te houden. Ik maak notities tijdens mijn reizen omdat ik mijn belevenissen nooit meer wil vergeten.’

Mooi boek, Kwakman.

Om te lezen.

En om te kijken.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑