Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

De lange aanloop naar een grote bocht

‘Ik weet nog wel wat anders,’ zei hij.

Wat hij daarna zei en aldus aan me voorlegde moest ik even tot me laten doordringen, want daarvoor was ik niet bij hem gekomen. Ik was voor het schrijven van een boek gekomen. In het vroege voorjaar van 1995 had ik op papier een plan uitgewerkt (tegenwoordig heet zoiets een proposal en daarmee ga je naar een literair agent) voor een boek over mijn hartstocht voor de wielersport, en dan met name voor de Tour de France. Ik had mij voorgenomen een reis te maken – een soort grand tour zoals welgestelde jongeren die in vroeger eeuwen maakten ter voltooiing van hun opvoeding en als rite de passage naar volwassenheid en een maatschappelijke loopbaan – langs mythische plekken van de Tour, ook wel een beetje om te kunnen nagaan waar die wielerpassie vandaan kwam. Naar het voorbeeld van Claudio Magris’ Donau, dat ik in de zomer van 1989 had meegenomen op een reis door Midden-Europa en dat mij buitengewoon geïnspireerd had, wilde ik een boek schrijven (werktitel De grote bocht, refererend aan de bijnaam van de Tour, die weer verwijst naar de grote lus die de wedstrijd meestal door Frankrijk maakt) dat behalve wieler- en reisboek ook (cultuur)geschiedenis en autobiografie zou kunnen zijn.

Toen ik met Ronald Dietz, uitgeefdirecteur van De Arbeiderspers en zelf wielerliefhebber, over mijn plannen te spreken kwam, aarzelde hij niet en nodigde hij mij uit om er op de uitgeverij eens uitgebreider over te komen praten. Dat boek wilde hij misschien wel uitgeven. Ik stuurde hem mijn plan en maakte een afspraak voor een bezoek. De uitkomst van dat alles was niet dat hij dat boek niet meer zag zitten – dat kon ik nog altijd schrijven, oreerde hij –, maar dat hij nog iets anders wist.

‘Wat dan?’
‘Moet jij hier niet redacteur worden?’
‘Eh…’
‘En denk erom: het schip vaart maar één keer voorbij.’

Dat was niet veel minder dan een dreigement, maar hij stond me gelukkig toe er nog een nachtje over te slapen. Redacteur worden bij een gerenommeerde literaire uitgeverij was wel degelijk iets wat ik ambieerde. Alleen: hoe moest dat dan met de schrijverij? Als ik daar nu mee zou stoppen, zou die loopbaan gesmoord worden in niet veel meer dan wat literaire schijnbewegingen. Maar de volgende ochtend dacht ik: ‘Als ik dat redacteurschap niet leuk vind, dan stop ik er toch gewoon weer mee.’ Met woorden van die strekking liet ik Ronald Dietz  weten dat ik wel op die (door mij op dat moment als volstrekt zeewaardig beoordeelde literaire) oceaanlijner van hem wilde scheepgaan. Aldus werd ik in de zomer acquirerend redacteur van Uitgeverij De Arbeiderspers. En de rest is geschiedenis, heet het dan. Maar dat is een bedroevend cliché. De rest is, om even iets te noemen, uitgelopen op meer dan een half werkzaam leven in de literaire uitgeverij. En de rest is bovendien een verhaal dat veelbewogen genoeg is om er een vierdelig epos aan te wijden. Maar zover ben ik nog niet.

IMG_3249.jpg

‘Het schip vaart maar een keer voorbij.’ Ik had er toen nog geen flauwe notie van dat Dietz al snel daarna op apocalyptische toon begon rond te bazuinen – zelfs toen al, in die achteraf bezien gouden jaren van het boekindustrie – dat we zesbaksduwvaarten nodig hadden om te voorkomen dat onze afzet zou stagneren in de flessenhalzen die de in zijn ogen inerte boekhandels waren geworden, maar wat ik al helemaal niet had kunnen en durven voorzien is dat ik ruim drieëntwintig jaar later nog steeds op die (mettertijd drastisch afgeslankte) oceaanlijner zou vertoeven die inmiddels heel wat zwaar weer te verduren had gehad.

Ik wist al vroeg wat ik wilde worden. Ik wilde schrijver worden. Iemand die in kranten of die boeken schreef. En ik wilde veel weten, maar ik wist toen nog niet genoeg om te weten dat je dan eigenlijk intellectueel wilde worden. Pas later wilde ik ook nog gedurende korte tijd wielrenner worden, maar daar staken mijn ouders een stokje voor. Die vreesden dat dat ten koste van mijn studie zou gaan (ze zagen, misschien terecht, het schrikbeeld voor zich van een jongen die zich niets ontziend op dat fietsen zou toeleggen) en dat ik zou belanden in kringen van laag allooi (het vooroordeel dat wielrenners uitsluitend uit de heffe des volks voortkwamen) en binnen de kortste keren gedrogeerd door het peloton zou zwalken.

Intussen (nou ja, zeg maar gerust in de loop van vele jaren) had De grote bocht in mijn hoofd langzaam toch een paar afslagen genomen. Het idee om een route in de vorm van een min of meer complete ronde te construeren langs een aantal mythische plekken liet ik los om daarvoor in de plaats een parcours te willen gaan volgen dat ook in werkelijkheid (etappe na etappe) zo was verreden, en wel die van 1970. Niet alleen omdat die Tour de France in 2020 exact vijftig jaar geleden verreden werd en daarom maf genoeg extra in de aandacht komt te staan maar ook – en veel belangrijker – omdat dit de ronde was die ik, nog net geen negen jaar oud, van begin tot eind vanuit bed volgde. Heel die zomer lang, van begin juni tot begin augustus, was ik geveld door geelzucht. Ik herinner me de lusteloosheid en het (een zeker voor een kind) moeilijk te duiden gevoel van melancholie die me overvielen en die ik toeschreef aan de benauwende zomerhitte. En ik herinner me ook – nadat ik koorts kreeg en duidelijk werd dat het om geelzucht ging – de ontstellende vermoeidheid die aanvankelijk zo groot was dat ik nauwelijks op mijn benen kon staan. Om precies te zijn ging het om het uiterst besmettelijke hepatitis A (een epidemie onder kinderen eind jaren zestig, begin jaren zeventig) waardoor ik ook min of meer in quarantaine moest worden gehouden. Het isolement en de bedlegerigheid maakten dat ik maar een paar dingen kon doen om mezelf bezig te houden: lezen (heel veel lezen) en op de radio naar de Tour luisteren. Een zwartwit televisie stond beneden in de woonkamer, maar daar mocht ik me pas na enige tijd, en dan nog alleen in de weekends, een korte poos vertonen. Zo heb ik herinneringen aan beeldreportages van weekendetappes die de Deen Mogens Frey (hij versloeg de Portugees Joaquin Agostinho) en een week daarna Rini Wagtmans en Albert van Vlierberghe wonnen.

Later, veel later ben ik ben me ervan bewust geworden dat zo’n periode van langdurige ziekte als kind misschien wel vormend kan zijn voor een mens. En als ik dan toch met vergelijkingen kom, dan maar met grote voorbeelden: Alberto Moravia (tuberculose) en Marcel Proust (astma) maar ook James Joyce en Franz Kafka schreven hun wording als schrijver ten dele toe aan (al dan niet jeugdige) ziekte en bedlegerigheid. Wat ik me dus afvraag: of er in mijn geval een verband bestaat tussen wat ik die zomer heb doorstaan en wie ik geworden ben. Is er een link te leggen tussen mijn geelzucht en het feit dat ik een lezer, een schrijver en een wielerliefhebber ben geworden? Dat ik in de literaire wereld ben gaan werken? Ik zou dat graag willen onderzoeken door dat boek, De grote bocht 2.0, alsnog te gaan schrijven. Die mogelijkheid ga ik benutten. Ik maak, voor het eerst in de drieëntwintig jaar dat ik in de uitgeverij werk, gebruik van de gelegenheid tot het nemen van een sabbatical of (als dat een beter woord is) een forse periode van verlof. Pas eind november keer ik terug op kantoor. Vanaf eind augustus ga ik de Tour de France 1970 nareizen, zoveel mogelijk over het parcours dat voor die (zevenenvijftigste) editie was uitgezet. Een traject dat, beginnend in Limoges, grofweg via de Vendée, Bretagne, Normandië, Noord-Frankrijk, een stukje België en Duitsland naar de Vogezen afzakte om vervolgens via de Alpen, de Provence (Mont Ventoux!) en de Midi naar de Pyreneeën te gaan, waarna via Bordeaux en Tours comme toujours in Parijs werd aangekomen.

Peter Nijssen. Foto: Abdelkader Benali

Het boek dat dit moet gaan opleveren zal – als het er al komt – om elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden, niet bij De Arbeiderspers verschijnen. En het zal – hoewel mij dit inmiddels al van verschillende kanten gesuggereerd is – ook niet Geelzucht, gaan heten, ook al is dat een woord dat perfect zowel de passie voor het fietsen als het lijden van de ziekte zou dekken. Er is al een hele serie wielerboeken (onder redactie van Patrick Cornillie) met die titel. Nee, er zal vast een betere titel komen voor De grote bocht 2.0.

Maar voor het zover is ga ik eerst meer eens naar de echte, actuele Tour. Hoe vaak heb ik niet langs de kant gestaan om de karavaan voorbij te zien trekken of bij de start van een etappe of een proloog? Ik was in Scheveningen, Bastenaken, Leiden, Gronsveld, Antwerpen, op de Mont Cenis, in Valkenburg, Rotterdam, Utrecht en ongetwijfeld op nog een paar plekken die ik nu vergeet, maar in de Tourkaravaan verkeerd, er deel van uit gemaakt, heb ik nooit. Daarin komt spoedig verandering. Komende zondag sluit ik me in de kasseienetappe naar Roubaix aan bij Jeroen Wielaert (deze weken dagelijks te volgen met geschreven en gesproken blogs op de websites van HP/De Tijd en Tout de France). De rustdag op maandag gebruiken we om door te reizen naar Annecy, waar we vanaf dinsdag de Alpenetappes gaan volgen. Tot in de rit naar Valence, waarin de renners de Alpen achter zich laten, zal ik Jeroen (‘Mijn Citroen DS 4 heeft inmiddels de sticker Presse 1111 op de voorruit) geaccrediteerd en wel  vergezellen als bijrijder en embedded schrijver. Ik zal notities maken en binnenkort (met behulp daarvan) opnieuw van me laten horen op deze blog. Vive le Tour!

Advertenties

De avond is nog lang: over de nieuwe roman van Anna Enquist

Het jaar was koud begonnen of het werd al zonneklaar dat Anna Enquist een nieuwe roman zo goed als af had. Hartverwarmend nieuws in donkere dagen. We rekenden uit dat dat boek – Want de avond getiteld – nog voor de zomer zou kunnen verschijnen. Dan hadden de mensen toch weer iets leuks om te lezen tijdens de vakantie. Nou ja leuk, dat stond nog maar te bezien en dat was, Enquist kennende, misschien niet de meest adequate omschrijving. Maar met enige zekerheid hadden we wel iets te bieden dat de mensen kon raken of waarin ze zichzelf zouden herkennen en dat aanleiding zou kunnen zijn tot zinvolle contemplatie. En het liefst véél mensen. Met die dingen houd je rekening als uitgever, al was het maar omdat je uit welbegrepen eigenbelang ook zelf prettig op vakantie kunt als je hele horden begerig kunt maken naar een boek. Vele jaren geleden sprak ik Joost Nijsen van Uitgeverij Podium eens vlak na de zomer op de Uitmarkt. Hij had dat jaar een megabestseller met Komt een vrouw bij de dokter van Kluun en was net terug van een waanzinnig dure en luxe vakantie aan de Amerikaanse Westkust. Lag hij daar aan het strand en viel hij gedurig weg in dutjes van een minuutje of tien. En telkens als hij daaruit ontwaakte die opbeurende gedachte: ‘Zo, weer een paar honderd Kluuns verkocht!’ Nee, chic is het niet, zo’n confessie, maar wel jaloersmakend begrijpelijk.)

Anna Enquist
Anna Enquist (foto: Bianca Sistermans)

Los van die vuige reden, leek het ons ook wel toepasselijk om een boek dat Want de avond heet en toch een zekere melancholie impliceert om het morte saison van een levensfase die stilaan richting winter strompelt nu juist te laten verschijnen rond het solstitium aan deze zijde van het jaar: de zomerzonnewende, de dagen rond de langste dag als alles is vergeven van licht en alles tiert en woekert van leven. De schrijfster van Want de avond mag dan volledig doordrongen zijn van haar herfst (of althans in die waan verkeren) en geen gelegenheid onbenut laten om erop te wijzen dat haar levensfase (en trouwens in één moeite door de hele toestand in de wereld) gelijkstaat aan neergang, afbraak, verlies, krachteloosheid en moedeloosheid: ik voel mij geroepen te wijzen op een paradox in deze voorstelling van zaken. Herinnert u zich, om te beginnen, nog de commotie die ontstond toen het indertijd spraakmakende maandblad Opzij wist te melden dat Anna Enquist ging stoppen met schrijven? Zomer 2008 was dat, tien jaar geleden, kort na de verschijning van de roman Contrapunt. Maar die gedachte bleek gebaseerd op enkele volledig uit hun context gelichte uitspraken in een interview. De kritiek op dat staaltje rampzalig hineininterpretieren in diverse andere media was dan ook fors: ‘Er spreekt weinig begrip uit voor het wezen van het schrijverschap: het komt immers vaak voor dat een auteur na het voltooien van een boek niet meteen het volgende boek op het netvlies heeft staan. Bovendien is een schrijver geen voetballer. Schrijvers kondigen zelden het einde van hun carrière aan en nemen geen afscheid in een overvol stadion.’

Zo is het maar net. Anna Enquist oud en der dagen zat, gestopt met schrijven? Mooi niet. Weinig auteurs waren sindsdien productiever dan Anna Enquist. De afgelopen tien jaar verscheen van haar respectievelijk de dichtbundel Nieuws van nergens, een boek vol monologen en portretten onder de titel Twaalf keer tucht, de cd De uittocht (muziek en teksten) samen met Ivo Janssen, de roman De verdovers, de voetbalbundel Kool!, een nieuwe aangevulde editie van haar verzamelde poëzie Gedichten 1991-2012, het poëzieweekgeschenk Een kooi van klank, de roman Kwartet, de dichtbundel Hoor de stad en – iets meer dan een jaar geleden (velen van u stonden hier toen ook om de verschijning ervan te vieren) Een tuin in de winter, de Privé-domein met haar herinneringen aan Gerrit Kouwenaar. Ik zeg zonder enige overdrijving dat er heel wat schrijvers zijn die zouden tekenen voor de productie van alleen al dat oeuvre gedurende een heel leven. Laten we ons bovendien realiseren dat die elf titels van de laatste tien jaren zijn geschreven terwijl er kleinkinderen werden geboren (die veel verstrooiende vreugde met zich meebrachten en op wie intensief gepast werd), er (tot op de dag van vandaag) een psychotherapeutische praktijk werd aangehouden en er in al die jaren ook nog veel werd gemusiceerd en opgetreden. Van wegdommelen achter uitgebloeide geraniums of mokkend en vergeetachtig naar de achterdeur sjokken is geen sprake. Lees die zo nu en dan bijna jubelend vrolijke gedichten uit Hoor de stad of lees het verrassende einde van Want de avond. Het valt onmogelijk vol te houden dat het werk van Enquist alleen maar in mineur geschreven staat, ook niet als ze dat zelf beweert.

In het schrijversleven van Anna Enquist is het onverminderd hoogzomer. Er zijn vandaag de dag nog maar weinig schrijvers van wie we bij verschijning van een nieuwe titel meteen zulke aantallen naar de winkels verslepen. En er zijn nog minder schrijvers van wie we de vertaalrechten van een boek (in dit geval heb ik het over Want de avond) nog voor het boek in de winkel ligt al hebben verkocht aan gerenommeerde buitenlandse uitgevers als Luchterhand (in Duitsland) en het tot voor kort door de huidige minister van cultuur, Françoise Nyssen, geleide Actes Sud (in Frankrijk). En daarom trekken we ons vooral niets aan van wat Anna Enquist eergisteren in Het Parool zei in een interview van Marjolijn de Cocq: ‘Die laatste levensfase, eigenlijk zou je daarover moeten schrijven. Maar dat is zo deprimerend. Ik weet niet of ik daar zin in heb. Ouder worden is verschrikkelijk. Al die boeken over “lachend tachtig worden”, die zie ik meer als collectieve afweer. Het is gewoon afzien. Er is ontzettend veel verlies. Mensen om je heen vallen weg en als je pech hebt krijg je ook nog fysieke ellende. Ik zie niet dat ik daar nou een boek over zou moeten schrijven. Bovendien: ik heb de afgelopen jaren zoveel gedaan. […] Nu maar weer een beetje regelmatig piano spelen.’ Ja, wacht even. Piano spelen. Zo zijn we niet getrouwd! Niks piano spelen. Als je niet over ouder worden wil schrijven, schrijf je maar over iets anders. Afzien is goed voor een mens en als je geen zin hebt dan maak je maar zin. Anna Enquist moet en zal, weer of geen weer, vrolijk verder schrijven.

Anna Enquist - Want de avond - Cover.jpg

De rest is geschiedenis. Over Wido Smeets, ‘Goed gerei. Opkomst en ondergang van een (meubelmakers)familie’

Wido Smeets presenteerde zijn boek Goede gerei, een onconventionele om niet te zeggen eigengereide familiegeschiedenis, niet één niet twee maar wel drie keer. Donderdag 24 mei was boekhandel De Tribune in Maastricht, waar hij werd geïnterviewd door Henk Groenewegen, plaats van handeling. Vrijdag 25 mei namen Harald Merkelbach en Cyrille Offermans met toespraken op een familiefeest de honneurs waar en zaterdag 26 mei voltrok de finale ceremonie zich in boekhandel Dominicanen. Daar werd Smeets geïnterviewd door Leon Verdonschot, verzorgde Peter Beeker (frontman van de geweldige Venlose rockband Ongenode Gaste) de muziek (eigen teksten begeleid op gitaar en mondharmonica) en sprak ikzelf over toeval en lot met betrekking tot de wijze waarop dit boek bij De Arbeiderspers terechtkwam.

Ergens in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, die onontkoombaar aangrijpende kitschroman van Milan Kundera, valt het volgende te lezen: ‘Ons dagelijks leven wordt gebombardeerd door toevalligheden, juister gezegd door toevallige ontmoetingen met mensen en door gebeurtenissen die men coïncidentie noemt.’ Kundera vertelt vervolgens dat dit principe ook werkt in romans en noemt als voorbeeld Tolstoi’s Anna Karenina. Aan het begin daarvan ontmoet Anna Karenina op een perron waar zojuist iemand voor de trein is gesprongen graaf Vronski op wie ze als getrouwde vrouw stapelgek zal worden. Aan het slot van de roman springt ze zelf voor de trein. Kundera noemt die symmetrische compositie ‘zeer romanesk’ en schrijft dan:

Wido Smeets 2018
Wido Smeets. Portret: Perry Schrijvers.

‘Want mensenlevens zijn exact zo gecomponeerd. Ze zijn gecomponeerd als een muziekstuk. De mens, geleid door zijn gevoel voor schoonheid, verandert een toevallige gebeurtenis (Beethovens muziek, dood op het station) in een motief dat voortaan in de compositie van het leven blijft. Hij keert ernaar terug, herhaalt het, wijzigt het en bouwt het uit als een componist het thema van zijn sonate.’

Welnu. In september 1986 studeerde ik Nederlands in Utrecht en kreeg ik – vanwege connecties met de Nederlandse filmdagen in Utrecht die weer het gevolg waren van een studie filmkunde in Amsterdam – de kans om de Australische (in 1940 in Venlo geboren) cineast Paul Cox te interviewen. Cox, die in de jaren zestig naar Down Under emigreerde (waar hij in 2016 in Brisbane overleed), had toen al een schitterend cinematografisch oeuvre tot stand gebracht met films als Kostas, Lonely Hearts, Man of Flowers en My First Wife. Omdat ik ook zelf uit die contreien afkomstig was, belde ik het Dagblad voor Noord-Limburg (in de volksmond de Vennelse Gezet). Of ze interesse hadden in een interview met Cox. Dat hadden ze, en zo kwam ik niet alleen aan mijn allereerste officiële publicatie (mijn bijdragen aan het literaire studentenblad Vooys even buiten beschouwing gelaten) maar ook aan mijn eerste podium als scribent. Want een paar jaar later kreeg ik het voor elkaar dat de krant tweewekelijks een halve krantenpagina voor me inruimde om een literaire kritiek, een rubriekje met nieuw verschenen titels en een column over de boekenwereld te schrijven.

De kunstredactie bestond destijds uit Lei Coopmans en Peter Janssen. Met hen maakte ik afspraken over de onderwerpen, de te bespreken boeken en de deadlines. Ik ben er in die jaren enkele keren over de vloer geweest en de eerste keer werd ik door Lei en Peter rondgeleid over de redactieburelen. Bij die gelegenheid heb ik – ik herinner het me vaag – ook handen geschud met de toen jonge journalist/verslaggever Wido Smeets. Nadat ik mijn rubriek gestopt was, zag ik Wido Smeets en Adri Gorissen (jawel, precies degene die hem deze week voor Dagblad de Limburger interviewde over Goed gerei) de literaire kolommen overnemen die goeddeels gevuld werden met korte recensies van nieuw verschenen boeken. En dat is, als ik het mij goed herinner, zo min of meer zo gebleven totdat Koen Eykhout de vaste literatuurrecensent van de krant werd. En bij mijn weten is hij dat nog steeds, al is het tot groot verdriet van Peter Buwalda.

In de tussentijd (in de eerste maanden van 1989) schreef ik voor het Dagblad voor Noord-Limburg een zesdelige interviewserie over de toekomst van het boek. Een van de degenen die ik uitgebreid sprak voor die serie was schrijver/essayist Cyrille Offermans, destijds woonachtig in Heel, niet heel ver van Echt waar hij als leraar Nederlands verbonden was aan de middelbare school. Wat ik toen nog niet wist: dat hij Wido Smeets in de klas had gehad. En wat ik toen nog helemaal niet had kunnen bevroeden: dat diezelfde Cyrille Offermans, met wie ik in de loop der jaren bevriend was geraakt, mij op 2 februari 2015 een brief zou schrijven met als onderwerp ‘Wido Smeets’:

‘Ik heb hem lang geleden leren kennen, namelijk in het prille begin van mijn leraarscarrière in het eveneens Midden-Limburgse Echt, waar hij op een van de hoogste klassen zat,’ schreef Cyrille me. ‘Erg hoge cijfers haalde hij geloof ik niet, maar mij viel hij meteen op door een zekere onaangepastheid en dwarse ideeën – een veelbelovende leerling kortom. […] Het gaat om een non-fictie boek […], een complexe familiegeschiedenis die zich uitstrekt over drie generaties, te beginnen in de late negentiende eeuw en doorlopend tot het heden, dus ook tot het leven van de onderzoekende, interpreterende en speculerende auteur. […] Het verslag van dat onderzoek bestaat uit een veelkleurig, vanuit verschillende perspectieven geschreven mozaïek van fragmenten waarin de grote en de kleine geschiedenis elkaar voortdurend verhelderen. De kleine geschiedenis is die van Leo Smeets (1884-1958), Wido’s grootvader, en diens trotse levenswerk, NV Smeets’ Houtindustrie te Wessem, dat na de Tweede Wereldoorlog uitgroeit tot een meubelfabriek, maar in de jaren zestig dramatisch in verval raakt. […] Die auteur is op zoek naar een uitgever die mogelijk iets ziet in zijn werkstuk in wording.’

Enfin, de rest is geschiedenis – zoals alles wat ik tot dusverre verteld heb geschiedenis is. Maar wat ik bedoel: de rest is niets meer maar vooral ook niets minder dan de verwezenlijking van dat boek bij De Arbeiderspers. De rest is er de oorzaak van waarom ik hier sta en u daar zit.

En nu ik hier in Maastricht sta in wat een paar jaar geleden zelfs de mooiste boekhandel ter wereld werd genoemd, zal wellicht ook de vraag opkomen of we dan te maken hebben met Limburgse geschiedenis. Het antwoord moet zijn dat ten aanzien van zowel mijn verhaal als het verhaal dat tussen de kaften van dit boek zit en inmiddels Goed gerei (Good grei) heet moeilijk ontkend kan worden dat er veel Limburg in zit, dat die verhalen geworteld zijn in Limburg. Maar antwoord geven op de vraag ‘Waar ligt Limburg?’ is bijna even lastig als antwoord geven op de vraag ‘Wat is literatuur?’. Die eerste vraag stelde ik mij najaar 1995 als samensteller en gastredacteur van een themanummer over Limburg van het literaire tijdschrift Maatstaf, dat destijds werd uitgegeven door De Arbeiderspers, waar ik toen net in dienst getreden was als redacteur. Dat inleidende stuk, gevolgd door bijdragen waaraan ik in mijn stuk refereer, besloot ik als volgt: ‘Eens een Limburger altijd een Limburger? Dat is bijna een ontologische vraag. Besta ik eigenlijk wel? En Limburg? “Limburg is virtual reality geworden,” verzuchtte Michel Maas. Het is leeg gebaggerd, ommuurd. Als Limburger is hij daarom liever nog dood dan overwonnen, en hij slaat op de vlucht.

Maar hij zal er terugkomen. Telkens weer, al was het alleen maar in zijn dromen. Connie Palmen weet waarom: “Als ik moet verklaren waarom ik geworden ben wie ik werd, dan is Limburg een onderdeel van de verklaring. Zodra je er eenmaal uit bent, maakt het wel degelijk verschil om er vandaan te komen.”’

Maar Wido Smeets worstelt niet zo met die imaginaire, problematische Limburgse identiteit, misschien ook wel omdat hij dat wat Limburg genoemd wordt nooit de rug heeft toegekeerd, zelfs niet nu hij in het buitenland woont (net over de grens in Rekkem, Belgisch Limburg). Het neemt niet weg dat, zuiver gemeten naar de ruimte waarin het zich afspeelt, Goed gerei door en door Limburgs is. Maar gelukkig heeft noch dit boek noch de auteur daar veel boodschap aan. Het is een gegeven dat het in Limburg gesitueerd is met alles wat daar aan couleur locale en heimatliche taal en cultuur bij hoort. Maar daar gaat het niet over. Dit boek is – en nu citeer ik mijn eigen woorden op het achterplat – ‘het levensverhaal van een meubelfabriek, een boek over vaders en zonen, over lotsbestemming en de onmacht eraan te ontsnappen. In een subtiel literaire weefwerk van documentaire teksten, interviews, reportages, beschouwingen en herinneringen reconstrueert de auteur een eeuw eigen familiegeschiedenis.’

Is het dan eigenlijk een roman? Nee.

Een essay? Nee.

Een geschiedenisboek? Nee.

Wat is het dan? Het is niets van dat alles en alles tegelijk. Wido Smeets hanteert in Goed gerei de zich aan alle genrewetten onttrekkende vrije slag, al hij heeft hij al freewheelend beslist ook gebruik gemaakt van Kundera’s symmetrische compositieprincipes.

Nu de vragen over Limburg en het genre zijn beantwoord, resteert de vraag: Wat is literatuur? Antwoord: Goed gerei – dat is literatuur. En wat betreft die symmetrische compositie: Paul Cox zal niet naar het land der levenden terugkeren om nogmaals te worden geïnterviewd en niemand hoeft van mij voor de trein te springen. Maar verder laat ik u weinig keus: als u zelf tot het juiste genre wilt behoren (en ook als u dat niet wilt), gaat u zo meteen onmiddellijk over tot aankoop van Goed gerei. Dat maakt dit verhaal voor mij al rond genoeg.

vdh9789029505260.jpg

Bewegingen onder de deklaag van het dagelijkse. Over Maria Vlaar, ‘Diepe aarde’

Bij Stichting Perdu aan de Oudezijdsburgwal presenteerden we op een snikhete woensdagavond 30 mei het literaire debuut van Maria Vlaar, Diepe aarde, een verhalenbundel die een lezer flink van zijn stuk kan brengen. Ze werd gloedvol toegesproken door K. Michel, Piet Meeuse en Anneke Brassinga en toegetekend [sic!] door Jean-Marc van Tol. Daarna leidde ik het boek in en schonk Maria de eerste drie exemplaren aan haar kinderen Lucian, Darja en Emilia. Hieronder treft u mijn tekst aan.

Heel diep hoef ik niet te graven om me de eerste (en trouwens ook enige) confrontatie met Maria Vlaar te herinneren. Ze moet ergens tussen najaar 1995 en voorjaar 1996 hebben plaatsgevonden. We kenden elkaar nog niet goed, maar we kénden elkaar. Maria was redacteur bij De Bezige Bij en ik was dat sinds kort (na jaren in de literaire journalistiek) bij De Arbeiderspers.

In die tijd was in de literaire uitgeverswereld het volgende gebod nog onverkort van kracht: ‘Gij zult geen schrijvers van andere uitgevershuizen begeren laat staan dat gij hun oneerbare voorstellen zult doen.’ Ik heb mij gedurende mijn hele loopbaan in de uitgeverij grotendeels (de moraal van een in katholieke zuidelijke contreien opgegroeid persoon is rekbaar) aan dat gebod gehouden.

Maar toen – misschien in een vlaag van jeugdige overmoed, misschien uit relatieve onervarenheid, misschien om voor mezelf aan te tonen dat ook ik op schokkende wijze een gehaaide literaire struikrover kon zijn – was ineens het ontembare verlangen in mij opgekomen de eminente essayist Piet Meeuse om een boek te vragen. Ik weet bij god niet meer wat ik hem gevraagd heb, maar het ging om iets specifieks, iets eenmaligs. Piet Meeuse was immers fondsauteur bij De Bezige Bij. En als dat rode hoofd van Albert Voster in paroxistische woede om mijn vlerkerige brutaliteit nog roder zou worden, kon ik, zo nam ik me voor, altijd tegenwerpen: ‘Maar meneer Voster, ik wil Piet alleen maar voor één keer van u huren!’

IMG_0329.jpg

Albert Voster kwam helemaal niet in beeld. Ik had buiten Maria Vlaar gerekend! Zij was het die na een paar dagen – wellicht nadat Piet zich enigszins bedremmeld bij Maria had gemeld met dat briefje van me in handen en de vraag wat hij daarmee aan moest of mocht – op hoge poten op me af stormde. Ik weet niet meer precies – ik moet dat hebben verdrongen – of die hoge poten per telefoon of per brief dan wel stampend over de traptreden van Singel 262 mijn kant op kwamen, maar de onverbiddelijke teneur was toch wel of ik voortaan met mijn tengels van haar auteur (en bij uitbreiding, geldend tot diep in een volgende eeuw: ál haar auteurs) wilde afblijven.

Ik kon niet anders dan in het stof bijten en mijn excuses maken. En daarmee was de kous ook af. Onze relatie heeft het niet blijvend bekoeld. Het was zand erover – en misschien bij Maria ook nog een laag kiezels en ondoordringbare klei – en dat was dat. Wij zijn elkaar in de jaren daarna veel blijven zien en spreken, ook (zij het veel later pas) over literair werk dat ze her en der publiceerde, zoals bij voorbeeld naar aanleiding van ‘Het pijngeheugen’, een essay dat ze in Terras (de erfgenaam van Raster) publiceerde.

Achteraf moet ik zeggen dat ik Maria Vlaar na al die jaren en ontmoetingen nog niet goed genoeg kende. Toen ik met haar begon te praten over eigen werk, over het publiceren van eigen werk – ook nog toen ze me verteld had dat ze verhalen, fictie dus, aan het schrijven was – dacht ik dat ze zou komen met sterk intellectualistische, misschien introspectieve maar toch in elk geval beschouwende en eerder essayistische dan verbeeldingsrijke teksten. Ook mensen zoals ik met een vergelijkbare achtergrond in het boekenvak – journalistiek, kritiek, redacteur bij een literaire uitgeverij (alleen het ambassadeurschap bij het Fonds voor de Letteren ontbreekt in mijn conduitestaat) – kunnen blijkbaar het vooroordeel koesteren dat iemand met een dergelijk track record vooral over beschouwend en in veel mindere mate over scheppend talent beschikt.

Daarom verrasten die verhalen me ook in sterke mate. Al in het eerste verhaal dat ik las, ‘De stetson’ (in Diepe aarde is het uiteindelijk ergens halverwege terechtgekomen) kruipt de schrijver in de huid van een man. Sterker: in die van een nogal pedante kwast van middelbare leeftijd die het, kwasten eigen, ontzettend met zichzelf getroffen heeft en er nauwelijks mee lijkt zitten dat hij er een dubbelleven in de liefde op nahoudt. Maar de wraak – en misschien ook wel de wraak van de auteur – is zoet. De weinig gewetensvolle narcist krijgt zijn trekken thuis.

In een ander verhaal, ‘Persona’, in Diepe aarde is het de opening geworden, zag ik mezelf als lezer gedropt worden in een setting die sterk doet denken aan het begin van Short cuts, die adembenemende film van Robert Altman naar verhalen van Raymond Carver. Je voelt je in het zog van een camera over een terras meegesleurd worden waar allerlei mensen – vermoedelijk op een zondagochtend – van de zon, een drankje, de rust en een goed gesprek zitten te genieten. Ondertussen glijdt de camera langs al die tafeltjes, zoomt in op de personen die daar zitten en wat we te zien en te horen krijgen is te erg voor woorden: pijnlijk, gênant, schandalig, ja in een enkel geval mensonterend.

In nog weer een ander verhaal, ‘Kan het nog?’, treffen we een oudere, ietwat hitsige therapeute die sterk in de ban is van een cliënt met relatieproblemen die al heel lang bij haar komt. Maar de cliënt heeft – snappen wij lezers al gauw– zijn prioriteiten elders liggen. Minstens zo tenenkrommend van ongemak is het verhaal, getiteld ‘Jouw pijn’, over een gescheiden vrouw die met een vriendin van vroeger nog eens op vakantie gaat. Gaandeweg blijkt dat deze vriendin een nogal desastreuze invloed op haar leven heeft gehad. De titel refereert aan een vraag van haar therapeute (‘Maar hoe is het dan nu met jouw pijn?’). En misschien, bedenken we tijdens het lezen van de bundel, is dat dan wel die therapeute uit ‘Kan het nog?’.

IMG_0456.jpg

Ja, nu ik er eens goed over nadenk: er zit onthutsend veel fysiek gesop en getob in, en behoorlijk wat zompig en sleezy geseks. Maar ook, in al zijn aardse intimiteit, heel tedere seks. In het aangrijpende verhaal ‘De tent’, waarmee Diepe aarde afsluit, herinnert een stokoude vrouw zich een subliem ingehouden vrijpartij met haar man tijdens een vakantie in een tent – de kinderen slechts van dit alles gescheiden door een stuk tentdoek.

Maria Vlaar kan zich in de meest uiteenlopende personen en situaties verplaatsen. In een door gigantisch overgewicht volkomen immobiel geworden wetenschapper, in een man die gebukt gaat onder het psychisch en fysiek geweld van zijn vader waarmee hij als kind te maken had, in een al wat oudere vrouw, een plattelandsonderwijzeres, met een burn-out, of in een kunsthistoricus die lichtelijk van het padje is geraakt nadat hij achtereenvolgens zijn dochter en zijn geliefde aan een religieuze sekte verliest.

Maar ze kan zich ook indenken in een (met de nodige satire geschilderde) nabije toekomst waarin Nederland veranderd is in een populistische dictatuur waarin het (intellectuele) establishment van weleer wordt onderdrukt en vernederd door platte onderbuiktypes met veel revanchegevoelens. Dystopische toestanden, zoals dat tegenwoordig heet, treffen we ook aan in een paar andere verhalen zoals in dat bevreemdende verhaal van een ambitieuze Nederlandse vrouw die onderweg terug van vakantie in Frankrijk haar droomhuis (lees: spookhuis) ontdekt en het later (na allerlei vreselijke lotsbestemmingen waarin ze alles behalve zichzelf verliest) het schopt tot minister van onderwijs in een Nederland dat te boek staat als de laatste democratische regering van Europa – een setting die me enigszins deed denken aan Michel Houellebecqs Soumission. Houellebecq is zo’n naam die een paar keer in me op kwam tijdens het lezen van Diepe Aarde. Of Roald Dahl. Of David Grossman. Gek genoeg allemaal mannen, en dan ook nog eens types die ik eigenlijk nooit met Maria Vlaar geassocieerd zou hebben. Tot deze toch ontregelende lectuur dan.

Diepe aarde, dat moge duidelijk zijn, kent vele lagen, rijk en subtiel geschakeerd. Op het achterplat van de bundel staat iets soortgelijks: namelijk dat in deze verhalen ‘wordt blootgewoeld wat er beweegt onder de deklaag van het dagelijkse’. Om in de metaforiek van de geologie en het graven te blijven: dit is schrijven als een vorm van soulmining, een woord dat ongetwijfeld bij me opkwam omdat ik al een jaar of 35 in het bezit ben van het gelijknamige debuutalbum van de Britse new-waveband The The.

Maria Vlaar is niet voor één gat te vangen. Een avontuurlijk (voor)uitzicht, kortom, voor de aanstaande lezers.

IMG_0378.JPG

De schoonheid van de pijn en het vallen. Over ‘Pijn in het peloton’ van Pieter Cramer & Frans Bevers*

Hoewel de pelotons in het professionele wielrennen kleiner zijn geworden (acht in plaats negen renners per ploeg in de grote ronden en zeven in plaats van acht renners in de overige koersen) en er minder ongelukken lijken te gebeuren (in die zin hebben de maatregelen van de UCI misschien succes) wordt er nog steeds – en hard – gevallen in het hogeschoolwielrennen – en niet alleen in die echelons, voeg ik er maar snel aan toe. Want vallen hoort bij wielrennen, ja ook bij de wijze waarop een wielertoerist als ik het bedrijft, zoals een dronkenlap bij een groot feest.

Alleen al in die zin zal Pijn in het peloton, het boek van Pieter Cramer en Frans Bevers dat we hier vanmiddag presenteren, altijd actueel zijn. Kijk maar naar afgelopen voorjaar. Er viel weer heel wat pijn in het peloton te bespeuren. Neem die vérstrekkende uitglijder van Wout Poels toen deze – in een fase waarin hij de gedoodverfde favoriet was voor de eindoverwinning – tijdens de zesde etappe van Parijs-Nice in de bocht van een afdaling onderuitging en tegen een vangrail caramboleerde. Gebroken sleutelbeen, gekneusde borstkas. Weg voorjaar. Wie hem in de Giro aan het werk zag (zij het helaas voor Chris Froome en niet voor zichzelf) mocht constateren dat alle leed en pijn misschien ook weer ergens goed voor waren. Kon dat maar gezegd worden van de val van de Belgische wielrenner Abel Goolaerts in Parijs-Roubaix. Die sloeg op zondag 8 april jongstleden in de Hel van het Noorden op de kasseienstrook van Saint Python tegen de grond en bleef op zijn rug in de berm liggen. Voor dood. En niet veel later, onderweg naar het ziekenhuis van Lille, dood. Oorzaak: een hartstilstand. Voor alle duidelijkheid: hier was de val niet oorzaak maar gevolg. De vraag (met verwijzing naar de ondertitel van het boek) of dat dan ook een blessure is, moeten we misschien maar niet stellen. Peter Winnen schreef er het volgende over zijn column in de Volkskrant: ‘Hartfalen? Het zal de Dood een worst wezen wat de autopsie oplevert. Hij is ongenaakbaar en viert de overwinning in stilte.’

IMG_3082

Ik was lang geleden de redacteur van een bij De Arbeiderspers verschenen wielerroman van Pascal Kolkhuis Tanke, De gladiolen en de dood. Dat boek gaat over de angst van de wielrenner (van menige wielrenner, maar in dit geval heette die Aart Haring) voor het vallen. Het boek verwees overduidelijk naar de fatale dodelijke val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Peyresourde in de Tour de France van 1995. We hielden het duizend kilometer van onze burelen ten doop in Lugano aan de vooravond van het WK 1996, in zoverre een toepasselijke locatie dat de roman zich afspeelt aan de vooravond van een WK op de weg. In die roman zitten we voortdurend in het hoofd van Haring en dat hoofd zit vol valangst: ‘Het is bijna een ritueel geworden. In die mysterieuze schemerzone tussen bewustzijn en diepe slaap rijd ik in op een barricade van gevallen renners. Het gekraak van fietsen op asfalt, het gekerm van renners en bovenal het gierende geluid van voluit aangeknepen remmen zorgen voor een laaiende angst. En telkens, op het moment waarop ik besef dat ik onmogelijk een valpartij zal kunnen vermijden, word ik met stuiptrekkingen wakker.’

Wollt ihr den totalen Sturz? Nee! En toch is vallen een raison d’être, ook als de angst om te vallen totaal afwezig is. De meeste renners zijn niet bang om te vallen. Maar met of zonder angst: er zal altijd gevallen worden. Vragen om het einde van het vallen (hetzelfde geldt voor pijn) is vragen om het einde van het wielrennen. Dat willen wij – wielrenners en wielerliefhebbers – natuurlijk helemaal niet. Wij willen alleen vallen met mate – en áls het dan moet: niet met een klap, maar mooi en zacht en hooguit een beetje jankend.

Het vallen moet iets betrekkelijks blijven. De absolute val is een doodzonde. In dat verband schieten mij een paar veelbetekenende regels van Gerrit Kouwenaar te binnen uit het gedicht ‘Le poète Y sur son lit de mort’: ‘Van alle maken is doodmaken/ wel het volmaaktste’. Deze regel legt een paradoxaal verband tussen creativiteit en destructie, tussen scheppen en vastleggen (in de zin ook van: er de beweging uithalen). En als uit iets levends de beweging moet worden gehaald dan moeten we wel spreken van ‘ombrengen’ of ‘vermoorden’. Of in het geval van een wielrenner: onherroepelijk ten val brengen. Toch laat die regel van Kouwenaar zich niet eenvoudig transcriberen naar het cyclisme: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het volmaaktste’. Dit is een abjecte regel, en niet alleen omdat hij onethisch is of een boodschap bevat waar wij helemaal niet aan willen. De schoonheid én de betekenis van de regel van Kouwenaar zit in het drievoudige maken: maken, doodmaken, volmaken.

Kortom, en nu onherstelbaar verbeterd: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het valste’. In deze zin is vallen nu juist (als een van de betekenissen van ‘vals’) verkeerd. En door de overtreffende trap (erger kan je niet vallen) ook totaal verkeerd. Een kapitale val dus.

Bevers_Cramer (c) Wouter le Duc_RVtot 01032021.jpg
Frans Bevers en Pieter Cramer. Portret: Wouter le Duc

Daar willen we ver bij wegblijven. Er ligt al pijn genoeg in het gewone vallen, zoals we in dit wonderschone boek kunnen lezen maar vooral ook zien op de schitterende, onthutsende, treffende foto’s (waarvan ook een heleboel, in twee katernen, in kleur) van Klaas Jan van der Weij en Wouter Roosenboom. Het wordt nu trouwens de hoogste tijd maar eens te melden dat het niet álleen maar over vallen gaat en de pijn die daarvan het gevolg is. De ondertitel van het boek van Cramer en Bevers luidt immers: ‘13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende’. Die dertien blessures passeren van hoofd tot voeten de revue in Pijn in het peloton, en al lezende ontdek je (wat je natuurlijk ook allang wel wist) dat er ook nog zoiets bestaat als pijn en blessures door overbelasting, overtraining en algehele uitputting, dat er zoiets als mentale pijn en wielerzielenpijn is, dat er blessures voortkomen uit verkeerd afgestelde fietsen of verkeerd op de fiets zittende renners en dat er inwendig van alles mis kan gaan door al dat keiharde fietsen en ongelukkig daarop aansluitende diëten. Pieter Cramer en Frans Bevers hebben dat in kaart gebracht in een boek dat barst van expertise en eigen ondervindingen (beide zijn geharde en getrainde fietsers). Van research, onder meer in de vorm van 45 interviews met wielrenners en ex-wielrenners (m/v), ploegleiders, mecaniciens, masseurs, psychiaters, psychologen, artsen, fotografen, koersdirecteuren, motards, journalisten en andere directbetrokkenen. En dat boek is dan ook nog geschreven in een lichtvoetige en bij vlagen lyrische stijl (en danseuse) die niet onderdoet voor die van menige literaire schrijver. In samenhang met de al gememoreerde prachtige fotografie en dito vormgeving door Scherpontwerp (met name: Marc Koppen) levert dat een boek op waarin pijn en lijden esthetische categorieën worden. En nee, Jan Siebelink: niet per se als in jouw wielerboekendebuut Pijn is genot, dat veelzeggend genoeg begint ‘bij de meiskes van Sauna Diana’ waardoor die esthetiek meteen weer in een erotische, sadomasochistische context wordt geplaatst, al schuilt er (het zij gezegd) in sommige beelden die dit boek bevat beslist iets van een sintsebastianeske homo-erotiek.

De esthetiek van Pijn in het peloton is veelomvattender en autonomer, zo groot als het leven zelf.

vdh9789029510578.jpg

[*Deze tekst sprak ik uit bij de presentatie van Pijn in het peloton in de Verkadefabriek in Den Bosch op zondag 3 juni. De middag werd gepresenteerd door Bert Wagendorp. Op het podium sprak hij behalve met de auteurs en de uitgever ook met vier mensen die de auteurs voor hun boek uitvoerig interviewden: Lucien de Louw, Marieke van Wanroij, Maarten Ducrot en Alex Roeka, die ook een aantal van zijn wielerliederen ten gehore bracht. Het boek is tevens een ode aan alle gevallen (en anderszins geblesseerd geraakte) wielrenners. Ik droeg mijn eigen exemplaar op (en daarmee over) aan mijn vriend Wout Heslinga, die begin mei zeer zwaar ten val kwam en inmiddels werkt aan een (misschien langdurige maar hopelijke succesvolle) revalidatie.]

Een plant geteeld ver van Holland. Over A.H.J. Dautzenberg, ‘Ik bestaat uit twee letters’

Zaterdag 19 mei werd op het Pancratiusplein in Heerlen in café Pelt het nieuwe immense boek van A.H.J. Dautzenberg, Ik bestaat uit twee letters (nummer 298), gepresenteerd. Met een programma waarin dj Westoning Boy, Merlijn Huntjes (stadsdichter van Heerlen), Sander Blom (uitgever Contact die het simultaan ter gelegenheid van Dautzenbergs vijfstigste verjaardag verschenen Vijftig verhalen lanceerde), Anton Dautzenberg zelf, Gerbrand Bakker (die hem interviewde) en de snoeiharde, experimentele metalband Beton Fraktion een aandeel hadden. Zelf kreeg ik in dat programma vijf minuten om iets te komen vertellen over Ik bestaat uit twee letters. Ik vond dat wat weinig. En wel hierom:

Vijf minuten, Anton?
Krijg ik vijf minuten voor een toespraak?
Vijf minuten voor een aubade over die Privé-domein van je die – het woord aubade impliceert het al – toch niet al te zuinig mag uitvallen?
Vijf lullige minuutjes om iets steekhoudends te zeggen over Ik bestaat uit twee letters?

Wacht even hè, dat zijn driehonderd seconden, Anton. Driehonderd seconden voor een boek van (wat was het ook al weer) 210.000 woorden. Of – als dat indrukwekkender klinkt – 720 bladzijden. En die 210.000 woorden dan dus gedeeld door 300 seconden. Dan hebben we het over 700 woorden per seconde. Kan je net zo goed proberen een giraffe in een lucifersdoosje te schuiven. Gaat ook niet lukken.

ecc15ab7-8f15-4903-b10d-8bf643c76df3

Wat zeg je? Dat je er toch (wat was het ook al weer) zo’n 100.000 woorden uit geschrapt hebt en aldus een boek van 1100 bladzijden hebt voorkomen. Ja, wrijf dat er maar lekker in. Die heb ik godmiljaar ook nog allemaal gelezen. Dat was – daar heb jij weer gelijk in – helemaal geen straf. Maar dat is het ‘m nou juist. Eigenlijk zou ik het daarover ook nog uitgebreid willen hebben, al zitten er flinke lappen bij die het daglicht niet kunnen velen en waarover het goed is te zwijgen als het graf. Gelukkig staat er nog ontzettend veel in waarover eigenlijk ook zou moeten worden gezwegen als het graf, controversieel en subversief als die passages zijn. Niemand snapt beter dan jij dat ik dit zeg om de lezers nieuwsgierig te maken.

Maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om die gierige vijf minuten. Die nietige driehonderd seconden om een boek van € 27,99 in samen te vatten. Nog geen dubbeltje per seconde. Dat is toch niks. Ja, ook bijna vóór niks – je hebt al weer gelijk. We moeten de potentiële kopers hongerig maken.

Vijf minuten geef je me, terwijl jij je een jaar lang, van 13 december 2016 tot en met 13 december 2017, hebt mogen uitleven om dit boek te schrijven. En dat heb je gedaan ook. Als een wilde! Over die Tilburgse cocon van je, dat gloppenhol zoals jij het noemt, waar je je wentelt in je gelukkige eenzaamheid en meters maakt, literaire meters, en waar je soms – als het jou beliefde – je teerbeminde (in de loop van dat jaar ineens je echtgenote) Maartje ontving en verder, op een vriend in geestelijke nood na, vrijwel niemand.

9557472f-9aa9-4c02-9b84-8ffcabe2ed9e

Vijf minuten om iets zinnigs te zeggen over de extensieve en veelvormige reconstructie van een doorgaans gelukkige jeugd in de Limburgse Mijnstreek. Over je ouders: een springlevende, volop aanwezige moeder en een betreurde dode vader die zich niettemin laat horen als zat hij naast je. Over een broer (een tweelingbroer – je bent de vijf minuten jongere van tswei jöngsjer) bij wie je in de loop van dat jaar tijdelijk intrekt. Over je neefjes over wie je je ontfermt als Donald Duck over Kwik, Kwek en Kwak. En nu we het daar toch over hebben: over het blad Donald Duck, waarop je al tientallen jaren geabonneerd bent en waarvan je alle afleveringen recenseert in je dagboek. Je bent zo’n groot fan dat je zelfs je eigen Donald Duck-strips hebt gemaakt, speciaal voor Ik bestaat uit twee letters, met (voor alle duidelijkheid) eigen teksten.

Vijf minuten voor al de gelezen boeken waarover je verslag doet, voor je lange brieven aan Gerbrand Bakker, Ted van Lieshout en tutti quanti en de stapels ontmoetingen, ervaringen, herinneringen en anekdotes uit en over het literaire leven. Over de Limburgse Tachtiger Frans Erens, afkomstig uit Schaesberg, en auteur van een andere titel (Vervlogen jaren) uit de reeks Privé-domein: ‘Ik ben een plant geteeld ver van Holland, in het Zuiden van Limburg, dicht bij de Duitsche grens’. Over de voormalige uitgever en dichter Theo Sontrop, over wiens begrafenis op Vlieland gedetailleerd verslag wordt gedaan. Over Marcel Möring, het Boekenbal, Oek de Jong, Michail Zosjtsjenko en Maartje Wortel. En over optredens her en der en over het aanhoudend belabberde literair-economische leven van jou, Anton, en van je schrijvende lotgenoten in het letterenriool.

c8b57dca-d111-4bed-aa8d-23880f165464

Vijf minuten om zelfs maar iets te kunnen aanstippen over die eindeloze filmmarathonsessies van je, je exploraties van je favoriete muziekgenre, heavy metal (‘Mijn leven is meer verankerd met muziek dan met literatuur of film’), je uitweidingen over voetbal als gematigd Roda JC-aanhanger, maar ook over je eigen voetbalverleden, dat beslist niet zonder talent moet zijn geweest, zij het dat broer Hub over nog meer talent beschikte.

Een miezierige vijf minuutjes, die al om zijn als je een deuntje fluit op weg naar de bakker, voor al je terzijdes over de politieke werkelijkheid, de terreur in de wereld, over vrienden in nood, gekken op straat, heibel met diverse instanties, poepvlekken, soep koken, snooker kijken. Over de Quiet 500 (een initiatief waarvoor men je niet hoog genoeg kan prijzen) over Martijn.

Vijf minuten voor een serieus en pijnlijk onderzoek naar het oorlogsverleden van je grootouders, voor al je angsten, evenwichtsstoornissen en depressies, je euforie en je geilheid, je perioden van stabiliteit en je aanhoudende werkkracht, Rolduc, Diederik Stapel, vakanties naar Rome, Malta (met gewaagd schrijfexperiment!), de Provence en Vlieland, en een werkverblijf te Bergen in Noord-Holland in het spookhuisje van Adriaan Roland Holst alwaar die onthutsende, ongemakkelijke ontmoeting met Prof. dr. Wiel Kusters.

Vijf minuten voor al jouw excursies in de sneeuw van weleer, zwervend in de oude biotoop langs lieux de mémoire: ‘Het danscafé bestaat al lang niet meer, maar er blijkt maandelijks een Femina-avond te worden georganiseerd in de Heerlense kroeg Pelt. Ik ga een kijkje nemen. Ik ben benieuwd of ik oude bekenden zie, en zo ja, hoe we op elkaar reageren. Love, love will tear us apart again.

Dan zijn we, weten de kenners, aanbeland bij Joy Division, de new wave band uit begin jaren tachtig met die navrante naamsverwijzing. Het is zoveel, Anton, het is zoveel. Het is, dat realiseert de lezer zich in de sleutelpassages, een aangrijpend organisch geheel. Maar in vijf minuten kan ik dit imposante boek alleen maar tekortdoen en versplintert het tot een berg lemma’s uit een encyclopedie.

Vijf minuten, Anton? Mijn ik bestaat ook uit twee letters, al zijn het misschien twee heel andere. Vijf minuten, daar kan ik niet aan beginnen. Geef mijn portie maar aan Fikkie. Ik geef je hier mijn opdracht terug.

2995b5fc-795b-4a68-8b7e-b2d6f4775e52

vdh9789029524117

 

Amerika als nieuw begin. Over Björn Soenens, ‘Dagen zonder Trump. Berichten uit Amerika’

Sinds begin 2017 woont en werkt Björn Soenens, Amerika-correspondent van de VRT, in de Verenigde Staten. Over zijn ervaringen als nieuwe Amerikaan schreef hij een boek voor de lancering waarvan hij eind april en begin mei een poos terug was in de Lage Landen. De boekpresentatie in Gent was in de Kopergietery. Björn Soenens las er voor uit zijn nieuwe boek, Geert Verdickt (Buurman) bracht compatiebele muziek ten gehore en ik leidde de avond. Ongeveer met de woorden hieronder.

IMG_2867

Het mooiste boek over Amerika – en de etiquette van de lofredenaar dicteert dat ik zeg: tot vandaag dan, met de verschijning van Dagen zonder Trump van Björn Soenens  – is een roman (een verzinsel dus), geschreven door iemand die nooit een voet in Amerika heeft gezet. Ik heb het over Franz Kafka’s Der Verschollene, in het Nederlands (en trouwens ook in het Duits) verschenen onder de zakelijke titel Amerika omdat Kafka’s vriend en zelfbenoemd literair erfgenaam Max Brod het zo noemde.

Het is ook een zeer passende titel want Amerika – deze Unvollendete – valt te lezen als een onderzoek (nogmaals: volstrekt hypothetisch) naar hoe het zou kunnen voelen om alleen aan te spoelen in dit onmetelijke en ook in de verbeelding van veel emigranten uit die tijd (we hebben over de eerste decennia van de vorige eeuw) zowel ruimtelijk als qua ontplooiingsmogelijkheden onbegrensde land. Amerika toont de culture shock die de aankomst en de verkenning van dat nieuwe land teweegbrengt bij de zeventienjarige Karl Rossmann. Die aankomst begint voor  hem (zoals voor vrijwel alle emigranten uit die tijd) in New York, preciezer gezegd op Ellis Island. Dat wordt niet met name genoemd, maar Karl ziet het beeld van de vrijheidsgodin als zijn schip de haven binnenvaart. De jongen is door zijn onbemiddelde vader in Hamburg op de boot naar Amerika gezet omdat hij een dienstmeisje heeft bezwangerd. Zijn emigratie is dus ook een vorm van verbanning, maar Rossmann beleeft die culture shock even laconiek als onthecht. De fijngevoelige lezer echter voelt de onderhuidse pijn van de ontheemde jongen en de schuld die tot zijn gedwongen vertrek heeft geleid. Maar de lezer voelt ook het avontuur van het volkomen nieuwe en de ervaring van het soort vrijheid dat dicht in de buurt komt van Janis Joplins ‘Freedom’s just another word for nothin’ left to lose’. Rossmann, zo heet het dan, zoekt een nieuwe bestemming en ook een soort nieuwe vader, maar erg verbeten doet hij dat niet. Die zoektocht begint weliswaar in New York, in het ondoorgrondelijke, hectische stadsgewoel maar leidt steeds verder landinwaarts, eerst naar een landhuis in de omgeving van New York, dan richting Butterford (op twee dagreizen van New York) en vervolgens nog verder weg naar een oord waar Hotel Occidental ligt om gaandeweg into the great wide open een onzekere bestemming tegemoet te gaan in de Amerikaanse onmetelijkheid, zeker wanneer hij eenmaal wordt aangenomen voor  het Grote Theater van Oklahama [sic]. Dat het boek onvoltooid bleef, is eigenlijk heel toepasselijk.

Björn Soenens valt in allerlei opzichten moeilijk te vergelijken met de zeventienjarige Karl Rossmann. Hij werd vorig jaar niet door zijn vader naar Amerika gestuurd, en ook niet (al weet ik dat niet helemaal zeker) omdat hij een kind zou hebben verwekt bij een jonge vrouw. Hij is vermoedelijk ook met het vliegtuig gegaan en niet met een schip dat er een week over deed om zijn passagiers op Ellis Island van boord te laten gaan in een toestand van tijdelijke quarantaine. Björn Soenens was al vele malen, zij het voor kortere tijd, in Amerika geweest en kon zonder enige overdrijving Amerika-expert genoemd worden, al ruim voordat hij zich er metterwoon vestigde. Amerika-watcher was hij tot 2016 in combinatie met het hoofdredacteurschap van het Vlaamse televisiejournaal. Wie kent hem daar niet van. In de trein op weg hierheen legde ik Dagen zonder Trump vanmiddag even op het tafeltje voor me om nog een paar aantekeningen te maken. Ineens een stem achter me. De conducteur. ‘Allez, is het er al?! Ik hoorde hem er gisteravond op de radio over praten.’

‘Wat Soenens niet weet van Amerika kun je op de achterkant van een postzegel schrijven,’ citeren we Johan Depoortere, de voormalige VRT-correspondent in Washington op het achterplat van dit boek. Maar veel weten over Amerika is nog iets heel anders dan de ervaring van het Amerikaan-zijn met de Amerikanen (wat vanuit de melting pot-gedachte per definitie een ongrijpbaar iets is). Naar die ervaring verlangde Soenens zo hevig dat hij er begin 2017 met zijn geliefde ging wonen. En hij streek neer (net als Karl Rossmann en zovele miljoenen anderen) in New York. Of nee: eigenlijk juist niet in New York. New York was, ten tijde van Rossmann, nog wat we nu Manhattan noemen. Kafka schrijft: ‘De brug die New York met Boston verbindt hing ijl over de Hudson en leek te gaan trillen als ze hun ogen dichtknepen.’ Dat was inderdaad een fata morgana en een vergissing. Kafka bedoelde met Boston natuurlijk Brooklyn, en vandaaruit (Soenens woont er nog steeds: op de cover treffen we hem aan, staande op een hoek van Washington Avenue) is hij begonnen met zijn gevoelsexploratie van Amerika.

Het is natuurlijk onmogelijk alle kennis, ervaringen en beelden (tv-beelden!) die Björn Soenens de afgelopen tientallen jaren over Amerika heeft opgeslagen te vergeten. ‘Ik heb een intense verhouding met Amerika. Het is een langdurige affaire,’ schrijft hij in de inleiding van zijn boek. En toch is dat een beetje zijn ambitie geweest toen hij vanuit Brooklyn verslag begon te doen en de blogteksten begon te schrijven waarop dit schitterende boek gebaseerd is: Amerika tegemoet treden met de onbevangenheid en argeloosheid waarmee Karl Rossmann het land leerde kennen, heel bewust op zoek naar datzelfde aangename, zacht weeë gevoel van ontheemding. Maar algauw komt hij erachter dat hij die onbevangenheid helemaal niet hoeft te spelen. Ook voor hem blijkt Amerika nog steeds een grote ontdekkingstocht. Hij valt van de ene in de andere verbazing (over alledaagse bureaucratie, over de nachtrechtbank van New York, over de graduates van Brooklyn College) leert de ene na de andere bijzondere mens kennen (in de eerste plaats zijn buurtgenoten, die hem inmiddels herkennen als de garbage man vanwege Björns onbedwingbare neiging een paar keer per dag al het vuilnis van de stoep te rapen en in de vuilnisbak te kieperen) en van de ene illusie in de andere desillusie: over het eetgedrag van de doorsnee-Amerikaan en de obese mensheid die dat oplevert alsook – door het hele boek heen – over de sociale en raciale segregatie die, voor wie goed kijkt, alomtegenwoordig is. En net als Karl Rossmann trekt Björn Soenens op een gegeven moment de binnenlanden in. Maar anders dan schrijver dezes die vorige zomer een paar weken met zijn gezin in New York en omstreken verbleef (ook in Brooklyn, Macon Street, niet heel ver van waar Soenens woont) trekt Soenens niet noordwaarts langs de Oostkust naar de relatieve rijkdom en luxe van Cape Cod, Boston en de Catskill Mountains, maar zuidelijk en zuidwestelijk richting de Appalachen, naar East Ridge, Tennessee in het spoor van een mobiele kliniek en dus in het schuimende kielzog van zieke en ongezonde Amerikanen (en het falende ziekteverzekeringssyssteem in Amerika) of naar Gatlinburg in de Smoky Mountains om voornamelijk uitzichtloze blanke armoede (denigrerend white trash genoemd) op heterdaad te betrappen. Uit die stukken spreekt een enorm gevoel van betrokkenheid en mededogen en ook van ingehouden woede.

Dat kan Trump nu eens niet direct in de schoenen geschoven worden. Die ellende bestond al. Maar het is natuurlijk veelzeggend dat Björn Soenens met zijn verkenning van Amerika begon op het moment dat The Donald onbehouwen met de scepter begon te zwaaien. Ook tot zijn frustratie, maar Soenens schrijft er genuanceerd over en legt de verantwoordelijkheid voor het aan de macht komen van Trump voor een deel ook bij zijn collega’s van de Amerikaanse media. Hij wijdt in drie korte stukken het eerste part van zijn boek aan Trump om hem vervolgens resoluut en tamelijk effectief te vergeten. Dit boek heet niet voor niks Dagen zonder Trump. Het is heerlijk om dagen zonder Trump te hebben. Ook daarom is dit boek een verademing.

vdh9789029523875

De wereld vereenvoudigen met blomrijke vunzigheid. Over Onno Blom, ‘Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers’

Vorige week werd bij boekhandel Kooyker in Leiden, in aanwezigheid van Karina Wolkers en een zeventigtal andere gasten, het nieuwe boek van Onno Blom gepresenteerd. Memoires van een biograaf, verschenen in de reeks Privé-domein, handelt over de periode van ruim tien jaar waarin hij aan zijn biografie van Jan Wolkers werkte. Een herdruk is inmiddels al ingezet. Het is dan ook een heel smeuïg boek. Hieronder de woorden door mij in Leiden gesproken.

Een leven van circa 30.000 dagen en een oeuvre van – ruw geschat – 3 miljoen woorden condenseren in een boek van 1100 bladzijden. Dat is wat Onno Blom gedaan heeft in Het litteken van de dood, zijn roemruchte biografie van Jan Wolkers. Vervolgens de biografie van 400.000 woorden transsubstantiëren in een autobiografie die hooguit 16% daarvan beslaat. Die reductie is Blom gelukt in wat Privé-domein nummer 299 is geworden: Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers, een autobiografie over het schrijven van een biografie. En dan nu aan mij de schone taak om die 65.000 woorden te comprimeren tot iets houtsnijdends van ongeveer 1000 woorden over de ontstaansgeschiedenis van de autobiografie over het schrijven van een biografie.

Wat zijn we hier aan het doen? We zijn de wereld aan het vereenvoudigen.  Zoals, aldus Koos van Zomeren, een sperwer dat doet door, zijn prooi verslindend, van twee vogels er een te maken, zo vereenvoudigt de schrijvende mens de wereld door die samen te vatten en te ontleden. Onno zelf aan het begin van deze memoires: ‘Is het toeval dat het vak van biograaf wordt vergeleken met dat van de patholoog-anatoom?’

Goed. De wordingsgeschiedenis dus van dit deel uit de reeks Privé-domein. Dat autobiografische vereenvoudigingsidee kreeg Onno al toen hij nog maar koud begonnen was aan zijn Wolkers-project, aan wat hij ‘de opdracht van zijn leven’ heeft genoemd. Ergens op de eerste bladzijden van zijn boek staat: ‘Vanaf het moment dat ik met Wolkers overeenkwam dat ik zijn biografie zou schrijven, 26 september 2006, heb ik geregeld korte aantekeningen gemaakt – en daar ben ik tot de dag van vandaag niet mee gestopt.’ Hij legde zijn plan voor aan Lex Jansen, destijds uitgever bij De Arbeiderspers, en die was enthousiast genoeg om er Onno een contract voor aan te bieden. Al gauw kwam daar nog een podium bij (want ja, in huize Blom moet de schoorsteen ook roken): ‘Vanaf 14 oktober 2015 begon ik “memoires” van een biograaf, gebaseerd op mijn notities, wekelijks te publiceren in de Volkskrant.’

Blom, Onno - Memoires van een biograaf - Cover

Welnu, die Volkskrant-columns – daarover geen enkel misverstand – vormen het solide fundament van dit boek. Wat beslist niet wil zeggen – haast ik me eraan toe te voegen – dat dit domweg een bundeling is van die columns. Want aan die krantenstukken is nog naarstig geslepen en zijn nog flinke lappen toegevoegd. Wat levert dat op? In elk geval een excellent geschreven boek. Op basis van de notities die Onno maakte ontstond een tekst waaruit blijkt hoe zijn leven noodgedwongen, maar niet noodzakelijk à contrecoeur, verweven raakte met dat van Wolkers. Tot in zijn dromen toe. Het is een eerlijke, intieme, sprankelende en soms om je te bescheuren zo geestige kroniek geworden.

Dit boek bevat te veel om op te noemen. Toch een paar voorbeelden. Er staat een verhaal in over hoe de elfjarige Onno Jan Wolkers voor de eerste keer ontmoet in een boek. Er staat een verhaal in over hoe hij hem voor de eerste keer in levenden lijve ontmoet, op de Leidse markt in de lente van 2004. Er staan diverse verhalen in over het jaar, aanleunend tegen zijn dood, waarin Onno Jan bijna dagelijks sprak; over het zeer intensieve contact met Karina Wolkers in de jaren na Jans dood of over de levenslange angst van Maarten ’t Hart om door Jan Wolkers in elkaar geslagen te worden. ‘t Hart had zich de oudtestamentische woede van Wolkers op de hals had gehaald nadat hij in NRC/Handelsblad de roman De kus had afgedaan als afkomstig van een schrijver die ‘men misschien nog het beste kan omschrijven als de André van Duin van de Nederlandse literatuur getuige ook het soort stompzinnige moppen.’ Er staan tal van dit soort smeuïge passages in dit boek, alle te maken hebbend met belevenissen van Onno zelf tijdens zijn langdurige Wolkers-engagement of met gebeurtenissen uit Wolkers leven zelf die om wat reden ook geen plek in de biografie hebben gekregen.

Bij dat alles springt ten slotte één consistentie zeer in het oog. Memoires van een biograaf is volgestouwd met een lading smerigheid en vuilspuiterij waaraan Ilja Leonard Pfeijffer zelfs in Het grote baggerboek nog een ranzig puntje kan zuigen. Onno verdedigt zich daarvoor door ergens op te merken dat zijn métier qualitate qua vuil werk genereert: ‘Als biograaf ben je een strontvlieg die zich moet voeden met wat zijn held heeft achtergelaten.’ De snotjes bijvoorbeeld die de vader van Olga in Turks fruit onder zijn stoel draait. En daar wordt dan omstandig het historisch waarheidsgehalte van uitgevogeld. Of de kunstopvattingen van Wolkers erbij halen om al die vunzigheid te verklaren: ‘“Beeldende kunst is verkapte viezigheid, daar valt niet aan te tornen,” beweerde Wolkers in een essay. “Al dat liederlijke geveeg en gesmeer over het maagdelijke linnen en dat geklonter in de klei moet wel geworteld zijn in de anaal-erotische periode. Van de broek naar het doek.”’

We zijn lang geneigd te denken dat het allemaal de schuld is van Jan Wolkers – die preoccupatie in dit boek met de drekkige kanten van het bestaan. Maar op den duur is de conclusie toch onontkoombaar dat dr. Blom ook zelf nogal stevig heeft doorgeleerd in de wetenschap van het viezentisme. Hij schrijft het net iets te verlustigd op. Toen ik afgelopen zaterdag de Volkskrant doornam en in de bijlage Sir Edmund stuitte op een nieuwe bijdrage van Onno (een interview met P.F. Thomése naar aanleiding van zijn nieuwste boek Ik, J. Kessels) was ik er helemaal zeker van. De vette kop boven dat interview: ‘Stront, seks, foute grappen’. Ik moet schoorvoetend toegeven: bij mij is hij met die gore praatjes aan het goede adres. Vrij naar Keats: ‘A dirty mind is a joy forever’. Maar ook met een iets minder dirty mind moet men met dit boek danig aan zijn trekken kunnen komen. Ik voorspel: wie aan dit boek geen plezier beleeft, zal van zijn levensdagen geen plezier meer hebben.

Het plezier waarmee Blom zelf dit boek heeft geschreven strooit hij gul uit over elke pagina, en trouwens niet alleen in de meer schunnige fragmenten: ‘Als Jezus Christus had gevoetbald, al was het maar in het tweede van Bethlehem of bij de sabbatmiddagamateurs, dan was het Jan Wolkers door zijn vader nooit verboden geweest om op zondag te neuzen van zijn schoenen kaal te trappen tegen een bal.’ En zo kon ik nog wel even doorgaan als ik de grens van 1000 woorden inmiddels niet allang gepasseerd was. Mijn vereenvoudiging zit erop.

‘Took me a while to learn the good words.’ – Te voorschijn springt een onverschrokken dichter. Over ‘Habitus’, de debuutbundel van Radna Fabias

Vandaag is de conclusie gerechtvaardigd dat ik op 27 april 2016 een niet volslagen onbeduidende mail heb verstuurd: ‘Onze dichter Hester Knibbe maakte ons attent op uw poëzie. Ik las uw (als ik dat zo mag zeggen) ‘peren’-gedicht en vond dat erg goed. U hebt ongetwijfeld (zijnde de winnaar van de poëziewedstrijd in Oostende) meer werk liggen. Zou u dat ter beoordeling kunnen of willen opsturen naar De Arbeiderspers?’ Het antwoord van Radna Fabias, een week later, was ingehouden en zakelijk: ‘Bedankt voor uw interesse. Ik ga daar graag op in. Ik zou u mijn nieuwste werk ter beoordeling willen opsturen. Binnen welke termijn wenst u dit te ontvangen? Ik hoor graag van u hoeveel tijd ik heb om te schaven.’ Blij met dat bericht reageerde ik terstond: ‘Dank dat u wilt ingaan op mijn suggestie. Dat doet mij veel plezier. Ik zou bijna zeggen: ik geef u alle tijd. Maar dat is misschien niet slim. Daarom: zou u voor of rond het begin van de zomervakantie iets kunnen sturen?’ Heel die mailwisseling geschiedde aanvankelijk op formele toon, waarbij we elkaar mevrouwden en meneerden.

Ik had me vanwege dat in Oostende bekroonde gedicht, getiteld ‘gieser wildeman’, ook al een bepaalde voorstelling gemaakt van de dichter. Ik stelde me een vrouw voor van middelbare leeftijd, een bedeesde, door enkele ongelukkige liefdes wat vereenzaamde dame van (ingegeven door haar voornaam) hindoestaanse komaf, wonende in een buitenwijk van Eindhoven. Waar ik die laatste notie vandaan heb gehaald is me achteraf gezien een raadsel. Hoe dan ook: ik had toen al beter moeten weten, want ‘gieser wildeman’ – als je dat gedicht goed leest…

ik ben een vrouw
dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik ben helaas het vocht.

En:

een man
is geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek
een man is geen wapen geen hobby

een man is geen hobby
een man is een hobby
een man is geen hobby

Het is dus eigenlijk, en niet eens tussen twee haakjes, al een subversieve daad dat ik – man (en daarmee vertegenwoordiger van dat deel der mensheid dat bepaald geen hobby is) – u hier sta toe te spreken. Ik verontschuldig me daar maar voor, want ik ben nog niet klaar.

Op 1 september 2016 schreef ik na ontvangst van twee reeksen: ‘Ik vond ze prachtig, beste Radna, vooral (om het zomaar te zeggen) ‘de mannencyclus’.  […] Ik zat te aarzelen of ik u om meer zou durven vragen en ik doe dat bij dezen!’ Maanden later, op 29 november 2016, ineens antwoord: ‘Wat fijn dat u ze prachtig vond. Dat is erg leuk om te lezen. En natuurlijk krijgt u meer werk.’ En inderdaad volgde er een nieuwe zending, poëzie die op de redactie van De Arbeiderspers unaniem sterk werd gevonden. Niet meer gedraald dus, en spoedig volgde dan ook de eerste ontmoeting (waarover zo meer) en een contract.

Radna_Diels_(c) Wouter le Duc_RVtot05102020kb
De bundel (Habitus geheten), zoals die uiteindelijk geworden is, opent weliswaar met een omvangrijke afdeling onder de titel ‘uitzicht met kokosnoot’, waarin gedichten die ontegenzeggelijk gesitueerd zijn in caribische contreien, maar schilderachtige poëzie kan je dit bepaald niet noemen. Er lijkt me weinig schilderachtigs aan:

de overreden zwerfhonden
de onder olie lekkende auto’s slapende zwerfhonden
de kogels die klinken als vuurwerk

En er is werkelijk niets pittoresks aan:

u kunt de kerken bezoeken die feitelijk dezelfde zijn als de kerken die u al kende
maar dan bontgekleurd om af te leiden
van de schaamte en het bloed op de muren

Ook in het gedicht ‘reisgids v’ wil het maar niet echt arcadisch worden:

golfresorts liggen als littekens in het natuurlijke landschap

rode mensen en zij die daarbij horen willen

worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende negers

En in een volgend gedicht staat:

de zon komt op boven het bloeiende tropische landschap maar elders
slaat iemand op een donkere parkeerplaats met een knuppel op de voorruit van een auto.

Lieflijk is anders.
Nee, schilderachtig is hooguit het ongebreidelde en overgeërfde arsenaal aan listigheden waarvan de ik (die hier ongetwijfeld een hele gemeenschap aan vrouwen vertegenwoordigt) zich kan bedienen om de man aan huis te binden:

waaronder vier brouwsels voor een strakkere kut
een recept voor blijf-hier-water
en een in de loop der jaren geactualiseerd boek met levensreddende instructies voor de weerloze deerne waarin ik lees:

je moet je man bewieroken als hij slaapt
als je niet verder dan de eikel komt, word je nooit zwanger en
de eerste drie centimeters leiden sowieso niet tot waardeverlies.

Ik kan zo nog even doorgaan, maar u wilt niet al het malse gras voor de voeten weggemaaid krijgen.

In elk geval had ik – u begrijpt dat inmiddels – mijn voorstelling van Radna, nog voor ik haar voor het eerst in levenden lijve ontmoette, al enigszins bijgesteld. Op zijn minst een stuk minder bedeesd en gedupeerd. Toen ze zich hier mei vorig jaar voor het eerst meldde stond er een ravissante behoorlijk jonge vrouw voor me. Tikkeltje verlegen, of misschien nog even op haar hoede, maar toch met iets prettig zelfbewusts en zelfrelativerends en – dat vooral – een twinkeling in de ogen die iets van ondeugd wilde uitstralen. In de vele mails die volgden kreeg onze correspondentie al gauw iets van een kwinkslagenfestival waarin scherts, ironie en sarcasme vaak de boventoon voeren. En meestal had Radna daarin dat het laatste woord, zoals ze ook straks het laatste woord zal hebben.

Een steekspelletje van begin deze week verliep bij voorbeeld als volgt:
Radna: ‘Jij haalt tuig in huis, wat wil je. (Emoticon met bendeteken.)’
Ik: ‘Wat wil je ook als je van De Arbeiderspers bent. Geteisem trekt geteisem!’

df.jpg

Radna: ‘Ik houd van geteisem.’
Ik: ‘Je snapt dat ik die bewaar voor mijn toespraak.’
Radna: ‘Nu heb ik spijt van alle slechte grappen die ik in onze correspondentie maakte.’
Ik: ‘Wees gerust: mijn gesel zal liefdevol op je neerdalen.’
Radna, dodelijk en zegevierend: ‘Is dat de openingszin uit Vijftig tinten grijs? Of een citaat uit een geschiedenisboek over een blauwogige meneer en zijn hardwerkende onderdanen?’

Alsof de grote norse neger uit het beroemde gedicht van Lucebert grinnikend in haar en op mij neerdaalde. Een daverende linkse directe. Démasqué en schaamte. We hebben nu besloten samen in relatietherapie te gaan.

Ik zei daarnet al dat ik niet blijf citeren uit deze poëzie omdat ik graag wil dat er veel ongerepts voor u te lezen overblijft. Wel wil ik er in algemene zin nog iets over zeggen. Deze bundel – Habitus van Radna Fabias – staat vol poëzie zoals je maar zelden poëzie zult hebben gelezen. En niet alleen vanwege het volstrekt eigen idioom waarin een volstrekt onderbelichte werkelijkheid wordt opgeroepen. Dit is poëzie die je overvalt vanuit een hinderlaag en soms is het ook poëzie die als een kalme panoramische golfslag naar je toe deint om je dan ineens te verrassen met een vloedgolf waarin je bijna verzuipt. Dit is verraderlijke poëzie van een nieuw stralend licht die je soms ademloos en blootgewoeld achterlaat. En ook dit is een poëzie vol kleine, ritselende revoluties die een wereld toont waarin schoonheid zijn gezicht heeft verbrand.

Een essay over identificatie, toeval en trots dat Radna onlangs schreef en voorlas op een avond over black feminist poetry opent met de veelzeggende woorden: ‘Took me a while to learn the good words’. Ik citeer daaruit deze naar mijn idee belangwekkende passage: ‘Ik zocht regels waarin zwarte vrouwen geen godinnen, maar zwarte vrouwen waren. En misschien moeten ze in de eerste plaats vooral mensen zijn. Eindige mensen, zoals elk andere mens. Feilbaar, zoals elk ander mens. Onderhevig aan leed en aftakeling en elke dag een stapje dichter bij de dood zoals elk ander mens. […] Nu zijn we hier. Mijn debuutbundel verschijnt binnenkort. Ik ben daar voorzichtig trots op. Ik heb er immers voor gewerkt. En de dichter die ik in de bundel gereflecteerd zie is voor een groot deel de dichter die ik wil zijn.’

Het is in elk geval ook een dichter die wij er graag bij wilden hebben. En dat dit met de verschijning van dit onverschrokken existentialistische debuut nu een feit is, is niet iets waar ik voorzichtig trots op ben maar stomweg apetrots, of zoals wij hier plegen te zeggen AP-trots.

vdh9789029523806.jpg

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑