Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Amerika als nieuw begin. Over Björn Soenens, ‘Dagen zonder Trump. Berichten uit Amerika’

Sinds begin 2017 woont en werkt Björn Soenens, Amerika-correspondent van de VRT, in de Verenigde Staten. Over zijn ervaringen als nieuwe Amerikaan schreef hij een boek voor de lancering waarvan hij eind april en begin mei een poos terug was in de Lage Landen. De boekpresentatie in Gent was in de Kopergietery. Björn Soenens las er voor uit zijn nieuwe boek, Geert Verdickt (Buurman) bracht compatiebele muziek ten gehore en ik leidde de avond. Ongeveer met de woorden hieronder.

IMG_2867

Het mooiste boek over Amerika – en de etiquette van de lofredenaar dicteert dat ik zeg: tot vandaag dan, met de verschijning van Dagen zonder Trump van Björn Soenens  – is een roman (een verzinsel dus), geschreven door iemand die nooit een voet in Amerika heeft gezet. Ik heb het over Franz Kafka’s Der Verschollene, in het Nederlands (en trouwens ook in het Duits) verschenen onder de zakelijke titel Amerika omdat Kafka’s vriend en zelfbenoemd literair erfgenaam Max Brod het zo noemde.

Het is ook een zeer passende titel want Amerika – deze Unvollendete – valt te lezen als een onderzoek (nogmaals: volstrekt hypothetisch) naar hoe het zou kunnen voelen om alleen aan te spoelen in dit onmetelijke en ook in de verbeelding van veel emigranten uit die tijd (we hebben over de eerste decennia van de vorige eeuw) zowel ruimtelijk als qua ontplooiingsmogelijkheden onbegrensde land. Amerika toont de culture shock die de aankomst en de verkenning van dat nieuwe land teweegbrengt bij de zeventienjarige Karl Rossmann. Die aankomst begint voor  hem (zoals voor vrijwel alle emigranten uit die tijd) in New York, preciezer gezegd op Ellis Island. Dat wordt niet met name genoemd, maar Karl ziet het beeld van de vrijheidsgodin als zijn schip de haven binnenvaart. De jongen is door zijn onbemiddelde vader in Hamburg op de boot naar Amerika gezet omdat hij een dienstmeisje heeft bezwangerd. Zijn emigratie is dus ook een vorm van verbanning, maar Rossmann beleeft die culture shock even laconiek als onthecht. De fijngevoelige lezer echter voelt de onderhuidse pijn van de ontheemde jongen en de schuld die tot zijn gedwongen vertrek heeft geleid. Maar de lezer voelt ook het avontuur van het volkomen nieuwe en de ervaring van het soort vrijheid dat dicht in de buurt komt van Janis Joplins ‘Freedom’s just another word for nothin’ left to lose’. Rossmann, zo heet het dan, zoekt een nieuwe bestemming en ook een soort nieuwe vader, maar erg verbeten doet hij dat niet. Die zoektocht begint weliswaar in New York, in het ondoorgrondelijke, hectische stadsgewoel maar leidt steeds verder landinwaarts, eerst naar een landhuis in de omgeving van New York, dan richting Butterford (op twee dagreizen van New York) en vervolgens nog verder weg naar een oord waar Hotel Occidental ligt om gaandeweg into the great wide open een onzekere bestemming tegemoet te gaan in de Amerikaanse onmetelijkheid, zeker wanneer hij eenmaal wordt aangenomen voor  het Grote Theater van Oklahama [sic]. Dat het boek onvoltooid bleef, is eigenlijk heel toepasselijk.

Björn Soenens valt in allerlei opzichten moeilijk te vergelijken met de zeventienjarige Karl Rossmann. Hij werd vorig jaar niet door zijn vader naar Amerika gestuurd, en ook niet (al weet ik dat niet helemaal zeker) omdat hij een kind zou hebben verwekt bij een jonge vrouw. Hij is vermoedelijk ook met het vliegtuig gegaan en niet met een schip dat er een week over deed om zijn passagiers op Ellis Island van boord te laten gaan in een toestand van tijdelijke quarantaine. Björn Soenens was al vele malen, zij het voor kortere tijd, in Amerika geweest en kon zonder enige overdrijving Amerika-expert genoemd worden, al ruim voordat hij zich er metterwoon vestigde. Amerika-watcher was hij tot 2016 in combinatie met het hoofdredacteurschap van het Vlaamse televisiejournaal. Wie kent hem daar niet van. In de trein op weg hierheen legde ik Dagen zonder Trump vanmiddag even op het tafeltje voor me om nog een paar aantekeningen te maken. Ineens een stem achter me. De conducteur. ‘Allez, is het er al?! Ik hoorde hem er gisteravond op de radio over praten.’

‘Wat Soenens niet weet van Amerika kun je op de achterkant van een postzegel schrijven,’ citeren we Johan Depoortere, de voormalige VRT-correspondent in Washington op het achterplat van dit boek. Maar veel weten over Amerika is nog iets heel anders dan de ervaring van het Amerikaan-zijn met de Amerikanen (wat vanuit de melting pot-gedachte per definitie een ongrijpbaar iets is). Naar die ervaring verlangde Soenens zo hevig dat hij er begin 2017 met zijn geliefde ging wonen. En hij streek neer (net als Karl Rossmann en zovele miljoenen anderen) in New York. Of nee: eigenlijk juist niet in New York. New York was, ten tijde van Rossmann, nog wat we nu Manhattan noemen. Kafka schrijft: ‘De brug die New York met Boston verbindt hing ijl over de Hudson en leek te gaan trillen als ze hun ogen dichtknepen.’ Dat was inderdaad een fata morgana en een vergissing. Kafka bedoelde met Boston natuurlijk Brooklyn, en vandaaruit (Soenens woont er nog steeds: op de cover treffen we hem aan, staande op een hoek van Washington Avenue) is hij begonnen met zijn gevoelsexploratie van Amerika.

Het is natuurlijk onmogelijk alle kennis, ervaringen en beelden (tv-beelden!) die Björn Soenens de afgelopen tientallen jaren over Amerika heeft opgeslagen te vergeten. ‘Ik heb een intense verhouding met Amerika. Het is een langdurige affaire,’ schrijft hij in de inleiding van zijn boek. En toch is dat een beetje zijn ambitie geweest toen hij vanuit Brooklyn verslag begon te doen en de blogteksten begon te schrijven waarop dit schitterende boek gebaseerd is: Amerika tegemoet treden met de onbevangenheid en argeloosheid waarmee Karl Rossmann het land leerde kennen, heel bewust op zoek naar datzelfde aangename, zacht weeë gevoel van ontheemding. Maar algauw komt hij erachter dat hij die onbevangenheid helemaal niet hoeft te spelen. Ook voor hem blijkt Amerika nog steeds een grote ontdekkingstocht. Hij valt van de ene in de andere verbazing (over alledaagse bureaucratie, over de nachtrechtbank van New York, over de graduates van Brooklyn College) leert de ene na de andere bijzondere mens kennen (in de eerste plaats zijn buurtgenoten, die hem inmiddels herkennen als de garbage man vanwege Björns onbedwingbare neiging een paar keer per dag al het vuilnis van de stoep te rapen en in de vuilnisbak te kieperen) en van de ene illusie in de andere desillusie: over het eetgedrag van de doorsnee-Amerikaan en de obese mensheid die dat oplevert alsook – door het hele boek heen – over de sociale en raciale segregatie die, voor wie goed kijkt, alomtegenwoordig is. En net als Karl Rossmann trekt Björn Soenens op een gegeven moment de binnenlanden in. Maar anders dan schrijver dezes die vorige zomer een paar weken met zijn gezin in New York en omstreken verbleef (ook in Brooklyn, Macon Street, niet heel ver van waar Soenens woont) trekt Soenens niet noordwaarts langs de Oostkust naar de relatieve rijkdom en luxe van Cape Cod, Boston en de Catskill Mountains, maar zuidelijk en zuidwestelijk richting de Appalachen, naar East Ridge, Tennessee in het spoor van een mobiele kliniek en dus in het schuimende kielzog van zieke en ongezonde Amerikanen (en het falende ziekteverzekeringssyssteem in Amerika) of naar Gatlinburg in de Smoky Mountains om voornamelijk uitzichtloze blanke armoede (denigrerend white trash genoemd) op heterdaad te betrappen. Uit die stukken spreekt een enorm gevoel van betrokkenheid en mededogen en ook van ingehouden woede.

Dat kan Trump nu eens niet direct in de schoenen geschoven worden. Die ellende bestond al. Maar het is natuurlijk veelzeggend dat Björn Soenens met zijn verkenning van Amerika begon op het moment dat The Donald onbehouwen met de scepter begon te zwaaien. Ook tot zijn frustratie, maar Soenens schrijft er genuanceerd over en legt de verantwoordelijkheid voor het aan de macht komen van Trump voor een deel ook bij zijn collega’s van de Amerikaanse media. Hij wijdt in drie korte stukken het eerste part van zijn boek aan Trump om hem vervolgens resoluut en tamelijk effectief te vergeten. Dit boek heet niet voor niks Dagen zonder Trump. Het is heerlijk om dagen zonder Trump te hebben. Ook daarom is dit boek een verademing.

vdh9789029523875

Advertenties

De wereld vereenvoudigen met blomrijke vunzigheid. Over Onno Blom, ‘Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers’

Vorige week werd bij boekhandel Kooyker in Leiden, in aanwezigheid van Karina Wolkers en een zeventigtal andere gasten, het nieuwe boek van Onno Blom gepresenteerd. Memoires van een biograaf, verschenen in de reeks Privé-domein, handelt over de periode van ruim tien jaar waarin hij aan zijn biografie van Jan Wolkers werkte. Een herdruk is inmiddels al ingezet. Het is dan ook een heel smeuïg boek. Hieronder de woorden door mij in Leiden gesproken.

Een leven van circa 30.000 dagen en een oeuvre van – ruw geschat – 3 miljoen woorden condenseren in een boek van 1100 bladzijden. Dat is wat Onno Blom gedaan heeft in Het litteken van de dood, zijn roemruchte biografie van Jan Wolkers. Vervolgens de biografie van 400.000 woorden transsubstantiëren in een autobiografie die hooguit 16% daarvan beslaat. Die reductie is Blom gelukt in wat Privé-domein nummer 299 is geworden: Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers, een autobiografie over het schrijven van een biografie. En dan nu aan mij de schone taak om die 65.000 woorden te comprimeren tot iets houtsnijdends van ongeveer 1000 woorden over de ontstaansgeschiedenis van de autobiografie over het schrijven van een biografie.

Wat zijn we hier aan het doen? We zijn de wereld aan het vereenvoudigen.  Zoals, aldus Koos van Zomeren, een sperwer dat doet door, zijn prooi verslindend, van twee vogels er een te maken, zo vereenvoudigt de schrijvende mens de wereld door die samen te vatten en te ontleden. Onno zelf aan het begin van deze memoires: ‘Is het toeval dat het vak van biograaf wordt vergeleken met dat van de patholoog-anatoom?’

Goed. De wordingsgeschiedenis dus van dit deel uit de reeks Privé-domein. Dat autobiografische vereenvoudigingsidee kreeg Onno al toen hij nog maar koud begonnen was aan zijn Wolkers-project, aan wat hij ‘de opdracht van zijn leven’ heeft genoemd. Ergens op de eerste bladzijden van zijn boek staat: ‘Vanaf het moment dat ik met Wolkers overeenkwam dat ik zijn biografie zou schrijven, 26 september 2006, heb ik geregeld korte aantekeningen gemaakt – en daar ben ik tot de dag van vandaag niet mee gestopt.’ Hij legde zijn plan voor aan Lex Jansen, destijds uitgever bij De Arbeiderspers, en die was enthousiast genoeg om er Onno een contract voor aan te bieden. Al gauw kwam daar nog een podium bij (want ja, in huize Blom moet de schoorsteen ook roken): ‘Vanaf 14 oktober 2015 begon ik “memoires” van een biograaf, gebaseerd op mijn notities, wekelijks te publiceren in de Volkskrant.’

Blom, Onno - Memoires van een biograaf - Cover

Welnu, die Volkskrant-columns – daarover geen enkel misverstand – vormen het solide fundament van dit boek. Wat beslist niet wil zeggen – haast ik me eraan toe te voegen – dat dit domweg een bundeling is van die columns. Want aan die krantenstukken is nog naarstig geslepen en zijn nog flinke lappen toegevoegd. Wat levert dat op? In elk geval een excellent geschreven boek. Op basis van de notities die Onno maakte ontstond een tekst waaruit blijkt hoe zijn leven noodgedwongen, maar niet noodzakelijk à contrecoeur, verweven raakte met dat van Wolkers. Tot in zijn dromen toe. Het is een eerlijke, intieme, sprankelende en soms om je te bescheuren zo geestige kroniek geworden.

Dit boek bevat te veel om op te noemen. Toch een paar voorbeelden. Er staat een verhaal in over hoe de elfjarige Onno Jan Wolkers voor de eerste keer ontmoet in een boek. Er staat een verhaal in over hoe hij hem voor de eerste keer in levenden lijve ontmoet, op de Leidse markt in de lente van 2004. Er staan diverse verhalen in over het jaar, aanleunend tegen zijn dood, waarin Onno Jan bijna dagelijks sprak; over het zeer intensieve contact met Karina Wolkers in de jaren na Jans dood of over de levenslange angst van Maarten ’t Hart om door Jan Wolkers in elkaar geslagen te worden. ‘t Hart had zich de oudtestamentische woede van Wolkers op de hals had gehaald nadat hij in NRC/Handelsblad de roman De kus had afgedaan als afkomstig van een schrijver die ‘men misschien nog het beste kan omschrijven als de André van Duin van de Nederlandse literatuur getuige ook het soort stompzinnige moppen.’ Er staan tal van dit soort smeuïge passages in dit boek, alle te maken hebbend met belevenissen van Onno zelf tijdens zijn langdurige Wolkers-engagement of met gebeurtenissen uit Wolkers leven zelf die om wat reden ook geen plek in de biografie hebben gekregen.

Bij dat alles springt ten slotte één consistentie zeer in het oog. Memoires van een biograaf is volgestouwd met een lading smerigheid en vuilspuiterij waaraan Ilja Leonard Pfeijffer zelfs in Het grote baggerboek nog een ranzig puntje kan zuigen. Onno verdedigt zich daarvoor door ergens op te merken dat zijn métier qualitate qua vuil werk genereert: ‘Als biograaf ben je een strontvlieg die zich moet voeden met wat zijn held heeft achtergelaten.’ De snotjes bijvoorbeeld die de vader van Olga in Turks fruit onder zijn stoel draait. En daar wordt dan omstandig het historisch waarheidsgehalte van uitgevogeld. Of de kunstopvattingen van Wolkers erbij halen om al die vunzigheid te verklaren: ‘“Beeldende kunst is verkapte viezigheid, daar valt niet aan te tornen,” beweerde Wolkers in een essay. “Al dat liederlijke geveeg en gesmeer over het maagdelijke linnen en dat geklonter in de klei moet wel geworteld zijn in de anaal-erotische periode. Van de broek naar het doek.”’

We zijn lang geneigd te denken dat het allemaal de schuld is van Jan Wolkers – die preoccupatie in dit boek met de drekkige kanten van het bestaan. Maar op den duur is de conclusie toch onontkoombaar dat dr. Blom ook zelf nogal stevig heeft doorgeleerd in de wetenschap van het viezentisme. Hij schrijft het net iets te verlustigd op. Toen ik afgelopen zaterdag de Volkskrant doornam en in de bijlage Sir Edmund stuitte op een nieuwe bijdrage van Onno (een interview met P.F. Thomése naar aanleiding van zijn nieuwste boek Ik, J. Kessels) was ik er helemaal zeker van. De vette kop boven dat interview: ‘Stront, seks, foute grappen’. Ik moet schoorvoetend toegeven: bij mij is hij met die gore praatjes aan het goede adres. Vrij naar Keats: ‘A dirty mind is a joy forever’. Maar ook met een iets minder dirty mind moet men met dit boek danig aan zijn trekken kunnen komen. Ik voorspel: wie aan dit boek geen plezier beleeft, zal van zijn levensdagen geen plezier meer hebben.

Het plezier waarmee Blom zelf dit boek heeft geschreven strooit hij gul uit over elke pagina, en trouwens niet alleen in de meer schunnige fragmenten: ‘Als Jezus Christus had gevoetbald, al was het maar in het tweede van Bethlehem of bij de sabbatmiddagamateurs, dan was het Jan Wolkers door zijn vader nooit verboden geweest om op zondag te neuzen van zijn schoenen kaal te trappen tegen een bal.’ En zo kon ik nog wel even doorgaan als ik de grens van 1000 woorden inmiddels niet allang gepasseerd was. Mijn vereenvoudiging zit erop.

‘Took me a while to learn the good words.’ – Te voorschijn springt een onverschrokken dichter. Over ‘Habitus’, de debuutbundel van Radna Fabias

Vandaag is de conclusie gerechtvaardigd dat ik op 27 april 2016 een niet volslagen onbeduidende mail heb verstuurd: ‘Onze dichter Hester Knibbe maakte ons attent op uw poëzie. Ik las uw (als ik dat zo mag zeggen) ‘peren’-gedicht en vond dat erg goed. U hebt ongetwijfeld (zijnde de winnaar van de poëziewedstrijd in Oostende) meer werk liggen. Zou u dat ter beoordeling kunnen of willen opsturen naar De Arbeiderspers?’ Het antwoord van Radna Fabias, een week later, was ingehouden en zakelijk: ‘Bedankt voor uw interesse. Ik ga daar graag op in. Ik zou u mijn nieuwste werk ter beoordeling willen opsturen. Binnen welke termijn wenst u dit te ontvangen? Ik hoor graag van u hoeveel tijd ik heb om te schaven.’ Blij met dat bericht reageerde ik terstond: ‘Dank dat u wilt ingaan op mijn suggestie. Dat doet mij veel plezier. Ik zou bijna zeggen: ik geef u alle tijd. Maar dat is misschien niet slim. Daarom: zou u voor of rond het begin van de zomervakantie iets kunnen sturen?’ Heel die mailwisseling geschiedde aanvankelijk op formele toon, waarbij we elkaar mevrouwden en meneerden.

Ik had me vanwege dat in Oostende bekroonde gedicht, getiteld ‘gieser wildeman’, ook al een bepaalde voorstelling gemaakt van de dichter. Ik stelde me een vrouw voor van middelbare leeftijd, een bedeesde, door enkele ongelukkige liefdes wat vereenzaamde dame van (ingegeven door haar voornaam) hindoestaanse komaf, wonende in een buitenwijk van Eindhoven. Waar ik die laatste notie vandaan heb gehaald is me achteraf gezien een raadsel. Hoe dan ook: ik had toen al beter moeten weten, want ‘gieser wildeman’ – als je dat gedicht goed leest…

ik ben een vrouw
dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik ben helaas het vocht.

En:

een man
is geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek
een man is geen wapen geen hobby

een man is geen hobby
een man is een hobby
een man is geen hobby

Het is dus eigenlijk, en niet eens tussen twee haakjes, al een subversieve daad dat ik – man (en daarmee vertegenwoordiger van dat deel der mensheid dat bepaald geen hobby is) – u hier sta toe te spreken. Ik verontschuldig me daar maar voor, want ik ben nog niet klaar.

Op 1 september 2016 schreef ik na ontvangst van twee reeksen: ‘Ik vond ze prachtig, beste Radna, vooral (om het zomaar te zeggen) ‘de mannencyclus’.  […] Ik zat te aarzelen of ik u om meer zou durven vragen en ik doe dat bij dezen!’ Maanden later, op 29 november 2016, ineens antwoord: ‘Wat fijn dat u ze prachtig vond. Dat is erg leuk om te lezen. En natuurlijk krijgt u meer werk.’ En inderdaad volgde er een nieuwe zending, poëzie die op de redactie van De Arbeiderspers unaniem sterk werd gevonden. Niet meer gedraald dus, en spoedig volgde dan ook de eerste ontmoeting (waarover zo meer) en een contract.

Radna_Diels_(c) Wouter le Duc_RVtot05102020kb
De bundel (Habitus geheten), zoals die uiteindelijk geworden is, opent weliswaar met een omvangrijke afdeling onder de titel ‘uitzicht met kokosnoot’, waarin gedichten die ontegenzeggelijk gesitueerd zijn in caribische contreien, maar schilderachtige poëzie kan je dit bepaald niet noemen. Er lijkt me weinig schilderachtigs aan:

de overreden zwerfhonden
de onder olie lekkende auto’s slapende zwerfhonden
de kogels die klinken als vuurwerk

En er is werkelijk niets pittoresks aan:

u kunt de kerken bezoeken die feitelijk dezelfde zijn als de kerken die u al kende
maar dan bontgekleurd om af te leiden
van de schaamte en het bloed op de muren

Ook in het gedicht ‘reisgids v’ wil het maar niet echt arcadisch worden:

golfresorts liggen als littekens in het natuurlijke landschap

rode mensen en zij die daarbij horen willen

worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende negers

En in een volgend gedicht staat:

de zon komt op boven het bloeiende tropische landschap maar elders
slaat iemand op een donkere parkeerplaats met een knuppel op de voorruit van een auto.

Lieflijk is anders.
Nee, schilderachtig is hooguit het ongebreidelde en overgeërfde arsenaal aan listigheden waarvan de ik (die hier ongetwijfeld een hele gemeenschap aan vrouwen vertegenwoordigt) zich kan bedienen om de man aan huis te binden:

waaronder vier brouwsels voor een strakkere kut
een recept voor blijf-hier-water
en een in de loop der jaren geactualiseerd boek met levensreddende instructies voor de weerloze deerne waarin ik lees:

je moet je man bewieroken als hij slaapt
als je niet verder dan de eikel komt, word je nooit zwanger en
de eerste drie centimeters leiden sowieso niet tot waardeverlies.

Ik kan zo nog even doorgaan, maar u wilt niet al het malse gras voor de voeten weggemaaid krijgen.

In elk geval had ik – u begrijpt dat inmiddels – mijn voorstelling van Radna, nog voor ik haar voor het eerst in levenden lijve ontmoette, al enigszins bijgesteld. Op zijn minst een stuk minder bedeesd en gedupeerd. Toen ze zich hier mei vorig jaar voor het eerst meldde stond er een ravissante behoorlijk jonge vrouw voor me. Tikkeltje verlegen, of misschien nog even op haar hoede, maar toch met iets prettig zelfbewusts en zelfrelativerends en – dat vooral – een twinkeling in de ogen die iets van ondeugd wilde uitstralen. In de vele mails die volgden kreeg onze correspondentie al gauw iets van een kwinkslagenfestival waarin scherts, ironie en sarcasme vaak de boventoon voeren. En meestal had Radna daarin dat het laatste woord, zoals ze ook straks het laatste woord zal hebben.

Een steekspelletje van begin deze week verliep bij voorbeeld als volgt:
Radna: ‘Jij haalt tuig in huis, wat wil je. (Emoticon met bendeteken.)’
Ik: ‘Wat wil je ook als je van De Arbeiderspers bent. Geteisem trekt geteisem!’

df.jpg

Radna: ‘Ik houd van geteisem.’
Ik: ‘Je snapt dat ik die bewaar voor mijn toespraak.’
Radna: ‘Nu heb ik spijt van alle slechte grappen die ik in onze correspondentie maakte.’
Ik: ‘Wees gerust: mijn gesel zal liefdevol op je neerdalen.’
Radna, dodelijk en zegevierend: ‘Is dat de openingszin uit Vijftig tinten grijs? Of een citaat uit een geschiedenisboek over een blauwogige meneer en zijn hardwerkende onderdanen?’

Alsof de grote norse neger uit het beroemde gedicht van Lucebert grinnikend in haar en op mij neerdaalde. Een daverende linkse directe. Démasqué en schaamte. We hebben nu besloten samen in relatietherapie te gaan.

Ik zei daarnet al dat ik niet blijf citeren uit deze poëzie omdat ik graag wil dat er veel ongerepts voor u te lezen overblijft. Wel wil ik er in algemene zin nog iets over zeggen. Deze bundel – Habitus van Radna Fabias – staat vol poëzie zoals je maar zelden poëzie zult hebben gelezen. En niet alleen vanwege het volstrekt eigen idioom waarin een volstrekt onderbelichte werkelijkheid wordt opgeroepen. Dit is poëzie die je overvalt vanuit een hinderlaag en soms is het ook poëzie die als een kalme panoramische golfslag naar je toe deint om je dan ineens te verrassen met een vloedgolf waarin je bijna verzuipt. Dit is verraderlijke poëzie van een nieuw stralend licht die je soms ademloos en blootgewoeld achterlaat. En ook dit is een poëzie vol kleine, ritselende revoluties die een wereld toont waarin schoonheid zijn gezicht heeft verbrand.

Een essay over identificatie, toeval en trots dat Radna onlangs schreef en voorlas op een avond over black feminist poetry opent met de veelzeggende woorden: ‘Took me a while to learn the good words’. Ik citeer daaruit deze naar mijn idee belangwekkende passage: ‘Ik zocht regels waarin zwarte vrouwen geen godinnen, maar zwarte vrouwen waren. En misschien moeten ze in de eerste plaats vooral mensen zijn. Eindige mensen, zoals elk andere mens. Feilbaar, zoals elk ander mens. Onderhevig aan leed en aftakeling en elke dag een stapje dichter bij de dood zoals elk ander mens. […] Nu zijn we hier. Mijn debuutbundel verschijnt binnenkort. Ik ben daar voorzichtig trots op. Ik heb er immers voor gewerkt. En de dichter die ik in de bundel gereflecteerd zie is voor een groot deel de dichter die ik wil zijn.’

Het is in elk geval ook een dichter die wij er graag bij wilden hebben. En dat dit met de verschijning van dit onverschrokken existentialistische debuut nu een feit is, is niet iets waar ik voorzichtig trots op ben maar stomweg apetrots, of zoals wij hier plegen te zeggen AP-trots.

vdh9789029523806.jpg

 

Witwassen wat gebroken is. Toespraak bij de presentatie van ‘Gebroken wit’, de nieuwe bundel van Victor Vroomkoning

Als er een Nijmeegse literaire maffia bestaat – en laat ik die bekentenis met gevaar voor eigen leven maar ogenblikkelijk doen: ik beschik over nauwelijks te weerleggen signalen dat ze bestaat aangezien deze organisatie zijn activiteiten sinds vele jaren heeft uitgebreid naar Amsterdam, en meer bepaald ook succesvol is geïnfiltreerd in de fondsen van De Arbeiderspers – dan kan het niet anders zijn dan dat het echtpaar Victor Vroomkoning en Stella Napels aan het hoofd staat van deze malafide onderneming. Dan kan het niet anders of – aangezien het in het geval van Vroomkoning en Napels om schuilnamen gaat – Walter van de Laar de Godfather is van deze invloedrijke en sinistere organisatie.

IMG_2691

Een dezer dagen, beste Nijmegenaren, zal Frouke Arns bij De Arbeiderspers een contract tekenen voor een over niet al te lange tijd te verschijnen dichtbundel. Het geval wil dat ik haar, ex-stadsdichter van uw fraaie stad, voor het eerst tegenkwam – ruim anderhalf jaar geleden – op de presentatie van de bundel Ergens slapen de anderen van Marijke Hanegraaf, een andere ex-stadsdichter uwer stad. Sinds die ontmoeting heeft Walter van de Laar bij herhaling geïnformeerd – ik gebruik een eufemisme – of dat geen aanwinst voor De Arbeiderspers zou zijn. Nu is Frouke Arns een schitterende dichter die zich ongetwijfeld ook zonder de Godfather diep bij ons in de kijker zou hebben gespeeld. Maar dat wil nog niet zeggen dat we zijn ogenschijnlijk luchtig en terloops gestelde vragen niet als dreigementen hebben opgevat. En over Marijke Hanegraaf gesproken. Ik heb lang de illusie gekoesterd dat ik die dichter geheel op eigen kracht had ontdekt, maar in de loop de jaren begon het me op te vallen dat bij werkelijk ieder evenement waar Hanegraaf een publieke rol had op de voor- of achtergrond ook Walter van de Laar aanwezig was.

Afgelopen donderdag greep Marije Langelaar met Vonkt net naast de winst in de laatste editie van wat wel de belangrijkste dichtersprijs genoemd wordt, de VSB Poëzieprijs. Jammer, want als ze die prijs wel in de wacht had gesleept, had dat een grand slam betekend. Voor datzelfde Vonkt had ze afgelopen zondag immers al de Jan Campert-prijs ontvangen en komende woensdag krijgt ze er de Awater-prijs voor, de prijs van de Groot-Nederlandse poëziekritiek. Toen ik laatst met haar een herinnering ophaalde aan de eerste keer dat ik haar, als een nog piepjonge dichter, had zien optreden waarbij ze zoveel indruk maakte dat ik na afloop meteen naar haar ben toegelopen met de uitnodiging om bij De Arbeiderspers een hele bundel met zulke gedichten te publiceren – het was helemaal aan het begin van deze eeuw, het was hier in Luxor – wees ze me terecht toen ik beweerde dat het om de presentatie van een bundel van Th. van Os ging. Ja, die had daar ook opgetreden die avond, verbeterde ze me, maar in werkelijkheid draaide alles om een nieuwe bundel – vermoedelijk Bij verstek – van, jawel hoor: Victor Vroomkoning alias Walter van de Laar alias de ongekroonde Karelkeizer van de Nijmeegse literaire underground. Ik weet niet hoeveel literaire troeven onze Vroomkoning nog in handen heeft maar ik zag voor vanmiddag alweer een optreden aangekondigd van Heidi Koren, een omineuze veelbelovende naam. We wachten geduldig af waartoe dat gaat leiden.

vdh9789029511681

Tot u spreekt – ten overvloede – Peter Nijssen, sinds lange tijd in dienst van De Arbeiderspers, sinds mensenheugenis de redacteur van eerst Stella Napels en algauw uitsluitend Victor Vroomkoning. Toen hun Overkoepelende Instantie mij vroeg of ik de inzegening van het nieuwe kindje van het echtpaar Vroomkoning-Napels (als ik niet al letterlijk citeer, parafraseer ik zeer getrouw) voor mijn rekening wilde nemen, stemde ik daarin onmiddellijk toe. Mijn spreekstalmeestersalter-ego Bisschop Zwijsen heeft (zeker ook op de feesten van Van de Laar) menigmaal de doopkwast of (als er wat meer satire gewenst was) de pleeborstel gehanteerd om wauwelend wijwater te sprenkelen. Ik liet weten dat ik er zou zijn en zalvende woorden zou spreken. Zalvende woorden, dat hoefde nou ook weer niet, reageerde Walter terstond. Nou, dan geen zalvende woorden, maar wat olie op het vuur dat we al in de doopvont hadden aangestoken.

Zoals het een echte Godfather betaamt oogst ook deze in de oudewijvenzomer van zijn leven niet alleen (zijn eigen) mooie woorden (die we – daarover zo meer – bijeengebracht hebben in een nieuw ensemble onder de titel Gebroken wit) maar ook nakomelingen in de tweede graad. Half november vorig jaar – de nieuwe bundel was zo goed als klaar om gedrukt te worden – schreef hij me:

IMG_2692

‘Het weekend ging op aan de viering van een nieuw kleinkind en stamhouder in Utrecht: Max van de Laar!’ Apetrots, zoals het een patriarch betaamt. Maar ook een patriarch die op zijn ouwe dag zijn zonden telt en bevangen raakt door regressieve bevliegingen van katholieke aandoening. Mail van een korte poos later: ‘Vanochtend een ouwerwetse Gregoriaanse mis (door Mgr. De Korte) bijgewoond; ik kon al die Latijnse liederen vlot meezingen (en dacht voortdurend aan mijn vader).’ Geen wonder dat zijn nieuwe bundel één veelbetekenende zetfout telt: het woord ‘misssaal’ met drie s’en! Dat noemen we alvast slijmen met Onze Lieve Heer: kijk eens, Almachtige Vader, hoe dik mijn kerkboek is en hoe katholiek ik ben. Die arglistig gemaakte fout gaan we voor de herdruk natuurlijk verbeteren. Dus spoedt u zo meteen naar de toonbank om een exemplaar met deze unieke drukfout te bemachtigen. Opdat u het na aanschaf meteen kunt opzoeken. De fout staat in ‘Zie ons aan’ en bevindt zich in de eerste strofe die ik nu voorlees:

Zie mij zitten met vijf melige appels
en twee beurse bananen. Mijn bril rust naast
het lint dat uit een goudomrand misssaal over de tafel rafelt.
Drie sansevieria’s versterven op de vensterbank
tegen de achtergrond van een slome sloot.

Als dat geen stilleven, geen vanitaskunst, is! En dan zijn we nog maar halverwege dat gedicht. In de wetenschap dat we te maken hebben met nieuw werk van een pater familias op leeftijd, terugkijkend op het leven, mijmerend over wat eindig is en komen zal, kan het niet verbazen dat deze nieuwe bundel, bij alle onverwoestbare vitalisme (getuige alleen al de toch weer rijkelijk presente erotisch gekleurde verzen), meer dan ooit in het teken staat van afscheid en vergankelijkheid, afbraak en gemis. Maar Vroomkoning zou Vroomkoning niet zijn als dat alles niet gepaard ging met veel humor, understatement en zelfspot.

Om dat te illustreren lees ik nog één kort gedicht, ‘Rimpels’, uit de nieuwe bundel:

Zegt een meisje tegen haar moeder:
‘Hij heeft wel veel rimpels.’
Antwoordt de moeder met wie ik sinds kort verkeer:
‘Moet je niet zeggen, vanmorgen,
naast me in bed sliep hij zo gaaf
als een jongen van achttien.’
‘Wil ik zien’ hoor ik dochterlief
tussen de schuifdeuren.
Mijn nieuwe liefde op geduldige toon:
‘Wacht maar tot hij in de kist ligt.
Je zult je ogen niet geloven.’

vdh9789029523622.jpg

En dan een korte brief om te eindigen.

Beste Walter,

Ik hoorde vorige week Ilja Leonard Pfeijffer op de presentatie van Waar geschreeuwd wordt is taal vacant – een mooi boekje over diens taal, geschreven door Marc van Oostendorp, taalkundehoogleraar in Nijmegen, en verschenen bij gelegenheid van Ilja’s vijftigste verjaardag – de woorden citeren die Ronald Reagan sprak bij de inauguratie van zijn tweede termijn: ‘You ain’t seen nothing yet!’ Jij, als pater familias van de Nijmeegse schrijversfamilie, zei nog wat anders. Je fluisterde me met hete hese adem Marlon Brando als Don Corleone (in de film The Godfather) citerend het volgende in de oren: ‘I am gonna make you an offer you can’t refuse.

En inderdaad Walter, dat mag ik niet weigeren. Dus ergens rond de komende jaarwisseling zal De Arbeiderspers ter gelegenheid van je aanstaande tachtigste verjaardag met een bloemlezing uit je werk komen: Tachtig voor tachtig.

Was getekend, je liefhebbende maffiamaatje, je gebroken witwasser

Peter Nijssen

*De presentatie vond plaats op zaterdag 27 januari bij Boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen. De burgemeester van Nijmegen, Hubert Bruls, nam het eerste exemplaar in ontvangst. Er waren optredens van dichter Heidi Koren en van Karel Bosman, vriend en vaste begeleider van wijlen Willem Wilmink, die als lied bewerkte teksten uit Mariken van Nieumeghen zong.

Een licht dat alles verheldert maar niets verklaart

Bij de dood van Paul Otchakovsky-Laurens (1944-2018)

tentije

Om en nabij is de vooralsnog laatste dichtbundel van Hans Tentije wiens oeuvre, grotendeels gewijd aan de poëzie, zondag 21 januari 2018 in Den Haag bekroond werd met de Constantijn Huygens-prijs. De omslagfoto van die bundel, zo lezen we in de verantwoording achterin, toont de bovenzaal van Hotel Reale te Asti, Italië. De lege, ouderwets ingerichte ruimte ademt met zijn auberginekleurig gecapitonneerde wanden, de met gesteven linnen overdekte ronde tafels omgeven door donkerbruine stoelen, zijn zware, vermoedelijk fluwelen gordijnen en de twee strepen zwak daglicht die daar doorheen vallen een sfeer van vergane glorie, nog versterkt door die titel – een van weemoed zacht zuchtende en knerpende titel. Om en nabij. Tentije (1944) las er, nadat hij de prijs in ontvangst had genomen, sonoor en breekbaar op cello begeleid door Ernst Reijseger, het laatste gedicht, ‘Van over zee’ geheten, uit voor. Ik citeer het hier in zijn geheel:

 

Een strijklicht dat zijn schaduwen uitstrekt

naar onbereikbaar geworden, al verwilderde plekken

om wat zich er ooit voltrokken heeft

en misschien nog steeds niet is gewist –

 

met de wolken wegdrijvende, weer te binnen

geschoten, willekeurige, grillige momenten, maar er is zoveel

horizon waarachter ze vervolgens

moeten verdwijnen, terwijl een afgelegen

landschap als dit ze zich zelfs

zou horen te herinneren

 

als het kijken eindelijk het vergeten inwilligt

zijn alle beelden teruggebracht

tot hun essentie, het onderhuidse waar elk woord, elk lied

immer uit voortgekomen is

 

in een van over zee, van over duinvalleien

en verstuivingen komend licht, dat alles verheldert

maar niets verklaart

 

Terwijl Tentije zijn gedicht voorlas dreven mijn gedachten weg naar de Franse uitgever Paul Otchakovsky-Laurens. Hij overleed op 2 januari, ver van huis en overzee, ten gevolge van een noodlottig verkeersongeval tijdens een vakantie in Marie-Galante op Guadeloupe. Hij was drieënzeventig jaar en van hetzelfde geboortejaar als Hans Tentije. Dat u lezer – er gemakshalve van uitgaande dat u een Nederlander of een Vlaming bent – hem niet kent (u hoort hierin een licht verwijt doorklinken) zou hém weinig hebben gedeerd. Paul streefde niet naar persoonlijke roem en was zeer onfrans in zijn bescheidenheid. Hij kwam zelfs enigszins timide over in het sociale verkeer. Ik heb hem tientallen malen ontmoet tussen najaar 1995 en afgelopen herfst, meestal op zijn paar vierkante meter in de stand waar de Franse literaire uitgevers zich op de Buchmesse in Frankfurt gemeenschappelijk presenteren of op zijn uitgeverij (P.O.L) aan de rue Saint-André-des-Arts in Parijs, in het kantoortje van (vroeger Frédéric Maria en nu al sinds vele jaren) Vibeke Madsen, die de buitenlandse rechten van P.O.L vertegenwoordigt. Daar schoof hij dan meestal na een kwartiertje ietwat aarzelend naar binnen met een espresso en (indertijd) een sigaret in de aanslag. Hij vulde schoorvoetend aan wat Vibeke over de nieuwe boeken te berde bracht, maar als hij eenmaal op stoom was gekomen, was er meestal geen houden meer aan. Dat alles speelde zich steevast af in een conversatie die afwisselend in het Engels (waarin ik mij iets bekwamer voelde) en het Frans (zijn talige comfortzone) geschiedde.

Paul Otchakovsky-Laurens raakte als éditeur bekend toen hij bij Hachette werkte waar hij een eigen reeks had onder de naam ‘Collection P.O.L’ en redacteur was van grootheden als Marguerite Duras en Georges Perec, van wie hij onder meer Het leven, een gebruiksaanwijzing uitgaf, een van de grote meesterwerken uit de twintigste-eeuwse literatuur. Getriggerd door de dood van zijn poulain Perec (1982) en geërgerd door de opgedreven rendementseisen van Hachette, richtte hij in 1983 uitgeverij P.O.L op. De letters vormen, voor wie het nog niet had opgemerkt, de initialen van zijn naam. In dat opzicht was hij dan weer zeer zelfbewust. Terecht, want ook onder volledig eigen vlag zijn onder zijn hoede schrijvers groot geworden. En enkele daarvan werden en worden door De Arbeiderspers uitgegeven: Emmanuel Carrère (zijn Sneeuwklas was een van mijn eerste buitenlandse acquisities), Robert Bober ( Nog nieuws over de oorlog?; Bober was primair documentairefilmmaker en heeft samen met Georges Perec een documentaire over Ellis Island gemaakt met een bijbehorend boek onder de titel Récits d’Ellis Island) en natuurlijk Marie Darrieussecq (auteur van onder andere Zeugzoenen, Je moet veel van mannen houden en Hier zijn is heerlijk, over de Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker). Maar er waren en zijn nog zoveel andere auteurs die bij hem een solide onderdak vonden. Paul was een uitgever met een zeer brede smaak (de auteurs die hij publiceerde vallen bepaald niet onder één literaire of politieke noemer te vatten), maar op dat brede terrein was hij met zijn fijne neus voor stilistische kwaliteiten en zijn hang naar idiosyncratische verbeeldingswerelden zeer kieskeurig.

 

PAUL
Paul Otchakovsky-Laurens (c) Editions P.O.L.

 

Ik heb heel wat door Paul gerecommandeerde boeken gelezen en zeer gewaardeerd die we toch niet hebben uitgegeven. Of preciezer – die ik, bij een gevreesd gebrek aan Nederlandstalige lezers, niet heb durven uitgeven, maar waarvan ik ook geen afstand heb kunnen doen: Acné festival van Iegor Gran, een groteske roman over een paleontoloog die paradoxaal genoeg door een promotie op zijn werk in een bureaucratische maalstroom terechtkomt die hem te gronde richt; La Gloire des Pythre van de reactionaire Richard Millet, een omvangrijke rurale roman, spelend in de verste uithoeken van het Centraal Massief, die reminiscenties oproept aan John Bergers trilogie De vrucht van hun arbeid; of La Traversée de la France à la nage van Pierre Patrolin, een krankjorum, kolossaal boek (is het wel een roman?) waarin de hoofdpersoon (een ik-figuur) zwemmend van rivier naar rivier heel Frankrijk doorkruist. Een ongekende leeservaring! Al die boeken staan nog steeds in mijn boekenkast. Paul was ook de uitgever van, op z’n minst in Frankrijk zeer gerenommeerde schrijvers als Jean Rolin, Martin Winckler, Leslie Kaplan, Frédéric Boyer, Atiq Rahimi, Camille Laurens, Christine Montalbetti, Patrick Lapeyre en dozijnen anderen.

Paul Otchakovsky-Laurens werd – ik ontleen deze kennis grotendeels aan de krantenberichten die in Frankrijk na zijn dood gepubliceerd werden – op 10 oktober 1944 geboren in Valréas (in de Vaucluse) als zoon van de joods-Franse, uit Bessarabië (in het huidige Moldavië) afkomstige kunstschilder Zelman Otchakovsky. Toen Paul nog maar drie maanden oud was overleed zijn vader aan de gevolgen van een hartaanval en vertrouwde zijn moeder, een lerares Frans en klassieke talen, hem toe aan de zorg van een nicht, Berthe Laurens, wier achternaam hij adopteerde en toevoegde aan zijn eigen naam. Dat klinkt als een prille jeugd die ernstige en onuitwisbare schroeiplekken op de ziel moet hebben achtergelaten. Paul ontwikkelde zich (zoals het een uitgever in hart en nieren betaamt) in de allereerste plaats als een lezer, een verwoed lezer, een welhaast maniakale lezer. Er zijn foto’s waarop hij met een hele stapel manuscripten op schoot zit. Ik zag een filmpje waarin de karrevrachten aan hem gezonden manuscripten maltentig geordend op planken staan als betrof het een kostbare bibliotheek. In diverse berichten in Franse media naar aanleiding van zijn overlijden werd gememoreerd dat Paul in een interview in Le Monde afgelopen november heeft gezegd dat lezen (en vervolgens het uitgeven van boeken) in zekere zin zijn leven heeft gered. Hij legde daarbij een verband met het (seksueel) misbruik waarvan hij als dertienjarige slachtoffer is geweest. In Le Monde staat dat zo: ‘Publier les livres écrits par d’autres lui avait “sauvé la vie”. Victime à 13 ans d’un abus sur lequel il avait dû garder le silence, il avait réussi à s’exprimer par la voix d’écrivains: “C’est la solution que j’ai trouvée pour ne pas devenir fou, pour rester à peu près maître de ce que je faisais.”’

Toen het nieuws van zijn overlijden doordrong schreef Françoise Nyssen, de huidige Franse minister van cultuur en tot voor kort uitgeefdirecteur van Actes Sud (de Franse uitgever van onder anderen Anna Enquist, Abdelkader Benali en Cees Nooteboom): ‘Paul Otchakovsky-Laurens est mort. Très grand éditeur, découvreur de tellement de talents, la France lui doit la maison P.O.L. Ma tristesse est immense, j’ai perdu un ami cher, mes pensées vont à sa femme et à toute l’équipe P.O.L.’

Je maakt een overzeese vakantiereis en je komt dood thuis. Het is een feit, maar het is onbegrijpelijk. Of, onder verwijzing naar geciteerd gedicht van Hans Tentije, het licht van over zee verheldert alles maar verklaart niets. Het is een raadsel dat hij er ineens niet meer is. Ik ben snel geneigd te denken dat iedereen vervangbaar is, maar in zijn geval staat dat nog te bezien. P.O.L droeg in zeer sterke mate de signatuur van Paul Otchakovsky-Laurens. Het verlies daar moet aanvoelen als een amputatie van hoofd en hart. Zijn uitvaart was maandag 22 januari op Père Lachaise in Parijs. Ik kon daar niet bij zijn en daarom schrijf ik dit stuk.

Onze laatste ontmoeting, in Frankfurt, was een vluchtige. Omdat ik in september in Parijs al op de uitgeverij was geweest (en kort daarna de vertaalrechten kocht voor de nieuwe roman van Marie Darrieussecq, Notre vie dans les forêts) had ik op de Buchmesse geen afspraak met P.O.L. Vlak bij de Alte Oper stond ik op groen licht te wachten bij een breed zebrapad aan een drukke verkeersweg. Ik wandelde naar een paar afspraken in de Frankfurter Hof. Aan de overkant stonden Vibeke Madsen en hij te wachten, ongetwijfeld op weg naar de Messe, waar een paar uur later de Fransen, eregast van de afgelopen Buchmesse, hun openingsprogramma hadden. We zwaaiden naar elkaar en staken elkaar een hand toe bij het oversteken. Bonjour Paul, au revoir Paul.

 

otchakovskyenperec
Paul Otchakovky-Laurens met auteur Georges Perec bij een receptie van Hachette in 1978, ter ere van het winnen van de Prix Médicis. (D.R.)

 

 

Superlatieven

Als een draai om de oren, zo voelde die beschouwing van Olaf Tempelman in de Volkskrant van 16 december onder de kop ‘Superlatieven schieten tekort!’. Waarover dat ging? Over de steeds uitbundiger wordende aanprijzingen op boekomslagen. Uitgevers zijn een soort zichzelf constant overschreeuwende meloenenverkopers geworden, zonder gevoel voor raffinement, talent om te verleiden of te doseren. Alles is almaar even… uniek en ultiem.

Tempelman wil er niet meer in trappen, en gelijk heeft hij. Wij, uitgevers, gedragen ons al te vaak als die – laten we hem onze eeuwig overenthousiaste, elke conversatie annexerende oom noemen (maar je hebt in je eigen kring vast iemand anders of je moet nu schuldbewust aan jezelf denken) – die altijd alles wat hij gelezen en gezien heeft, iedere metropool of buitenpost waar hij zijn hoef heeft gezet verabsoluteert in lofgezangen die ons aanvankelijk steeds weer met verpletterende schaamte achterlaten. Wij onwetenden, ongeletterden, ongelikten – wij hebben nog een hoop in te halen. Maar hoe vaak komt het niet voor dat, als we dat eenmaal gedaan hebben, we onze schouders ophalen en verzuchten: ‘Was dat nou alles?’

Terwijl – met wat minder bombarie hadden we het misschien best op waarde kunnen schatten. Maar Onkel Besserwisser had onze onbevangenheid al finaal aan gruzelementen gejubeld.

En toch – nog één keer dan – kroop het bloed waar het niet meer moet gaan. (Ja, mijn goede uitgeversvoornemen voor 2018 is om de loftrompet minder obligaat, ongedifferentieerd en eentonig fortissimo te laten schallen.) Ik was namelijk diezelfde 16de december (van dat stuk van Tempelman in de zaterdagkrant) toevallig met Arthur Japin op pad voor een miniboekhandelstournee die ik niet beter zou kunnen omschrijven dan als een Ronde van ’t Gooi. Japin deed vier boekhandels aan waar hij een korte lezing gaf over zijn nieuwe roman Kolja en vervolgens signeerde en een praatje maakte met zijn fans. Ik was die dag zijn chauffeur.

Ik wist die dag ook al dat we het jaar weer netjes volgens begroting en met een bescheiden positief resultaat, zij het met hangen en wurgen, zouden afsluiten. En ik wist ook dat de gemiddelde boekhandel dat misschien nog niet eens zou kunnen zeggen. Het was weer geen makkelijk jaar geweest, had ik verschillende boekverkopers horen verzuchten. Zo’n waanzinnige eindsprint als vorig jaar, met dat boek van Astrid Holleeder, zat er dit jaar niet in. Ja, Dan Brown verkoopt lekker, maar kan de vergelijking met Holleeder niet doorstaan, laat staan die nieuwe Holleeder: ‘Een pingpongbal vergelijken met een voetbal!’

Wat doe je dan – als betrokken burger? Als cultureel gutmensch? Dan steun je de goede zaak, al was het maar uit welbegrepen eigenbelang. Dus nam ik me voor die dag in elk van de vier boekhandels een boek te kopen. In Amersfoort, bij boekhandel Veenendaal, moest ik me al reppen. Het duurde zolang eer ik daar, in de middeleeuwse binnenstad, een parkeerplek had gevonden dat Arthur klaar was met zijn lezing (boven in de winkel) en al de trappen afdaalde om te komen signeren met in zijn kielzog tientallen lezers die in alle vroegte waren komen opdraven. En ook los daarvan was het bij Veenendaal die vroege ochtend al een drukte van belang. Ik kocht er Nobel streven van Frits van Oostrom, bij wie ik begin jaren tachtig nog werkcolleges middeleeuwse letterkunde had gevolgd, onder andere over de stoplappen in Karel ende Elegast. En Slingerbeweging van György Konrád, die weliswaar niet meer de schrijver is van boeken als De bezoeker en Tuinfeest, maar dit boek (afgeprijsd, daarom telde het ook als half) over de invloed van de Hongaarse geschiedenis op zijn eigen leven interesseerde me toch.

Op naar boekhandel Bouwman in De Bilt, waar rond het middaguur opnieuw een trouwe schare Japin-lezers achter in de winkel op hem zat wachten. Ook hier gezellige drukte, ook vanwege de lui die aanvankelijk niet voor Japin kwamen, zoals (net als in Amersfoort) een dame die tot haar grote vreugde bij toeval op haar signerende favoriete auteur stuitte. Bij Bouwman kocht ik Philipp Bloms Wat op het spel staat, auteur van De duizelingwekkende jaren, een boek dat ik jaren geleden met veel plezier gelezen had. En nou ja, omdat het niet voor mezelf was maar voor mijn dochter schafte ik ook De heilige Rita van Tommy Wieringa aan.

En voort ging het, naar Bussum waar Arthur bij boekhandel Los tijdens het spitsuur helemaal, nou ja los ging. Drommen mensen daar, wel tien man personeel achter de pinautomaten (die zouden rinkelen als ze dat zouden kunnen). En dat – ik wil niemand voor het hoofd stoten – in de provincie! Van pure weeromstuit kocht ik van Robert Seethaler De Weense sigarenboer (waarover ik in NRC een recensie van Marco Kamphuis had gelezen) en (omdat een Rainbow-pocket niet echt telt) Winesburg, Ohio, een nooit gelezen klassieker van Sherwood Anderson.

Verlicht en lichter legden we de laatste etappe af naar Baarn voor een bezoek aan de wonderschone boekhandel Den Boer. Om ons nog een laatste keer, het begon al te schemeren, onder te dompelen in de drukte. In Baarn legde ik de hand op Wedervaring van Bodo Kirchhoff, een Duitse schrijver die ik al sinds eind jaren tachtig volg (als ik me daarmee kan verantwoorden). Tja, en nu ik voor mijn dochter al een boek had gekocht, moest ik toch ook iets voor vrouw en zoon meenemen. Zo kwam ik nog thuis met (voor mijn zoon) het boek van onze goede vriend Edwin Krijgsman, Ben ik nou zo slim? (over de taal van Louis van Gaal), en (voor mijn vrouw, maar stiekem omdat ik zelf toch langzamerhand ook eens wil weten waar die hype op berust) De geniale vriendin van Elena Ferrante.

Nog één keer (en ook om het af te leren) schoten superlatieven tekort. Wat zijn er toch nog goede en gepassioneerde boekverkopers, nog veel mooie boekwinkels met adembenemende assortimenten, nog hordes gretige lezers die met stapels boeken de winkel uitlopen. Wat hebben we toch een schitterend vak! En hoe krijgen we het volk dat hiervan nog onwetend is komend jaar de boekwinkels in? Niet door luid te trompetteren dus, maar door ze te verleiden zonder dat ze het in de smiezen hebben. Door het te brengen in de vorm van een waarschuwing bijvoorbeeld, voor de thrillseekers: ‘Berg u voor de goede boekhandel. Het zijn sinistere voorraadschuren waar je alles vindt wat je nooit hebt gezocht.’ Of voor degenen die juist op zoek zijn naar sereniteit en stilte: ‘Kom naar de boekhandel tussen half januari en begin maart: een oase van rust!’

 

*Met dank voor de gastvrijheid en hun enthousiasme aan alle boekverkopers van Boekhandel Veenendaal, Boekhandel Bouwman, Boekhandel Los en Boekhandel Den Boer.

Hangend in het Wijde Web van de Wereldliteratuur. Over Ivan Wolffers, ‘Broer van God’

Dinsdag 24 oktober werd bij boekhandel Scheltema aan het Rokin in Amsterdam Broer van God, de nieuwe roman van Ivan Wolffers (en zijn eerste bij De Arbeiderspers) gepresenteerd. Het grote publiek kent hem als antiautoritair medicus van zijn beroemde pillengids en talrijke baanbrekende boeken op het terrein van de gezondheid. Maar al die jaren was hij ook (en vooral) schrijver. Broer van God, zijn tiende roman, markeert veertig jaar schrijverschap.

vdh9789029521406.jpg

Toen ik half november vorig jaar de eerste versie gelezen van Broer van God gelezen had, liet ik Ivan Wolffers weten dat ik erdoor geraakt was. Dat kwam, schreef ik hem, omdat het hem gelukt was de geschiedenis van een heel mensenleven op een meeslepende manier te vertellen. Ik sprak er het vermoeden bij uit dat dat meeslepende te maken had met het feit dat hij in deze doktersroman een halve eeuw aan ervaringen in de medische wereld heeft kunnen verwerken. Wat ik er aangrijpend aan vond is de Werdegang van Berend van Doornenbos die zich maatschappelijk ontdoet van zijn hoogstaande idealen (zonder het zelf in de gaten te hebben) maar op het persoonlijke vlak de man is die een leven lang loyaal blijft aan zijn grote liefde. Het was toen nog niet helemaal duidelijk dat De Arbeiderspers ook zijn uitgever zou worden, maar ik liet hem weten dat we het boek graag wilden publiceren.

Over die ontwikkelingsgang van Berend van Doornenbos, zijn hoofdpersoon, sprak Woffers later: ‘Ja, ik schrijf nu eenmaal graag over vallende mannen, misschien ook wel om mijn eigen angst voor een ontmaskering als non-valeur te bezweren.’ Vallende mannen moest dus wel een thema in meer van zijn boeken zijn. Dat zou getoetst moeten worden. Ik dacht nog iets: met zo’n doktersroman (of breder geformuleerd: een roman die zich afspeelt in medische kringen) plaatst hij zich in een bepaalde literaire traditie, of misschien is het wel een genre.

Nu ben ik, net als de betreurde Pieter Steinz, verzot op lijstjes, stambomen en vergelijkende literaire beschouwing. In zijn boek Lezen & cetera heeft hij die passie volledig letterkundig uitgeleefd. ‘Met Lezen & cetera heb ik ook “onze” schrijvers willen inbedden in de wereldliteratuur,’ schrijft Steinz in de inleiding van dat boek. ‘Het biedt een Hollandse blik op het wereldwijde web van de fictie, maar wil in de eerste plaats een aansporing zijn tot lezen. […] Schrijvers worden beïnvloed door schrijvers, en beïnvloeden weer andere schrijvers. Boeken borduren voort op andere boeken, en deden dat al lang voordat “intertekstualiteit” […] in de mode raakte.’

De wat pompeuze, maar toch slechts half schertsend bedoelde vraag luidt dus: hoe hangt Broer van God (toch ook geen bescheiden titel) in het wijde web van de wereldliteratuur?

IMG_2418

In de linkerkolom van zo’n Steinz-schema staan de boeken die van invloed zijn geweest op het boek dat centraal staat, voor mij in deze exercitie verreweg de belangrijkste kolom. Ik vat die kolom wat ruimer op door ook boeken te noemen waardoor de auteur niet per se is beïnvloed maar waarin een vergelijkbaar genre (medische roman) beoefend wordt of die vergelijkbare thema’s aanroeren. En bovendien noem ik, anders dan Steinz, ook auteurs die eendere paden hebben bewandeld vanuit eenzelfde achtergrond. In de tweede kolom wordt het werk dat centraal staat omgeven door een aantal andere werken van dezelfde auteur. Laat ik dat in het geval van Ivan Wolffers kortheidshalve nu al doen. Broer van God, zijn tiende roman, maakt deel uit van een gevarieerd oeuvre dat behalve romans, ook columns, essays, boeken over gezondheid en met Marion Bloem geschreven en royaal geïllustreerde reisboeken over Bali, Java en Sumatra omvat. Wolffers werd eind jaren zeventig op slag een bestsellerauteur door een bundeling van zijn Volkskrant-columns. Beroemd en alom geraadpleegd was ook zijn pillengids Medicijnen, ook in het huis dat ik bewoonde met een geliefde die gezondheidskunde studeerde. Het thema van de vallende mannen (en mannen die er op professioneel vlak en/of in de liefde een potje van maken) vond ik terug in zijn romandebuut De laatste handelsreiziger (1980), Liefste mijn liefste en De verliefde waria. De angst voor het vallen, maar dan in onverschrokken autobiografisch proza, komen we eveneens tegen in een vrij recente bundel als Als de tijd voor altijd stil zou staan en in stukken die hij op zijn blog plaatst. Tot zover over de bedding waarin Broer van God zich bevindt. De derde kolom bewaar ik voor het laatst.

Broer van God vertelt het levensverhaal van Berend van Doornenbos, van zijn studentenjaren tot en met zijn aftakeling, ruim een halve eeuw later. Lotsbepalend is een verblijf halverwege de jaren zestig in Parijs met twee medestudenten: Marga de Penasse, die behalve zijn echtgenote een invloedrijk gynaecologe zal worden, en Kasper de Vos die later bij zijn vader, eigenaar van een groot farmaceutisch bedrijf, zal gaan werken. Berend legt een levensparcours af van een wat sneue, niet erg intrinsiek gedreven medische student tot iemand die algauw hoogmoedige medische idealen gaat koesteren maar die zich gaandeweg – en zonder er erg in te hebben – van dat idealisme ontdoet, wat in zekere zin zijn ondergang bewerkstelligt. Maar bij alles wat hem overkomt en wat hem verandert, houdt hij aan één ding vast: zijn grote liefde voor Marga.

Broer van God past in het genre van de literaire doktersroman. Tot dat genre behoren ook een paar bekende andere Nederlandse romans. De dokter en het lichte meisje van Simon Vestdijk, over een jonge arts die na zijn studie geen praktijk wil beginnen maar waarnemend arts wil blijven, zoals hij in zijn hele denken en doen aan de zijlijn wil blijven, inclusief zijn amoureuze avonturen met de dienstmeisjes van de dokters voor wie hij waarneemt en ‘het lichte meisje’ op wie hij verliefd wordt. Een ander voorbeeld is De verdovers van Anna Enquist, een roman die zich afspeelt in een groot ziekenhuis (op de afdelingen anesthesiologie en chirurgie) en in een psychotherapeutenpraktijk. Ook hier: meerdere vallende mannen!

Als het om schrijvende artsen gaat weet Ivan Wolffers zich – alleen al in de Nederlandse letteren – stevig omringd door collegae: Vestdijk (met wie hij een ontstellende productiviteit deelt), Slauerhoff  (ook gedreven door rusteloosheid en een tomeloze reislust), Willem Brakman  (met wie hij buiten het schrijver-en-arts-zijn zo goed als niks gemeen heeft), maar ook Frederik van Eeden, Belcampo, Maria Vasalis, Rutger Kopland, Toon Tellegen, Anna Enquist en Bram Bakker, als we tenminste ook de dokters van de ziel mee mogen tellen. En daar kan nog een heel rijtje internationale namen aan worden toegevoegd: van Gotfried Benn tot Irvin Yalom om een paar bekende te noemen. Maar eerlijk gezegd geloof ik niet dat Wolffers bij een van die buitenlandse collega arts-auteurs veel heeft willen opsteken.

Maar wel bij Goethe, en dan met name bij zijn Faust. Want aan Berend van Doornenbos kleeft wel degelijk iets faustiaans. Net als Goethes Faust, hoewel misschien minder demonisch en minder opzettelijk, is Van Doornenbos een geleerde (een afgestudeerd medicus) die zijn ziel aan de duivel verkoopt omwille van een verblindende ambitie en een nietsontziende hang naar succes. En net als bij Goethe gaat het om het verhaal van een mens die met vallen en opstaan uiteindelijk toch naar het goede streeft.

Daarnaast is Broer van God ook een tijdperkroman waarin een tragische liefdesgeschiedenis een allesoverheersende rol speelt. Wolffers kent zijn Wolkers en is daar uitgesproken door beïnvloed. Ivan is een kind van de seksuele revolutie, van de vrijheid en van de antiautoritaire mentaliteit: dat alles vinden we in grote porties terug in Broer van God die de hele periode tussen 1963 en 2011 beslaat. Denk aan Turks fruit, en ik verklap al een heel klein beetje van het verhaal.

Het nastreven van (seksuele) vrijheid en het ervaren van de pijn van de liefde, aan de orde gesteld in een roman met een grote tijdspanne – dat vinden we ook bij De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera. Het zou me niets verbazen als Ivan zich mede door dat boek heeft laten inspireren. In ieder geval zijn er andere, enigszins vergelijkbare Nederlandse romans geschreven waarvoor geldt dat ze zijn beïnvloed door dat boek van Kundera: Cirkel in het gras van Oek de Jong en Kaplan van Leon de Winter om er twee te noemen. En misschien zelfs wel Bonita Avenue van Peter Buwalda.

Een laatste thema – dat van het geheugenverlies (veralzheimerung) en lichamelijk aftakeling – verbindt dit boek in de Nederlandse letteren met bij voorbeeld met Bernlefs Hersenschimmen. En over de literaire landsgrenzen heen kijkend kunnen we denken aan een ultiem boek van Philip Roth, Everyman (in Nederland verschenen onder de titel Alleman) waarin een oude man mediteert over eros en thanatos en zich verzet tegen zijn sterfelijkheid. Alweer een vallende man dus. Broer van God is in die zin ook een existentieel boek.

Maar behalve invloed van en gelijkenis met boeken en schrijvers is er nog een andere imposante inspiratiebron. Dat is de muze – en wie anders kan dat zijn dan degene die dat al zo’n veertig jaar is voor hem is. Broer van God is zonder meer een werk van fictie, maar toch is het niet moeilijk in Marga trekjes of kenmerken van Marion Bloem te herkennen. En afgezien daarvan, zo vertelde Ivan me, heeft hij zich voor de structuur van zijn boek waarin twee verhaalstrengen om en om vervlochten zijn laten inspireren door Marion Bloems Meisje van honderd.

Dan nog die derde kolom van Steinz. Daarin gaat het om suggesties voor boeken die in stijl of inhoud doen denken aan Broer van God: andere aanbevelenswaardige romans die zich in de medische wereld afspelen en waarin liefde, dood en ambitie belangrijke thema’s zijn. Die heb ik welbewust al in de eerste kolom ondergebracht. Want hoezo nou: boeken die je kunt lezen na Broer van God? Lees eerst dát boek maar eens!

Zo. Ik heb een verwoede poging gedaan om een boek al bij zijn doopplechtigheid tot een monument te verklaren nog voordat de goegemeente het gelezen heeft. En dan ben ik als uitgever ook nog vooringenomen. Neem me dat maar niet al te kwalijk. Zie het maar als een laudatio voor een schrijver die veertig jaar aan de weg timmert als schrijver, want dát jubileum vieren we met de verschijning van dit boek eveneens.

1

3

4

2

Een hele Herman. Over Thomas Eyskens, ‘ Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck. Biografie’

De aandacht die de verschijning van Onno Bloms biografie van Jan Wolkers kreeg, stelde die van de net daarvoor verschenen biografie van Thomas Eyskens over Herman de Coninck nog even in de schaduw. In Nederland tenminste. In Vlaanderen werd het boek al breeduit besproken in veel media. Zaterdag 21 oktober werd de biografie officieel gepresenteerd in De Zwarte Panter te Antwerpen. Thomas Eyskens ging er in gesprek met journaliste Anne-Marie Segers (Radio Klara), er waren tv-beelden van De Coninck vertoond en er was muziek van het (steel)gitaristen duo Peter Van Eyck en Dominique Piérard. En ik sprak er de volgende woorden.

De grote vraag die altijd parallel loopt aan de verschijning van een biografie is: kenden we de hele mens? De relevante vraag van vanavond – bij de presentatie van Toen met een lijst van nu errond, Thomas Eyskens biografie van Herman de Coninck – luidt: ‘Wie kende nu eigenlijk de hele Herman?’

Dinsdag 29 juni 1993 was een warme en zonnige dag, ook in Antwerpen. In de Edelinckstraat, waar Singel Antwerpen, Dedalus en de redactie van het Nieuw Wereldtijdschrift huisden op nummer 9, spraken we elkaar daarom niet in een van de kantoren maar op een schaduwrijke plek in de grote achtertuin. Herman de Coninck, herinner ik mij, lag nonchalant in een lage tuinstoel, en Joost Nijsen uitgever van Nijgh & Van Ditmar en Rudy Vanschoonbeeck, uitgever van Dedalus (samen verantwoordelijk voor de jaarlijkse uitgave Mekka. Jaarboek voor lezers, waarvan ik met Josje Kraamer de redactie voerde) waren daar ook in die ommuurde tuin. De manier waarop Herman in die tuinstoel hing – daar schoof enkele jaren later het beeld overheen dat gestalte krijgt in het voorlaatste gedichte van zijn laatste bundel Vingerafdrukken. Ik heb het over het eerste van twee gedichten onder de titel ‘Ligstoel’ met daarin de regels ‘Geuren lanterfanten door de tuin. / Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar // in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig. / Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas / horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf / nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.’

Die junidag in ’93 was ik naar Antwerpen gekomen, lees in mijn oude agenda, voor ‘Mekka-overleg’. De editie van 1994, zo hadden we besloten, zou behalve de gewoonlijke rubrieken met een vooruitblik op het komende boekenseizoen, schrijversadressen en toptienlijsten van recensenten ook een dossier bevatten rond ‘het geheim van de poëzie’ met het oog op het Boekenweekthema van 1994 over verzen en gedichten. Een brainstorm over de onderwerpen die zo’n dossier zou moeten bevatten, kon natuurlijk – gezien de nabijheid van het Nieuw Wereldtijdschrift – niet plaatsvinden zonder Herman de Coninck, hoofdredacteur van dat blad en (zeker op dat moment) roerganger en geweten van de Nederlandstalige dichtkunst.

Waarom vertel ik dit? Omdat het de eerste keer was dat ik Herman de Coninck echt ontmoette, dat wil zeggen met hem van gedachten wisselde. Dit was het begin van een periode waarin ik hem vaak, dat wil zeggen tientallen malen, heb meegemaakt: in zijn woning aan de Cogels Osylei (aanvankelijk vanwege bijdragen aan het Nieuw Wereldtijdschrift, later als redacteur van een aantal van zijn essay- en dichtbundels), op de burelen van De Arbeiderspers in Amsterdam, tijdens literaire evenementen (zoals de Antwerpse Boekenbeurs), in café de Nieuwe Linde van vriend Luc Huybrechts en noem maar op. En verder belden en schreven we elkaar in die jaren, maar dat laatste (schrijven) toch het liefste want Herman mompelde nogal en was – zeker aan de telefoon – soms slecht verstaanbaar.

Al die ontmoetingen en contacten hebben zich voltrokken in vrijwel op de kop af vier jaar, tussen 29 juni 1993 en kort voor 22 mei 1997, toen hij in Lissabon onverwacht na een hartstilstand overleed. Ik herinner me de consternatie en de kolossale aandacht in de media als de dag van gisteren. Het was een schok, het was een ramp.

In de biografie van Herman door Thomas Eyskens, stiekem al verschenen maar vanavond officieel aan u voorgesteld, vormen die vier jaar waarin ik hem gekend heb – vanzelfsprekend, want we hebben het over de laatste levensjaren – het sluitstuk van een omvangrijk, boeiend en levendig boek. Vier jaar van een leven dat veel te vroeg werd afgebroken en dat er ruim drieënvijftig duurde:  ik heb hem dus gedurende pakweg zeven procent van zijn tijd gekend. Kun je dan zeggen dat je iemand goed gekend hebt? Ik mag misschien zeggen dat ik de Herman die hij was tussen zijn negenenveertigste en zijn dood tamelijk goed gekend heb in talrijke (zij het niet alle) facetten. Herman zal in die jaren (voor wat betreft zijn karakter, zijn passies, zijn manier van spreken, zijn lichaamstaal) overigens grotendeels zijn geweest wie in de jaren daarvoor al was. Ik ben er zeker van dat er in deze zaal heel wat mensen zijn (zijn familie en intieme vrienden voorop) die hem beter of zelfs veel beter gekend hebben, maar ik ben er ook zeker van dat er hier niemand rondloopt die de hele Herman gekend heeft.

Opmaak 1 (Page 1)

Ten aanzien van mijn Herman zou iemand me nog voor de voeten kunnen werpen: ‘Je hebt hem alleen maar in zijn nadagen gekend.’ Dat is niet het geval. Herman heeft namelijk geen nadagen gehad. Herman verkeerde in die jaren, hoewel zijn lichamelijke gezondheid te wensen overliet en zijn levensstijl niet bepaald getuigde van ambities op het vlak van hoogbejaard worden, op de toppen van zijn kunnen en zijn roem. Hij was de leidende figuur achter het prestigieuze Nieuw Wereldtijdschrift, de chef van de boekenbijlage van De Morgen, streng doch zeer ruimhartig poëziecriticus. Hij was de meest gelezen en meest geliefde dichter van zijn land, ‘de man die zijn volk poëzie leerde lezen’, zij het ook de man wiens werk (en dat was toch wel een frustratie) nooit met de Staatprijs voor Literatuur is bekroond.

Die laatste vier jaar van Herman zijn, afgemeten naar wat die voor de literatuur en de literaire wereld betekenden, zeer belangrijk geweest, en dat komt ook tot uiting in het boek van Thomas Eyskens. Die periode leverde ruim tachtig bladzijden van het boek op, oftewel zeven procent leven werd veertien procent boek: het dubbele. Omdat ik als zijdelings betrokkene het beste over juist deze periode kan oordelen, durf ik wel te zeggen: die achteraf ultiem gebleken levensjaren heeft Thomas niet alleen levendig maar ook waarachtig weergegeven. Veel van wat in die periode op het persoonlijke en professionele (literaire) vlak speelde, is vakkundig en in extenso belicht. En nee, niet iedereen is gesproken, niet elke bron is gebruikt, niet alles is in het boek terechtgekomen. Ik ken geen biografie waarin dat wel allemaal gebeurt. Misschien komt Harry G.M. Prick met zijn tweedelige biografie van Lodewijk van Deyssel aardig in de buurt, maar daar krijg je dan ook veel te veel van het goede.

Voor de totale mens, voor het beeld van een heel leven – niet het maar een beeld haast ik me te zeggen, want zelfs een sterk op de feiten leunende biografie (en dat is deze van Eyskens) geeft altijd nog maar een bepaalde zienswijze en een bepaalde selectie – hebben we een biografie nodig. En voor een biografie hebben we een biograaf nodig, iemand die moet beschikken over karrevrachten onbaatzuchtigheid en groot talent zichzelf gedurende jaren weg te cijferen. Want je moet je aan de hand van vele primaire en secundaire bronnen, interviews met mensen die de persoon in kwestie gekend hebben, foto’s, bewegende beelden en geluidsopnamen dat hele leven van die ander eigen maken om het vervolgens op een inzichtelijke manier en in zijn geheel opnieuw tot leven te brengen. Dat is een titanenklus.

Thomas Eyskens is dat gelukt (en – anders dan veel andere biografen – in nauwelijks meer tijd dan hij dacht nodig te hebben), en daarvoor heb ik diep respect. Hij heeft ongeveer tien jaar nodig gehad om dit boek van (inclusief noten, bronnen en register) bijna zeshonderd bladzijden te kunnen schrijven. Mijn waardering voor die laatste tachtig bladzijden kent u al. Van de ruim vierhonderd bladzijden die eraan voorafgaan – ze handelen over zijn kinder- en jeugdjaren in Mechelen waarin hij opgroeide in een zeer katholiek gezin, over de ontdekking van zijn schrijftalent, zijn studentenjaren in Leuven, zijn mislukking als leraar, zijn weergaloze opkomst als dichter, zijn grote liefdes (An Somers, Lieve Coppens, Kristien Hemmerechts), zijn kinderen (Tomas en Laura), het dodelijke ongeluk van An (het grootste trauma van zijn leven), zijn opmars als lenige journalist bij Humo (waar hij koningskoppels vormde met Piet Piryns en Jan Wauters), zijn reislust, zijn werkvakanties (met Benno Barnard), zijn internationale contacten met dichters overal ter wereld, zijn grillige parcours langs vele uitgevers, zijn liefde voor vrouwen (dat allereerst), drank, tabak, sport, maar toch vooral ook voor de literatuur (en de kunst) – van die ruim vierhonderd bladzijden wil ik alleen maar benadrukken dat ze met dezelfde levendigheid zijn geschreven als de laatste tachtig. Dit boek lees je met een gretigheid waarmee je een meeslepende roman leest.

Tot slot nog dit: anderhalf jaar na Hermans dood publiceerden we bij De Arbeiderspers zijn verzamelde gedichten onder de titel De gedichten (waarvan nadien al meer dan 60.000 exemplaren zijn verkocht – voor poëzie ongekend!), en ik herinner me nog heel goed dat Gerrit Komrij die verzamelde gedichten in De Morgen besprak onder de kop: ‘Een bescheiden voorstel om te wachten met de heiligverklaring van Herman de Coninck’ – ongetwijfeld als reactie op de zijn inziens overtrokken en overgeëmotioneerde aandacht voor zijn persoon en werk in de dagen na diens dood. Het toeval wil dat deze week, precies tien jaar na diens overlijden, Het litteken van de dood, de biografie van Jan Wolkers geschreven door Onno Blom, is verschenen. Gelet op de enorme aandacht die dat boek en daarmee Jan Wolkers deze week heeft gekregen (en de komende tijd nog zal krijgen) geloof ik stellig dat die heiligverklaring niet in de katholieke Zuidelijke Nederlanden maar onlangs in de zo nuchter protestantse Noordelijke Nederlanden heeft plaatsgevonden. Sint Jan de Rokkenjager – en dat paradoxaal genoeg in een week waarin #Me Too de ene na de andere masculiene reputatie doet sneuvelen. Nee, dan Herman. Die heette al De Coninck, en dat zal hij blijven. Toen met een lijst van nu errond is beslist geen bescheiden boek, niet in omvang en niet in ambitie. Maar als heilige komt Herman, de hele Herman, er niet uit naar voren.

Om dit verhaal rond te maken citeer tot slot graag de laatste anderhalve regel van het tweede gedicht ‘Ligstoel’, het allerlaatste gedicht uit Vingerafdrukken, het allerlaatste gedicht dat Herman bij leven publiceerde: ‘Ik zie dat het goed is / Ik wil er mijn handtekening wel onder zetten.’

IMG_2406
Thomas Eyskens in gesprek met Anne-Marie Segers.

IMG_2408
Thomas Eyskens signeert zijn boek.

IMG_2409
Herman’s zoon Tomas.

IMG_2410
Herman’s dochter Laura (links) en Annick Schreuder (bezorgster van de brieven van Herman de Coninck, Een aangename postumiteit)

IMG_2411
Piet Piryns en Guy Mortier.

IMG_2412
Links Herman’s zus Magda.

IMG_2413
Lieve Coppens en Piet Piryns.

Hoe Paulo Coelho dankzij Mata Hari en Abdelkader Benali tot eenentachtig talen kwam

15 oktober 1917, precies een eeuw geleden dus, werd Mata Hari (Margareta Zelle 1876-1917) in Parijs door een vuurpeloton om het leven gebracht nadat ze eerder schuldig was bevonden aan spionage voor de Duitsers (en hoogverraad aan de Fransen) en ter dood was veroordeeld. Afgelopen weekend opende in het Fries Museum in Leeuwarden (Mata Hari, de mythe en het meisje) de grootste Mata Hari-tentoonstelling ooit. Ruim een jaar geleden (7 oktober 2016) was ik in Leeuwarden, geboorteplaats van Mata Hari, om iets opmerkelijks te doen: het eerste exemplaar van de Friese editie van De spion, Paulo Coelho’s roman over Mata Hari, uitreiken aan nazaten van Mata Hari. In tachtig talen was Coelho’s werk al vertaald, maar nog nooit in het Fries. Nu dus wel. Eenentachtigste taal! De schrijver was ermee verguld. Hieronder de tekst van de toespraak.

U kunt zich ongetwijfeld voorstellen dat een uitgever die al een paar miljoen boeken van een auteur heeft verkocht, een beetje stiekem uitkijkt naar weer een nieuw boek van die auteur. En naar de nieuwe Paulo Coelho – want over hem heb ik het in dit geval – kijken wij altijd reikhalzend uit. Gemiddeld iets minder dan eens per jaar wordt reikhalzen beloond. Dan hebben we een nieuwe Coelho om te kunnen uitgeven, en zeker als het dan om een roman gaat weet je ook dat je een geheide bestseller gaat uitgeven.

Al ergens halverwege vorig jaar liet zijn agentschap weten dat er dit jaar een nieuwe roman zat aan te komen. Zijn agentschap, jawel. Paulo Coelho is zo’n beetje de enige schrijver ter wereld die (in Barcelona) een heel kantoor als agentschap voltijds alleen voor hem aan het werk heeft; maar we hebben het over een auteur die in meer dan 170 landen meer dan 210 miljoen exemplaren heeft verkocht, en ik weet niet eens of daar de roofdrukken bij zijn opgeteld.

We mailen en bellen veel met dat agentschap onder leiding van Mônica Antunes en we zien elkaar altijd minstens twee keer per jaar: op de boekenbeurzen van Londen en Frankfurt, en soms nog een keer tussendoor in Barcelona of in Amsterdam. Maar in april dit jaar bracht Mônica teleurstellend nieuws mee uit Londen. ‘Hij haalt het niet dit jaar. Het wordt 2017.’ Een maand later werd duidelijk dat het agentschap of Paulo Coelho zelf (dat weet je maar nooit) ons grandioos bij de neus had genomen.

Maar dan ook zo grandioos, dat ik niet aan de verleiding kan weerstaan om de mail die ik op 10 mei van Mônica ontving te citeren:

Dear Peter,

I am very pleased to inform you that Paulo’s new novel entitled A Espiã / The Spy will be published in Brazil and internationally later this year. The manuscript will be available by June. The extent of the novel is around 30,000 words. The plot is set in 1895 -1917 in Europe. Mata Hari writes to her lawyer on the eve of being executed at the age of 41 in France, during the First World War. A human legacy of her life written in first person. It is a fictional character based on a true story.

Een nieuwe roman. En tot onze grote verrassing over Mata Hari, eigenlijk Margaratha Zelle, meisje uit Leeuwarden, Friesland, Nederland, maar wereldberoemd geworden als Mata Hari! Wat ligt er dan meer voor de hand dan dat zijn Nederlandse uitgever ook een Friese editie op de markt brengt. Misschien had hij dat uiteindelijk ook wel zelf bedacht, maar omdat iemand hem voor was, hééft hij het niet bedacht.

Ere wie ere toekomt. Het was onze auteur Abdelkader Benali – als Berber geboren in het Marokkaanse Rif-gebergte, getogen in Rotterdam en literaire roem verworven in de hoofdstad – met wie ik begin juni op een avond ergens wat zat te eten en aan wie ik vertelde over de nieuwe roman van Paulo Coelho, die riep: ‘Nou, dan ga jij vast ook een Friese editie maken.’

Even keek ik hem aan alsof ik het in Keulen of Dokkum hoorde donderen. Maar al heel snel maakte zich iets euforisch van mij meester: ‘Wat een voor de hand liggend idee! Wat een in allerlei opzichten schandalig goed idee: publicitair, cultuur-historisch, maar ook voor Coelho zelf die er ontzettend mee in zijn nopjes was omdat het Fries de taal is van de geboortegrond van zijn hoofdpersoon en omdat hij er een nieuwe, eenentachtigste taal mee aan zijn palmares reeg.

Als ik het me goed herinner heb ik meteen de dag erna Ernst Bruinsma gebeld. Deze uitgever van de Friese uitgeverij Afûk kende ik al veel langer vanwege zijn vroegere activiteiten voor het Louis Paul Boon Centrum met wie De Arbeiderspers samen het Verzameld Werk van Louis Paul Boon bezorgt.

Ook die zag meteen het belang in van een dergelijke onderneming en vervolgens konden we, via zijn agent, Paulo Coelho verrassen met ons plan. Enige tijd overwoog hij om speciaal voor de lancering van de beide edities naar Nederland en Friesland te komen. Uiteindelijk bleek dat in deze periode net iets te veel van het goede. U moeten weten dat sinds half september wereldwijd inmiddels al meer dan twintig edities van De spion zijn verschenen.

Al met al was op deze manier binnen een paar dagen beklonken dat die Friese uitgave, die we hier vandaag het licht doen zien en die gebaseerd is op de Nederlandse vertaling van Piet Janssen, er zou komen.

Het belang van die Friese uitgave (zo duidelijk verschillend van de Nederlandse, ook om verwarring te voorkomen gezien de exact gelijke titel) kan achteraf gezien moeilijk gebagatelliseerd worden.

matahari.jpg

Dat heeft te maken met de Friese achtergrond van Mata Hari, maar ook met het feit dat  oktober 2017 herdacht wordt dat Mata Hari 100 jaar geleden in Parijs op beschuldiging van spionage voor de Duitsers ter dood is gebracht. Dat herdenkingsjaar zal nog veel meer gaan opleveren: een nieuwe biografie en een film, en dan hadden we al een opera/balletproductie van het Nationale Ballet die misschien nog wel internationale uitvoeringen gaat krijgen. De Arbeiderspers zelf komt in het voorjaar van 2016 met de vertaling van Pat Shipman’s baanbrekende biografie over Mata Hari onder de titel Femme fatale.

vdh9789029511520.jpg

In het licht van die herdenking en alle oplaaiende activiteiten eromheen is het wellicht ook geen toeval dat juist nu 48 brieven en 14 foto’s zijn teruggevonden. Voor het boek van Paulo Coelho komen die documenten te laat.

Maar voor De spion heeft hij zeer uitgebreide research gedaan om te komen tot een roman die – hoezeer fictie ook – sterk leunt op historische feiten en documenten. Dat neemt niet weg dat Paulo Coelho met die feiten soms een loopje neemt, maar dat doet hij dan steeds welbewust en vanuit de uitgesproken opvatting en intentie dat hij een roman over Mata Hari heeft willen schrijven.

Wie daaraan dan toch aanstoot neemt kan in elk geval één ding niet ontkennen: dat Paulo Coelho het in dit ontroerende boek in zekere zin enorm voor haar op neemt. En dat is iets wat over lang niet alles dat er vóór hem over Mata Hari is geschreven kan worden gezegd. Dit boek, om ten slotte een fragment van onze flaptekst te citeren (en daarmee ook de bedoeling van Coelho) ‘is het verhaal van een vrouw die de moed had zichzelf te bevrijden van het moralisme en het bekrompen burgerfatsoen van de vroege twintigste eeuw.’

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑