Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Hangend in het Wijde Web van de Wereldliteratuur. Over Ivan Wolffers, ‘Broer van God’

Dinsdag 24 oktober werd bij boekhandel Scheltema aan het Rokin in Amsterdam Broer van God, de nieuwe roman van Ivan Wolffers (en zijn eerste bij De Arbeiderspers) gepresenteerd. Het grote publiek kent hem als antiautoritair medicus van zijn beroemde pillengids en talrijke baanbrekende boeken op het terrein van de gezondheid. Maar al die jaren was hij ook (en vooral) schrijver. Broer van God, zijn tiende roman, markeert veertig jaar schrijverschap.

vdh9789029521406.jpg

Toen ik half november vorig jaar de eerste versie gelezen van Broer van God gelezen had, liet ik Ivan Wolffers weten dat ik erdoor geraakt was. Dat kwam, schreef ik hem, omdat het hem gelukt was de geschiedenis van een heel mensenleven op een meeslepende manier te vertellen. Ik sprak er het vermoeden bij uit dat dat meeslepende te maken had met het feit dat hij in deze doktersroman een halve eeuw aan ervaringen in de medische wereld heeft kunnen verwerken. Wat ik er aangrijpend aan vond is de Werdegang van Berend van Doornenbos die zich maatschappelijk ontdoet van zijn hoogstaande idealen (zonder het zelf in de gaten te hebben) maar op het persoonlijke vlak de man is die een leven lang loyaal blijft aan zijn grote liefde. Het was toen nog niet helemaal duidelijk dat De Arbeiderspers ook zijn uitgever zou worden, maar ik liet hem weten dat we het boek graag wilden publiceren.

Over die ontwikkelingsgang van Berend van Doornenbos, zijn hoofdpersoon, sprak Woffers later: ‘Ja, ik schrijf nu eenmaal graag over vallende mannen, misschien ook wel om mijn eigen angst voor een ontmaskering als non-valeur te bezweren.’ Vallende mannen moest dus wel een thema in meer van zijn boeken zijn. Dat zou getoetst moeten worden. Ik dacht nog iets: met zo’n doktersroman (of breder geformuleerd: een roman die zich afspeelt in medische kringen) plaatst hij zich in een bepaalde literaire traditie, of misschien is het wel een genre.

Nu ben ik, net als de betreurde Pieter Steinz, verzot op lijstjes, stambomen en vergelijkende literaire beschouwing. In zijn boek Lezen & cetera heeft hij die passie volledig letterkundig uitgeleefd. ‘Met Lezen & cetera heb ik ook “onze” schrijvers willen inbedden in de wereldliteratuur,’ schrijft Steinz in de inleiding van dat boek. ‘Het biedt een Hollandse blik op het wereldwijde web van de fictie, maar wil in de eerste plaats een aansporing zijn tot lezen. […] Schrijvers worden beïnvloed door schrijvers, en beïnvloeden weer andere schrijvers. Boeken borduren voort op andere boeken, en deden dat al lang voordat “intertekstualiteit” […] in de mode raakte.’

De wat pompeuze, maar toch slechts half schertsend bedoelde vraag luidt dus: hoe hangt Broer van God (toch ook geen bescheiden titel) in het wijde web van de wereldliteratuur?

IMG_2418

In de linkerkolom van zo’n Steinz-schema staan de boeken die van invloed zijn geweest op het boek dat centraal staat, voor mij in deze exercitie verreweg de belangrijkste kolom. Ik vat die kolom wat ruimer op door ook boeken te noemen waardoor de auteur niet per se is beïnvloed maar waarin een vergelijkbaar genre (medische roman) beoefend wordt of die vergelijkbare thema’s aanroeren. En bovendien noem ik, anders dan Steinz, ook auteurs die eendere paden hebben bewandeld vanuit eenzelfde achtergrond. In de tweede kolom wordt het werk dat centraal staat omgeven door een aantal andere werken van dezelfde auteur. Laat ik dat in het geval van Ivan Wolffers kortheidshalve nu al doen. Broer van God, zijn tiende roman, maakt deel uit van een gevarieerd oeuvre dat behalve romans, ook columns, essays, boeken over gezondheid en met Marion Bloem geschreven en royaal geïllustreerde reisboeken over Bali, Java en Sumatra omvat. Wolffers werd eind jaren zeventig op slag een bestsellerauteur door een bundeling van zijn Volkskrant-columns. Beroemd en alom geraadpleegd was ook zijn pillengids Medicijnen, ook in het huis dat ik bewoonde met een geliefde die gezondheidskunde studeerde. Het thema van de vallende mannen (en mannen die er op professioneel vlak en/of in de liefde een potje van maken) vond ik terug in zijn romandebuut De laatste handelsreiziger (1980), Liefste mijn liefste en De verliefde waria. De angst voor het vallen, maar dan in onverschrokken autobiografisch proza, komen we eveneens tegen in een vrij recente bundel als Als de tijd voor altijd stil zou staan en in stukken die hij op zijn blog plaatst. Tot zover over de bedding waarin Broer van God zich bevindt. De derde kolom bewaar ik voor het laatst.

Broer van God vertelt het levensverhaal van Berend van Doornenbos, van zijn studentenjaren tot en met zijn aftakeling, ruim een halve eeuw later. Lotsbepalend is een verblijf halverwege de jaren zestig in Parijs met twee medestudenten: Marga de Penasse, die behalve zijn echtgenote een invloedrijk gynaecologe zal worden, en Kasper de Vos die later bij zijn vader, eigenaar van een groot farmaceutisch bedrijf, zal gaan werken. Berend legt een levensparcours af van een wat sneue, niet erg intrinsiek gedreven medische student tot iemand die algauw hoogmoedige medische idealen gaat koesteren maar die zich gaandeweg – en zonder er erg in te hebben – van dat idealisme ontdoet, wat in zekere zin zijn ondergang bewerkstelligt. Maar bij alles wat hem overkomt en wat hem verandert, houdt hij aan één ding vast: zijn grote liefde voor Marga.

Broer van God past in het genre van de literaire doktersroman. Tot dat genre behoren ook een paar bekende andere Nederlandse romans. De dokter en het lichte meisje van Simon Vestdijk, over een jonge arts die na zijn studie geen praktijk wil beginnen maar waarnemend arts wil blijven, zoals hij in zijn hele denken en doen aan de zijlijn wil blijven, inclusief zijn amoureuze avonturen met de dienstmeisjes van de dokters voor wie hij waarneemt en ‘het lichte meisje’ op wie hij verliefd wordt. Een ander voorbeeld is De verdovers van Anna Enquist, een roman die zich afspeelt in een groot ziekenhuis (op de afdelingen anesthesiologie en chirurgie) en in een psychotherapeutenpraktijk. Ook hier: meerdere vallende mannen!

Als het om schrijvende artsen gaat weet Ivan Wolffers zich – alleen al in de Nederlandse letteren – stevig omringd door collegae: Vestdijk (met wie hij een ontstellende productiviteit deelt), Slauerhoff  (ook gedreven door rusteloosheid en een tomeloze reislust), Willem Brakman  (met wie hij buiten het schrijver-en-arts-zijn zo goed als niks gemeen heeft), maar ook Frederik van Eeden, Belcampo, Maria Vasalis, Rutger Kopland, Toon Tellegen, Anna Enquist en Bram Bakker, als we tenminste ook de dokters van de ziel mee mogen tellen. En daar kan nog een heel rijtje internationale namen aan worden toegevoegd: van Gotfried Benn tot Irvin Yalom om een paar bekende te noemen. Maar eerlijk gezegd geloof ik niet dat Wolffers bij een van die buitenlandse collega arts-auteurs veel heeft willen opsteken.

Maar wel bij Goethe, en dan met name bij zijn Faust. Want aan Berend van Doornenbos kleeft wel degelijk iets faustiaans. Net als Goethes Faust, hoewel misschien minder demonisch en minder opzettelijk, is Van Doornenbos een geleerde (een afgestudeerd medicus) die zijn ziel aan de duivel verkoopt omwille van een verblindende ambitie en een nietsontziende hang naar succes. En net als bij Goethe gaat het om het verhaal van een mens die met vallen en opstaan uiteindelijk toch naar het goede streeft.

Daarnaast is Broer van God ook een tijdperkroman waarin een tragische liefdesgeschiedenis een allesoverheersende rol speelt. Wolffers kent zijn Wolkers en is daar uitgesproken door beïnvloed. Ivan is een kind van de seksuele revolutie, van de vrijheid en van de antiautoritaire mentaliteit: dat alles vinden we in grote porties terug in Broer van God die de hele periode tussen 1963 en 2011 beslaat. Denk aan Turks fruit, en ik verklap al een heel klein beetje van het verhaal.

Het nastreven van (seksuele) vrijheid en het ervaren van de pijn van de liefde, aan de orde gesteld in een roman met een grote tijdspanne – dat vinden we ook bij De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera. Het zou me niets verbazen als Ivan zich mede door dat boek heeft laten inspireren. In ieder geval zijn er andere, enigszins vergelijkbare Nederlandse romans geschreven waarvoor geldt dat ze zijn beïnvloed door dat boek van Kundera: Cirkel in het gras van Oek de Jong en Kaplan van Leon de Winter om er twee te noemen. En misschien zelfs wel Bonita Avenue van Peter Buwalda.

Een laatste thema – dat van het geheugenverlies (veralzheimerung) en lichamelijk aftakeling – verbindt dit boek in de Nederlandse letteren met bij voorbeeld met Bernlefs Hersenschimmen. En over de literaire landsgrenzen heen kijkend kunnen we denken aan een ultiem boek van Philip Roth, Everyman (in Nederland verschenen onder de titel Alleman) waarin een oude man mediteert over eros en thanatos en zich verzet tegen zijn sterfelijkheid. Alweer een vallende man dus. Broer van God is in die zin ook een existentieel boek.

Maar behalve invloed van en gelijkenis met boeken en schrijvers is er nog een andere imposante inspiratiebron. Dat is de muze – en wie anders kan dat zijn dan degene die dat al zo’n veertig jaar is voor hem is. Broer van God is zonder meer een werk van fictie, maar toch is het niet moeilijk in Marga trekjes of kenmerken van Marion Bloem te herkennen. En afgezien daarvan, zo vertelde Ivan me, heeft hij zich voor de structuur van zijn boek waarin twee verhaalstrengen om en om vervlochten zijn laten inspireren door Marion Bloems Meisje van honderd.

Dan nog die derde kolom van Steinz. Daarin gaat het om suggesties voor boeken die in stijl of inhoud doen denken aan Broer van God: andere aanbevelenswaardige romans die zich in de medische wereld afspelen en waarin liefde, dood en ambitie belangrijke thema’s zijn. Die heb ik welbewust al in de eerste kolom ondergebracht. Want hoezo nou: boeken die je kunt lezen na Broer van God? Lees eerst dát boek maar eens!

Zo. Ik heb een verwoede poging gedaan om een boek al bij zijn doopplechtigheid tot een monument te verklaren nog voordat de goegemeente het gelezen heeft. En dan ben ik als uitgever ook nog vooringenomen. Neem me dat maar niet al te kwalijk. Zie het maar als een laudatio voor een schrijver die veertig jaar aan de weg timmert als schrijver, want dát jubileum vieren we met de verschijning van dit boek eveneens.

1

3

4

2

Advertenties

Een hele Herman. Over Thomas Eyskens, ‘ Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck. Biografie’

De aandacht die de verschijning van Onno Bloms biografie van Jan Wolkers kreeg, stelde die van de net daarvoor verschenen biografie van Thomas Eyskens over Herman de Coninck nog even in de schaduw. In Nederland tenminste. In Vlaanderen werd het boek al breeduit besproken in veel media. Zaterdag 21 oktober werd de biografie officieel gepresenteerd in De Zwarte Panter te Antwerpen. Thomas Eyskens ging er in gesprek met journaliste Anne-Marie Segers (Radio Klara), er waren tv-beelden van De Coninck vertoond en er was muziek van het (steel)gitaristen duo Peter Van Eyck en Dominique Piérard. En ik sprak er de volgende woorden.

De grote vraag die altijd parallel loopt aan de verschijning van een biografie is: kenden we de hele mens? De relevante vraag van vanavond – bij de presentatie van Toen met een lijst van nu errond, Thomas Eyskens biografie van Herman de Coninck – luidt: ‘Wie kende nu eigenlijk de hele Herman?’

Dinsdag 29 juni 1993 was een warme en zonnige dag, ook in Antwerpen. In de Edelinckstraat, waar Singel Antwerpen, Dedalus en de redactie van het Nieuw Wereldtijdschrift huisden op nummer 9, spraken we elkaar daarom niet in een van de kantoren maar op een schaduwrijke plek in de grote achtertuin. Herman de Coninck, herinner ik mij, lag nonchalant in een lage tuinstoel, en Joost Nijsen uitgever van Nijgh & Van Ditmar en Rudy Vanschoonbeeck, uitgever van Dedalus (samen verantwoordelijk voor de jaarlijkse uitgave Mekka. Jaarboek voor lezers, waarvan ik met Josje Kraamer de redactie voerde) waren daar ook in die ommuurde tuin. De manier waarop Herman in die tuinstoel hing – daar schoof enkele jaren later het beeld overheen dat gestalte krijgt in het voorlaatste gedichte van zijn laatste bundel Vingerafdrukken. Ik heb het over het eerste van twee gedichten onder de titel ‘Ligstoel’ met daarin de regels ‘Geuren lanterfanten door de tuin. / Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar // in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig. / Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas / horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf / nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.’

Die junidag in ’93 was ik naar Antwerpen gekomen, lees in mijn oude agenda, voor ‘Mekka-overleg’. De editie van 1994, zo hadden we besloten, zou behalve de gewoonlijke rubrieken met een vooruitblik op het komende boekenseizoen, schrijversadressen en toptienlijsten van recensenten ook een dossier bevatten rond ‘het geheim van de poëzie’ met het oog op het Boekenweekthema van 1994 over verzen en gedichten. Een brainstorm over de onderwerpen die zo’n dossier zou moeten bevatten, kon natuurlijk – gezien de nabijheid van het Nieuw Wereldtijdschrift – niet plaatsvinden zonder Herman de Coninck, hoofdredacteur van dat blad en (zeker op dat moment) roerganger en geweten van de Nederlandstalige dichtkunst.

Waarom vertel ik dit? Omdat het de eerste keer was dat ik Herman de Coninck echt ontmoette, dat wil zeggen met hem van gedachten wisselde. Dit was het begin van een periode waarin ik hem vaak, dat wil zeggen tientallen malen, heb meegemaakt: in zijn woning aan de Cogels Osylei (aanvankelijk vanwege bijdragen aan het Nieuw Wereldtijdschrift, later als redacteur van een aantal van zijn essay- en dichtbundels), op de burelen van De Arbeiderspers in Amsterdam, tijdens literaire evenementen (zoals de Antwerpse Boekenbeurs), in café de Nieuwe Linde van vriend Luc Huybrechts en noem maar op. En verder belden en schreven we elkaar in die jaren, maar dat laatste (schrijven) toch het liefste want Herman mompelde nogal en was – zeker aan de telefoon – soms slecht verstaanbaar.

Al die ontmoetingen en contacten hebben zich voltrokken in vrijwel op de kop af vier jaar, tussen 29 juni 1993 en kort voor 22 mei 1997, toen hij in Lissabon onverwacht na een hartstilstand overleed. Ik herinner me de consternatie en de kolossale aandacht in de media als de dag van gisteren. Het was een schok, het was een ramp.

In de biografie van Herman door Thomas Eyskens, stiekem al verschenen maar vanavond officieel aan u voorgesteld, vormen die vier jaar waarin ik hem gekend heb – vanzelfsprekend, want we hebben het over de laatste levensjaren – het sluitstuk van een omvangrijk, boeiend en levendig boek. Vier jaar van een leven dat veel te vroeg werd afgebroken en dat er ruim drieënvijftig duurde:  ik heb hem dus gedurende pakweg zeven procent van zijn tijd gekend. Kun je dan zeggen dat je iemand goed gekend hebt? Ik mag misschien zeggen dat ik de Herman die hij was tussen zijn negenenveertigste en zijn dood tamelijk goed gekend heb in talrijke (zij het niet alle) facetten. Herman zal in die jaren (voor wat betreft zijn karakter, zijn passies, zijn manier van spreken, zijn lichaamstaal) overigens grotendeels zijn geweest wie in de jaren daarvoor al was. Ik ben er zeker van dat er in deze zaal heel wat mensen zijn (zijn familie en intieme vrienden voorop) die hem beter of zelfs veel beter gekend hebben, maar ik ben er ook zeker van dat er hier niemand rondloopt die de hele Herman gekend heeft.

Opmaak 1 (Page 1)

Ten aanzien van mijn Herman zou iemand me nog voor de voeten kunnen werpen: ‘Je hebt hem alleen maar in zijn nadagen gekend.’ Dat is niet het geval. Herman heeft namelijk geen nadagen gehad. Herman verkeerde in die jaren, hoewel zijn lichamelijke gezondheid te wensen overliet en zijn levensstijl niet bepaald getuigde van ambities op het vlak van hoogbejaard worden, op de toppen van zijn kunnen en zijn roem. Hij was de leidende figuur achter het prestigieuze Nieuw Wereldtijdschrift, de chef van de boekenbijlage van De Morgen, streng doch zeer ruimhartig poëziecriticus. Hij was de meest gelezen en meest geliefde dichter van zijn land, ‘de man die zijn volk poëzie leerde lezen’, zij het ook de man wiens werk (en dat was toch wel een frustratie) nooit met de Staatprijs voor Literatuur is bekroond.

Die laatste vier jaar van Herman zijn, afgemeten naar wat die voor de literatuur en de literaire wereld betekenden, zeer belangrijk geweest, en dat komt ook tot uiting in het boek van Thomas Eyskens. Die periode leverde ruim tachtig bladzijden van het boek op, oftewel zeven procent leven werd veertien procent boek: het dubbele. Omdat ik als zijdelings betrokkene het beste over juist deze periode kan oordelen, durf ik wel te zeggen: die achteraf ultiem gebleken levensjaren heeft Thomas niet alleen levendig maar ook waarachtig weergegeven. Veel van wat in die periode op het persoonlijke en professionele (literaire) vlak speelde, is vakkundig en in extenso belicht. En nee, niet iedereen is gesproken, niet elke bron is gebruikt, niet alles is in het boek terechtgekomen. Ik ken geen biografie waarin dat wel allemaal gebeurt. Misschien komt Harry G.M. Prick met zijn tweedelige biografie van Lodewijk van Deyssel aardig in de buurt, maar daar krijg je dan ook veel te veel van het goede.

Voor de totale mens, voor het beeld van een heel leven – niet het maar een beeld haast ik me te zeggen, want zelfs een sterk op de feiten leunende biografie (en dat is deze van Eyskens) geeft altijd nog maar een bepaalde zienswijze en een bepaalde selectie – hebben we een biografie nodig. En voor een biografie hebben we een biograaf nodig, iemand die moet beschikken over karrevrachten onbaatzuchtigheid en groot talent zichzelf gedurende jaren weg te cijferen. Want je moet je aan de hand van vele primaire en secundaire bronnen, interviews met mensen die de persoon in kwestie gekend hebben, foto’s, bewegende beelden en geluidsopnamen dat hele leven van die ander eigen maken om het vervolgens op een inzichtelijke manier en in zijn geheel opnieuw tot leven te brengen. Dat is een titanenklus.

Thomas Eyskens is dat gelukt (en – anders dan veel andere biografen – in nauwelijks meer tijd dan hij dacht nodig te hebben), en daarvoor heb ik diep respect. Hij heeft ongeveer tien jaar nodig gehad om dit boek van (inclusief noten, bronnen en register) bijna zeshonderd bladzijden te kunnen schrijven. Mijn waardering voor die laatste tachtig bladzijden kent u al. Van de ruim vierhonderd bladzijden die eraan voorafgaan – ze handelen over zijn kinder- en jeugdjaren in Mechelen waarin hij opgroeide in een zeer katholiek gezin, over de ontdekking van zijn schrijftalent, zijn studentenjaren in Leuven, zijn mislukking als leraar, zijn weergaloze opkomst als dichter, zijn grote liefdes (An Somers, Lieve Coppens, Kristien Hemmerechts), zijn kinderen (Tomas en Laura), het dodelijke ongeluk van An (het grootste trauma van zijn leven), zijn opmars als lenige journalist bij Humo (waar hij koningskoppels vormde met Piet Piryns en Jan Wauters), zijn reislust, zijn werkvakanties (met Benno Barnard), zijn internationale contacten met dichters overal ter wereld, zijn grillige parcours langs vele uitgevers, zijn liefde voor vrouwen (dat allereerst), drank, tabak, sport, maar toch vooral ook voor de literatuur (en de kunst) – van die ruim vierhonderd bladzijden wil ik alleen maar benadrukken dat ze met dezelfde levendigheid zijn geschreven als de laatste tachtig. Dit boek lees je met een gretigheid waarmee je een meeslepende roman leest.

Tot slot nog dit: anderhalf jaar na Hermans dood publiceerden we bij De Arbeiderspers zijn verzamelde gedichten onder de titel De gedichten (waarvan nadien al meer dan 60.000 exemplaren zijn verkocht – voor poëzie ongekend!), en ik herinner me nog heel goed dat Gerrit Komrij die verzamelde gedichten in De Morgen besprak onder de kop: ‘Een bescheiden voorstel om te wachten met de heiligverklaring van Herman de Coninck’ – ongetwijfeld als reactie op de zijn inziens overtrokken en overgeëmotioneerde aandacht voor zijn persoon en werk in de dagen na diens dood. Het toeval wil dat deze week, precies tien jaar na diens overlijden, Het litteken van de dood, de biografie van Jan Wolkers geschreven door Onno Blom, is verschenen. Gelet op de enorme aandacht die dat boek en daarmee Jan Wolkers deze week heeft gekregen (en de komende tijd nog zal krijgen) geloof ik stellig dat die heiligverklaring niet in de katholieke Zuidelijke Nederlanden maar onlangs in de zo nuchter protestantse Noordelijke Nederlanden heeft plaatsgevonden. Sint Jan de Rokkenjager – en dat paradoxaal genoeg in een week waarin #Me Too de ene na de andere masculiene reputatie doet sneuvelen. Nee, dan Herman. Die heette al De Coninck, en dat zal hij blijven. Toen met een lijst van nu errond is beslist geen bescheiden boek, niet in omvang en niet in ambitie. Maar als heilige komt Herman, de hele Herman, er niet uit naar voren.

Om dit verhaal rond te maken citeer tot slot graag de laatste anderhalve regel van het tweede gedicht ‘Ligstoel’, het allerlaatste gedicht uit Vingerafdrukken, het allerlaatste gedicht dat Herman bij leven publiceerde: ‘Ik zie dat het goed is / Ik wil er mijn handtekening wel onder zetten.’

IMG_2406
Thomas Eyskens in gesprek met Anne-Marie Segers.

IMG_2408
Thomas Eyskens signeert zijn boek.

IMG_2409
Herman’s zoon Tomas.

IMG_2410
Herman’s dochter Laura (links) en Annick Schreuder (bezorgster van de brieven van Herman de Coninck, Een aangename postumiteit)

IMG_2411
Piet Piryns en Guy Mortier.

IMG_2412
Links Herman’s zus Magda.

IMG_2413
Lieve Coppens en Piet Piryns.

Hoe Paulo Coelho dankzij Mata Hari en Abdelkader Benali tot eenentachtig talen kwam

15 oktober 1917, precies een eeuw geleden dus, werd Mata Hari (Margareta Zelle 1876-1917) in Parijs door een vuurpeloton om het leven gebracht nadat ze eerder schuldig was bevonden aan spionage voor de Duitsers (en hoogverraad aan de Fransen) en ter dood was veroordeeld. Afgelopen weekend opende in het Fries Museum in Leeuwarden (Mata Hari, de mythe en het meisje) de grootste Mata Hari-tentoonstelling ooit. Ruim een jaar geleden (7 oktober 2016) was ik in Leeuwarden, geboorteplaats van Mata Hari, om iets opmerkelijks te doen: het eerste exemplaar van de Friese editie van De spion, Paulo Coelho’s roman over Mata Hari, uitreiken aan nazaten van Mata Hari. In tachtig talen was Coelho’s werk al vertaald, maar nog nooit in het Fries. Nu dus wel. Eenentachtigste taal! De schrijver was ermee verguld. Hieronder de tekst van de toespraak.

U kunt zich ongetwijfeld voorstellen dat een uitgever die al een paar miljoen boeken van een auteur heeft verkocht, een beetje stiekem uitkijkt naar weer een nieuw boek van die auteur. En naar de nieuwe Paulo Coelho – want over hem heb ik het in dit geval – kijken wij altijd reikhalzend uit. Gemiddeld iets minder dan eens per jaar wordt reikhalzen beloond. Dan hebben we een nieuwe Coelho om te kunnen uitgeven, en zeker als het dan om een roman gaat weet je ook dat je een geheide bestseller gaat uitgeven.

Al ergens halverwege vorig jaar liet zijn agentschap weten dat er dit jaar een nieuwe roman zat aan te komen. Zijn agentschap, jawel. Paulo Coelho is zo’n beetje de enige schrijver ter wereld die (in Barcelona) een heel kantoor als agentschap voltijds alleen voor hem aan het werk heeft; maar we hebben het over een auteur die in meer dan 170 landen meer dan 210 miljoen exemplaren heeft verkocht, en ik weet niet eens of daar de roofdrukken bij zijn opgeteld.

We mailen en bellen veel met dat agentschap onder leiding van Mônica Antunes en we zien elkaar altijd minstens twee keer per jaar: op de boekenbeurzen van Londen en Frankfurt, en soms nog een keer tussendoor in Barcelona of in Amsterdam. Maar in april dit jaar bracht Mônica teleurstellend nieuws mee uit Londen. ‘Hij haalt het niet dit jaar. Het wordt 2017.’ Een maand later werd duidelijk dat het agentschap of Paulo Coelho zelf (dat weet je maar nooit) ons grandioos bij de neus had genomen.

Maar dan ook zo grandioos, dat ik niet aan de verleiding kan weerstaan om de mail die ik op 10 mei van Mônica ontving te citeren:

Dear Peter,

I am very pleased to inform you that Paulo’s new novel entitled A Espiã / The Spy will be published in Brazil and internationally later this year. The manuscript will be available by June. The extent of the novel is around 30,000 words. The plot is set in 1895 -1917 in Europe. Mata Hari writes to her lawyer on the eve of being executed at the age of 41 in France, during the First World War. A human legacy of her life written in first person. It is a fictional character based on a true story.

Een nieuwe roman. En tot onze grote verrassing over Mata Hari, eigenlijk Margaratha Zelle, meisje uit Leeuwarden, Friesland, Nederland, maar wereldberoemd geworden als Mata Hari! Wat ligt er dan meer voor de hand dan dat zijn Nederlandse uitgever ook een Friese editie op de markt brengt. Misschien had hij dat uiteindelijk ook wel zelf bedacht, maar omdat iemand hem voor was, hééft hij het niet bedacht.

Ere wie ere toekomt. Het was onze auteur Abdelkader Benali – als Berber geboren in het Marokkaanse Rif-gebergte, getogen in Rotterdam en literaire roem verworven in de hoofdstad – met wie ik begin juni op een avond ergens wat zat te eten en aan wie ik vertelde over de nieuwe roman van Paulo Coelho, die riep: ‘Nou, dan ga jij vast ook een Friese editie maken.’

Even keek ik hem aan alsof ik het in Keulen of Dokkum hoorde donderen. Maar al heel snel maakte zich iets euforisch van mij meester: ‘Wat een voor de hand liggend idee! Wat een in allerlei opzichten schandalig goed idee: publicitair, cultuur-historisch, maar ook voor Coelho zelf die er ontzettend mee in zijn nopjes was omdat het Fries de taal is van de geboortegrond van zijn hoofdpersoon en omdat hij er een nieuwe, eenentachtigste taal mee aan zijn palmares reeg.

Als ik het me goed herinner heb ik meteen de dag erna Ernst Bruinsma gebeld. Deze uitgever van de Friese uitgeverij Afûk kende ik al veel langer vanwege zijn vroegere activiteiten voor het Louis Paul Boon Centrum met wie De Arbeiderspers samen het Verzameld Werk van Louis Paul Boon bezorgt.

Ook die zag meteen het belang in van een dergelijke onderneming en vervolgens konden we, via zijn agent, Paulo Coelho verrassen met ons plan. Enige tijd overwoog hij om speciaal voor de lancering van de beide edities naar Nederland en Friesland te komen. Uiteindelijk bleek dat in deze periode net iets te veel van het goede. U moeten weten dat sinds half september wereldwijd inmiddels al meer dan twintig edities van De spion zijn verschenen.

Al met al was op deze manier binnen een paar dagen beklonken dat die Friese uitgave, die we hier vandaag het licht doen zien en die gebaseerd is op de Nederlandse vertaling van Piet Janssen, er zou komen.

Het belang van die Friese uitgave (zo duidelijk verschillend van de Nederlandse, ook om verwarring te voorkomen gezien de exact gelijke titel) kan achteraf gezien moeilijk gebagatelliseerd worden.

matahari.jpg

Dat heeft te maken met de Friese achtergrond van Mata Hari, maar ook met het feit dat  oktober 2017 herdacht wordt dat Mata Hari 100 jaar geleden in Parijs op beschuldiging van spionage voor de Duitsers ter dood is gebracht. Dat herdenkingsjaar zal nog veel meer gaan opleveren: een nieuwe biografie en een film, en dan hadden we al een opera/balletproductie van het Nationale Ballet die misschien nog wel internationale uitvoeringen gaat krijgen. De Arbeiderspers zelf komt in het voorjaar van 2016 met de vertaling van Pat Shipman’s baanbrekende biografie over Mata Hari onder de titel Femme fatale.

vdh9789029511520.jpg

In het licht van die herdenking en alle oplaaiende activiteiten eromheen is het wellicht ook geen toeval dat juist nu 48 brieven en 14 foto’s zijn teruggevonden. Voor het boek van Paulo Coelho komen die documenten te laat.

Maar voor De spion heeft hij zeer uitgebreide research gedaan om te komen tot een roman die – hoezeer fictie ook – sterk leunt op historische feiten en documenten. Dat neemt niet weg dat Paulo Coelho met die feiten soms een loopje neemt, maar dat doet hij dan steeds welbewust en vanuit de uitgesproken opvatting en intentie dat hij een roman over Mata Hari heeft willen schrijven.

Wie daaraan dan toch aanstoot neemt kan in elk geval één ding niet ontkennen: dat Paulo Coelho het in dit ontroerende boek in zekere zin enorm voor haar op neemt. En dat is iets wat over lang niet alles dat er vóór hem over Mata Hari is geschreven kan worden gezegd. Dit boek, om ten slotte een fragment van onze flaptekst te citeren (en daarmee ook de bedoeling van Coelho) ‘is het verhaal van een vrouw die de moed had zichzelf te bevrijden van het moralisme en het bekrompen burgerfatsoen van de vroege twintigste eeuw.’

 

Russische porno. Een literair-katholieke wandeling uit het hoofd

Het heeft niets met de herdenking van de Russische revolutie maar alles met Kolja, de nieuwe roman van Arthur Japin, te maken dat ik de afgelopen weken bijna dagelijks wel een keer aan ’t Rusland moest denken. Die gedachte is verbonden met een keten associaties: Kolja, Petersburg (waar een groot deel van die nieuwe roman over de gebroeders Tsjaikovski, de raadselachtige dood van Pjotr Iljitsj en een dove jongen, Kolja, over wie Modest, broer van de componist, zich ontfermde en die hij leerde spreken en liplezen, zich afspeelt), Hermitage, ’t Rusland, Japins roman Een schitterend gebrek en de literair-katholieke wandeling die ik de afgelopen jaren gemiddeld een keer of zes per week – want op sommige dagen heen en terug – maakte tussen metrostation Nieuwmarkt en het Spui. Maakte, want die wandeling is voorgoed verleden tijd sinds we met de Singel Uitgeverijen, waarvan De Arbeiderspers onderdeel is, zijn verhuisd naar de Weteringschans. Om die reden heeft mijn literair-katholieke wandeling plaatsgemaakt voor een wat rechtlijnige fin de siècle-promenade van metrostation Weesperplein naar de Weteringschans, die tevens over de Sarphatistraat, de Amstel en langs het Fredriksplein voert. Ik kan best enig begrip opbrengen – zeker als ik me in zijn tijd probeer te verplaatsen – voor ‘den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond’ (zo wonderlijk was die kerel nou ook weer niet, meneer Nescio – de brede straat met zijn majestueuze bomen, geflankeerd door imposante herenhuizen, biedt de aanblik van een Parijse boulevard, een Amstel overstekend die zich daar weelderig uitstrekt, het Amstel Hotel zelfgenoegzaam tronend aan zijn rechteroever: je zou van minder onder de indruk kunnen raken), maar geef mij maar het stiefeltochtje over de grachtjes en steegjes van middeleeuws Amsterdam – die me dus ook over ’t Rusland deden gaan.

En vooruit, daarom, nog één keer dan. For sentimental reasons. En uit het hoofd. Van de Nieuwmarkt naar het Spui, een wandeling die ongeveer twaalf minuten beslaat.

vdh9789029509923

Metrohalte Nieuwmarkt
Nieuwe Hoogstraat
Om de hoek, in de Sint Antoniesbreestraat, Pantheon Boekhandel waar ik vaak kwam in de tijd dat ik, tussen 1992 en 1995, voor Vrij Nederland schreef en mijn kopij kwam inleveren of spullen kwam ophalen.

Zuiderkerkhof
Ik kan er niet overheen lopen zonder een korte gedachte te spenderen aan de mij beminde Jean-Paul Franssens. Jean-Paul woonde en werkte hier, tot aan zijn dood in 2003, in zijn huis met inpandig atelier op nummer een. En hij maakte er allerminst een geheim van dat hij daar woonde, getuige de titel van de eerste Privé-domein van zijn hand: Zuiderkerkhof 1.

hij maakte er evenmin

Hij maakte er evenmin een geheim van er af en toe de pest aan te hebben dat hij daar woonde: ‘Vannacht heb ik weer eens geen oog kunnen dichtdoen. Soms, als ik geluk heb, kan ik in één ruk doorslapen, maar o wee als het tegenzit, dan ben ik mooi in de aap gelogeerd. Schreeuwen en tieren voor mijn deur.’ […] ‘Junks, junks en nog eens junks bepalen het leven in de Nieuwmarktbuurt waar ik woon.’ (Zuiderkerkhof 1)

Als ik thuis aan mijn bureau gezeten, waar ik nu aan het schrijven ben, mijn ogen opsla kijk ik recht tegen een schilderij aan van Jean-Paul Franssens: figuur in een bootje meert aan bij een eiland met hoge torens en palmen die lijken te groeien op een mannelijk geslacht. Enfin, niet iedereen vindt het mooi. Ik wel.

zanddwarsstraat

Zanddwarsstraat
Zandstraat
Raamgracht
Daar, aan de overkant op nummer 4, kwam ik gedurende de eerste helft van de jaren negentig, vrijwel wekelijks om kopij in te leveren voor de ‘Republiek der Letteren’ (bij Carel Peeters en Diny Schouten) of, veel minder vaak (bij Joop van Tijn), voor kopij in de rest van het blad, dan wel om de nieuwste (literaire) roddels te vernemen, boeken op te halen en eventueel de enveloppe met tips van Jacco Groot voor ‘Ter Zake’ (in ruil voor een blijvende en permanente persoonlijke afwezigheid in die literaire rubriek) of voor een gang naar het archief van VN waar Martin Koomen meestal binnen de kortste keren voor je had gevonden wat je zocht.

kloveniersburgwal

Kloveniersburgwal
Als je vanaf de Raamgracht de Kloveniersburgwal oploopt en dan het bruggetje oversteekt, zie je links in de verte Hotel de l’Europe liggen. En als ik l’Europe zie liggen is er altijd even een vage notie aan Heere Heeresma en de keren dat ik daar met hem heb gezeten, en vooral aan die ene keer dat hij een geweldige trek had in erwtensoep. En waarom? Omdat hij die dag naar eigen zeggen een roomse reis had gemaakt. Al voor het ochtendkrieken had hij die stervenskoude dag zijn sponde moeten verlaten om vanuit zijn Noord-Groningse gehucht achter op een rammelende melkkar naar Groningen te reizen alwaar hij een uur op de trein had moeten wachten die hem vervolgens langs vele stations en met veel vertraging naar Amsterdam had gebracht.

Maar behalve met de lustig fabulerende Heeresma breng ik het hotel ook altijd in verband met Marcel Proust. In oktober 1902 maakte Proust een reis door de Lage Landen. Hij bezocht in Brugge een tentoonstelling van Vlaamse Primitieven en verbleef in Antwerpen, Dordrecht en Delft. Maar dus ook in Amsterdam, waar hij in het Hotel de l’Europe logeerde. Vandaaruit maakte hij een dagtochtje met een trekschuit naar Volendam en eveneens vandaaruit ging hij naar Den Haag om ‘Het gezicht op Delft’ van Vermeer te bewonderen. En naar Haarlem voor de Frans Hals collectie. De l’Europe beviel hem niet in alle opzichten. Aan zijn moeder schreef hij: ‘Het hotel is zo krankzinnig duur dat Fénelon de laatste paar dagen zijn maaltijden elders gebruikt heeft, om geen tien franc te hoeven betalen voor een eenvoudige maaltijd.’ (Marcel Proust, Brieven 1885-1906, Privé-domein nr. 105, vertaald door Joyce & Co.)

Nog een stuk daarachter, in zuidwestelijke richting – associatie vanwege Vermeer en Hals – ligt de Hermitage waar vandaag (6 oktober 2017) – een tentoonstelling met en over ‘Hollandse meesters’ opent. Maar de Hermitage (Amstelhof) was in Prousts tijd nog een verpleeghuis.

rusland

Rusland
Als je de brug over de Kloveniersburgwal bent overgestoken, beland je (daar is ie dan) op ’t Rusland. Het is een straat die misschien nog geen honderd meter lang is, maar toch is ze heel breed. Dat komt doordat op de ene helft ervan tot ergens in de zestiende eeuw de Raamsloot lag die vervolgens gedempt is. Ik heb altijd gedacht dat de naam van de straat verband hield met het Rusland ten tijde van tsaar Peter de Grote, die immers een periode in Nederland doorbracht, maar het heeft te maken met de naam van een straat op die plek die al voorkwam in een akte uit 1403, namelijk de Willen Ruusschentuin die langzaam via ’t Russeland tot de huidige naam is verbasterd. Overigens weten we nu door Kolja (uit interviews met Arthur Japin naar aanleiding van het boek) dat de rigide en geïnstitutionaliseerde Russische homovijandigheid door niemand minder dan diezelfde Peter de Grote destijds uit Amsterdam en omstreken is geëxporteerd naar Rusland, waar homofobie en erger ook onder Poetin welig tiert.

De veronderstelde link met Peter de Grote en de achttiende eeuw vindt zijn oorsprong in mijn brein misschien ook wel door de andere beroemde roman van Arthur Japin, Een schitterend gebrek, want daar is ‘t Rusland de straat waarin Lucia, de jeugdliefde van Giacomo Casanova, in 1758 woont (nadat ze eerder een tijdlang in het nabijgelegen spinhuis heeft moeten vertoeven). Een hernieuwde ontmoeting met Casanova (vele jaren na hun jeugdromance in Venetië en op een moment waarop hij haar niet meer herkent vanwege de verminking van haar gezicht door de pokken) speelt zich eraf:

‘Zo ook die avond waarvan ik heb verteld, toen de volwassen Giacomo de jonge voor mijn ogen doodde. Het gebeurde voor mijn eigen woning terwijl wij afscheid namen in de regen.

“Zij was een vrouw,” zei hij alleen. Dit was zijn verklaring voor het feit dat hij mij indertijd bij zijn terugkeer naar Pasiano in het voorjaar niet had aangetroffen.

“Zij was een vrouw.” Ik sloot de deur nog zonder iets te zeggen en luisterde daarachter hoe zijn voetstappen zich over ’t Rusland verwijderden.’

Wellicht in de richting van een van de mooiste gevels op ’t Rusland: die van een inmiddels al lang niet meer als zodanig functionerende drukkerij die er ten tijde van Lucia echter nog maar een jaar of zestien eerder zijn intrek had genomen. Op het fraaie houten afdak boven de begane grond prijkt een tekst waaruit blijkt dat de drukker, waarvan de naam mij is ontschoten, er sinds 1742 gevestigd is en voordien zetelde in de Warmoesstraat.

oudezijdsachterburgwal

Oudezijdsachterburgwal
Sint Agnietenstraat
Aan de namen van de straatjes kan je horen dat het Oudezijdsgedeelte van Amsterdam veel katholieke restanten telt.

Oudezijdsvoorburgwal
Op dit fraaie en rustige stuk (zie de foto) is de wal volkomen vrij van bierkaai, seksshop en drugstoerist.
makelaarsbruggetjes

Makelaarsbruggetje
Rijksmonument van gietijzer uit de late negentiende eeuw. Gebouwd door tabaksmakelaar Frits Olie omdat hij een kortere route wilde tussen de kantoren van de tabakshandelaren aan de oneven kant van de Oudezijds Voorburgwal en de tabaksveiling, die toen plaatsvond in Frascati aan de Nes.

sint barbarenstraat

Sint Barberenstraat
Nes
De straat waar Gerbrand Adriaenszoon Bredero’s geboortehuis heeft gestaan. Het huis naast dat van Bredero was het trefpunt van rederijkerskamer d’Egelantier. Toen Bredero er in 1585 geboren werd, huurde de familie dat huis net een jaar. Ze bleven daar wonen tot 1602, toen zijn vader, die blijkbaar enig fortuin had gemaakt, een huis kocht aan de Oudezijdsvoorburgwal, waar Bredero zijn verdere leven heeft gewoond. Een ras Amsterdammer dus die zijn Spaanschen Brabander de Amsterdammers niettemin als volgt liet typeren: ‘’t Is wel een schoone stad, moor ’t volcxken is te vies.

En geloof het of niet (ik heb de kennis uit de eerste hand), maar ook de voorzaten van Arthur Japin, hugenoten, woonden in dit stuk van Amsterdam. Toen Lodewijk XIV de geloofsvervolgingen hernieuwde en verhevigde vluchtte François Japin naar Amsterdam. Eind 1685 vestigde hij zich als poorter in de Nes tegenover De Stad Lyon, een logementsherberg. De Japins werden actieve leden van de Waalse kerk aan de Oudezijdsachterburgwal.

kalfsvelsteeg 

Kalfsvelsteeg
Rokin
Daar waar het water het rak in loopt (nou ja, liep) en waar ik al wandelend op uitkom zo’n beetje ter hoogte van tabakswinkel Hajenius waar (in elk geval) Koos van Zomeren bij een bezoek nog weleens sigaren wilde aanschaffen alvorens naar Woerden of Arnhem terug te keren.

Waterstraat
Beland op het terrein van de Stille Omgang, de processie door de oude Amsterdamse binnenstad ter herdenking van het hostiewonder in de Kalverstraat uit 1345 (zoek dat verder zelf maar op).

Kalverstraat
Ook hier of althans rond de door toeristen en dagjesvolk overspoelde koopgoot van Amsterdam, speelt zich een scène uit Een schitterend gebrek af. Kennelijk opereerden de prostituees in de tweede helft van de achttiende eeuw aan die kant van de wallen: ‘Een van hen joelde dat hij zijn twee stuivers terug wilde wanneer de hoeren zich gedeisd bleven houden. Een ander viel hem bij door te roepen dat hun zusters op de kruisbaan een stuk minder lui waren en in de stegen van de Kalverstraat al klaar stonden om passanten voor datzelfde geld “een handje” te geven.’

Begijnensteeg
Precies daar, in de steeg met die devote klank, bevindt zich een van de vermaardste (literaire) kroegen van de stad met een van de meest tot de verbeelding sprekende namen: de Engelsche Reet, ofte wel (maar niemand die het zo noemt) De Pilsener Club. Je drinkt er inderdaad zeer goede pilsen uit solide vaasjes, er zit altijd wel een schrijver op een van de krakkemikkige stoelen aan een van de verschaald ogende en riekende tafeltjes (een kroeg dus naar het hart van Midas Dekkers) en wij – ik bedoel mijn collega’s van de Singel Uitgeverijen en ik – erkenden dit café een kleine twee jaar als onze stamkroeg. En wij hadden aan een half woord genoeg. Wij gingen naar de Reet, wij gingen steevast Reetwaarts. Vroeger, tot aan zijn dood, sprak ik er altijd en op diens aandringen met Paul Marijnis af als die uit Leiden naar Amsterdam kwam, maar hij kende dan ook de reputatie van de Engelsche Reet en van het literaire gehalte ervan sinds Slauerhoff en anderen. Het is dus geen toeval dat ik er tegenwoordig al een paar keer met Wim Hazeu (de biograaf van) heb afgesproken.

Gedempte Begijnensteeg
Spui
Eindstation of startpunt al naar gelang de looprichting. Plein van het Maagdenhuis, het lieverdje, Athenaeum Boekhandel, Café De Zwart, Grand Café du Luxembourg, Waterstone’s en  hoe-heet-die-andere Engelse boekhandel ook alweer. Enfin, noem maar op. Maar ook van (zie de foto) het Afrikahuis, waar in de jaren zeventig en tachtig nog boekhandel Scheltema gevestigd was en thans Esprit. Maar dáár, in datzelfde Afrikahuis op de vierde en vijfde verdieping, zaten wij – Nijgh & Van Ditmar, Querido, Athenaeum, De Geus, Uitgeverij Q, Brave New Books, Querido Academie en De Arbeiderspers – tussen 1 januari 2015 en 1 mei 2017. Toen we er net onze intrek hadden genomen hoorden we via-via dat onze twee verdiepingen een tijdlang leeg hadden gestaan, maar dat er daarvoor een Russisch bedrijfje in had gehuisd. Een producent van pornofilms. Russische porno aan het Spui. Rusland en seks – daar is dit verhaal toch een beetje op uitgelopen. Was niet echt de bedoeling.

spui.jpg

 

 

Bescheidenheid die zijn beslag krijgt in een steegje. Jan Eijkelboom topografisch vereeuwigd in Dordrecht

Nog afgezien van het feit dat Dordrecht zelf de grandeur mist voor een boulevard, zou zo’n brede weg Jan Eijkelboom misstaan hebben. Met zoiets pompeus zou hij beslist nooit in verband hebben willen worden gebracht. Maar het is sympathiek dat de stad, negen jaar na zijn dood, nu wel een straat naar hem vernoemd heeft. Nu ja, een straat. Nee, ook geen straat of laan of singel. Een steeg, pardon een steegje – er valt nauwelijks iets te bedenken dat in topografisch opzicht van nog meer bescheidenheid getuigt.

20170709-Jan-Eijkelboom-Dordrecht-Tstolk

Het Jan Eijkelboomsteegje werd eerder deze maand, op een regenachtige vrijdagavond en desondanks bijgewoond door veel publiek, onthuld in aanwezigheid van de weduwe van de dichter, Roelien de Melker, zijn familie en enkele hoogwaardigheidsbekleders van de stad. Het Jan Eijkelboomsteegje, op initiatief van de PvdA Dordrecht en het Dordts Museum tot stand gekomen, ligt tussen de Museumstraat en het Vest. ‘Het steegje wordt sfeervol uitgelicht,’ meldde de plaatselijke gazet, ‘en er staan banken en stoelen waar naar gedichten van Eijkelboom geluisterd kan worden.’ Of dat nu nog steeds zo is, is me niet helemaal duidelijk. Maar in ieder geval werd er tijdens de opening behalve door onder andere cultuurwethouder Piet Sleeking door Roelien en zoon Kors gesproken. Een gedicht van Jan Eijkelboom over Albert Cuyp siert een van de muren in het naar hem vernoemde steegje.

Toen Jan Eijkelboom (1926-2008) overleed, schreven we deze necrologie.

Zijn snelle vertrek veroorzaakt een haast
onmerkbaar maar meewarig schudden
van de voorjaarsnatte heg
[J. Eijkelboom]

Tot zover heette de bundel waarin Jan Eijkelboom (J. Eijkelboom luidde officieel zijn naam als dichter) in 2002 het merendeel van zijn tot dan toe geschreven gedichten bundelde. Gisteren, 27 februari, overleed hij, vrij onverwachts in zijn woonplaats Dordrecht. Op 1 maart had hij zijn 82ste verjaardag zullen vieren.

Met het heengaan van Jan Eijkelboom verliest de wereld een uiterst beminnelijk mens met een fijnzinnige en bedachtzame ironie. De Nederlandstalige literatuur verliest een auteur die zowel in de literaire kritiek als onder het lezend publiek altijd op grote waardering heeft kunnen rekenen. Hij begon weliswaar pas op zijn vijftigste gedichten te schrijven, maar zijn debuutbundel Wat blijft komt nooit terug (1979) leverde hem meteen een breed publiek op. De bundel werd veelvuldig herdrukt en maakte de weg vrij voor een gestage stroom van nieuwe bundels in de loop der jaren. De gouden man (1982), De wimpers van de dageraad (1987), Kippevleugels (1991), Hora incerta (1993), Het lied van de krekel (1996) en Het arsenaal (2000) werden samen met zijn debuut gebundeld in Tot zover. De meeste gedichten, een soort verzameld werk dat door Eijkelboom zelf als niet meer dan een tussenstand werd gezien. Dat hij nog lang niet was uitgeschreven mocht wel blijken uit het feit dat – nog exclusief bibliofiele uitgaven her en der – ook in de laatste zes jaar drie nieuwe bundels van zijn hand verschenen: Heden voelen mijn voeten zich goed (2002), Binnensmonds jubelend (2004) en Een olifant met geheugenverlies (2005).  Eijkelboom is een dichter die zijn aanvankelijke toon en thematiek (precieze toegankelijke gedichten over existentiële onderwerpen als dood, verlies, liefde en erotiek) trouw is gebleven, en dat zal ook wel te maken hebben met het feit dat zijn poëtica al jaren had liggen rijpen eer hij debuteerde. Zijn poëzie kenmerkt zich door een epicuristische bescheidenheid, een vitaal soort berusting en een nuchtere vorm van nostalgie. Zij is lichtvoetig maar op het niveau van de techniek, de prosodie, klank en ritme o zo geraffineerd, zij is verstaanbaar maar allerminst eenvoudig. En ze is rijk aan paradoxale, ironische en onvergetelijke regels die langzaam tot het collectieve geheugen zijn gaan behoren:

Doodgaan behoort tot het zeer weinige
dat niet zou mogen. Toch
wordt het veel gedaan

Of:

O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht 

Of:

Zo oud als toen hoop ik nooit meer te worden

En hetzelfde geldt voor de titel van die eerste dichtbundel: Wat blijft komt nooit terug.

Jan Eijkelboom werd geboren in Ridderkerk en was voordat hij zich wendde tot het vertalen en schrijven van poëzie lange tijd werkzaam als journalist voor o.a. Vrij Nederland (waar hij later adjunct hoofdredacteur werd) en Het Vrije Volk. Als militair was hij aanwezig bij de politionele acties in Indonesië, eind jaren veertig. Zijn ervaringen aldaar verwerkte hij in de verhalenbundel Het krijgsbedrijf (2000). Na zijn terugkeer uit Indonesië studeerde Eijkelboom enkele jaren Engelse taal- en letterkunde en politicologie alvorens hij in de journalistiek verzeild raakte.

Zijn literaire werk is meermaals bekroond. Voor De gouden man werd hem in 1983 de Herman Gorterprijs toegekend, in 1994 kreeg hij voor zijn hele oeuvre de Anna Blamanprijs en in 2003 ontving hij de Jan Campertprijs voor Heden voelen mijn voeten zich goed. Voor het gedicht ‘Rafels’ uit de bundel Het arsenaal ontving hij de Gedichtendagprijs 2001.

Opmaak 1

Het overgrote deel van zijn oeuvre verscheen bij Uitgeverij De Arbeiderspers, en daarom lag het ook voor de hand dat daar in 2012 de Verzamelde gedichten (samengesteld door Kees van ’t Hof) verschenen. Een pil van 560 bladzijden in een prachtige om de vormgeving (door Steven van der Gaauw) bekroonde uitgave. Daar was Jan Eijkelboom zelf niet meer bij. Hij zou het allicht te veel, te compleet, te monumentaal hebben gevonden. Enfin, hij heeft nu zijn steegje.

Het vlijmscherpe gevoel voor stijl

Donderdag 7 september werd de eerder die week overleden Theo Sontrop, oud-uitgever van De Arbeiderspers, begraven op het kerkhof van Vlieland, het eiland waar hij de laatste twintig jaar van zijn leven heeft doorgebracht. In de aangrenzende zeventiende-eeuwse Nicolaaskerk was een dienst, bijgewoond door een delegatie van enkele tientallen uit de literaire wereld en een deel van de dorpsgemeenschap. Dominee sprak er, op verzoek van Sontrop, over ongelovigheid. Ook vriend en oud-collega Maarten Asscher voerde het woord. Jean-Pierre Rawie las een gedicht en Sontrops geliefde Els Bouwman (door hemzelf tientallen jaren steevast zijn maîtresse-en-titre genoemd) had het laatste woord. Zij memoreerde hoe Sontrop met zorg en liefdevolle aandacht werd omringd door de verpleegsters in verzorgingshuis de Uiterton (een plek waar hij niet terecht wilde komen maar waar hij niettemin zijn laatste dagen doorbracht) en daarvan danig onder de indruk was: ‘Wat is doodgaan toch mooi.’ De hilariteit was groot toen Els sprak te willen eindigen met een belofte die ze Theo lang geleden had gedaan. ‘Ik moest tegen jullie zeggen dat hij een geweldige minnaar is geweest.’ Aan gene zijde zat de oude sater schuddebuikend te gniffelen.

Hieronder de tekst van de door mij gehouden toespraak in de kerk in Vlieland.

Zo’n twintig jaar heeft hij, ver weg van het stadsgewoel en betrekkelijk anoniem, op dit eiland vertoefd: dat excentrieke boekenmannetje woonachtig aan de Champs Elysées van Vlieland. Maar tussen eind jaren zestig en halverwege de jaren negentig was dat mannetje in brede kringen een beroemdheid. Van 1972 tot 1991 was hij uitgever – literair uitgever – van De Arbeiderspers in een tijd dat zulke lieden nog aanzien hadden. En met Geert van Oorschot en Geert Lubberhuizen behoorde hij tot de allerbeste en meest karakteristieke uitgevers. Dat hij een legende werd kwam ook doordat hij abrupt van het toneel verdween. En op Vlieland vond hij een lege plek om te blijven.

Want wie kende Theo Sontrop niet in die jaren? De geestdriftige uitgeefkabouter met het bronzen stemgeluid, die overal op de grachtengordel kon worden aangetroffen, met jaspanden vol kwinkslagen en bon mots. En wie hem daar niet in de literaire kroegen of boekhandels tegenkwam, die hoorde hem op de radio of trof zijn naam aan bij citaten of verwijzingen in kranten en bladen.

Ik was nog maar net afgestudeerd toen Theo – achteraf bezien – al fin de carrière was. Maar ook ik kende hem, niet verwonderlijk voor iemand die in de literaire journalistiek opereerde en hem aldus weleens tegenkwam op Vers voor de Pers of bij een boekpresentatie. Maar samengewerkt met Theo heb ik nooit, want toen ik bij De Arbeiderspers in dienst trad, halverwege 1995, was hij daar al een paar jaar weg. Martin Ros, met wie hij een illuster duo vormde, was daar toen nog wel, en ik heb me bijzonder met hem geamuseerd, maar samenwerken in combinatie met Martin Ros, dat is een contradictio in terminis. Ik weet niet hoe samenwerken met Theo zou zijn geweest, maar hoeveel redacteuren en uitgevers er ook kwamen en gingen, paradoxaal genoeg ben ik altijd juist met hem contact blijven houden. Na verloop van tijd hij trouwens ook met mij, want eens in de pakweg drie maanden belde hij me op, strooide een confetti van vileine oneliners en vuige roddels door de phoon, debiteerde tussendoor zijn keur van leeservaringen (met altijd een paar goeie tips) om vervolgens uit de AP-oogst van de afgelopen maanden wat titels op te vragen die hem interesseerden.

Toch duurde het, toen ik net bij AP begonnen was, even voor ik zijn vertrouwen had gewonnen. En niet alleen omdat ik dertien centimeter langer was dan hij. Het was ook omdat ik was aangesteld door degenen die hem eruit hadden gewerkt. In de paar jaar die hij toen nog in Amsterdam vertoefde troffen we hem geregeld in een van de kroegen rond Athenaeum Boekhandel, vaak De Zwart, kijvend op de ‘managèrs’ die hem het leven zuur hadden gemaakt. Maar ook in die wat gekwetste conditie was hij nog altijd goed voor stapels wisecracks en woordspelingen en had hij de lachers op zijn hand. Ik herinner me dat ik, niet lang voordat hij naar Vlieland vertrok, met collega Aart Aarsbergen bij hem op bezoek was in zijn woning aan de Keizersgracht vanwege kwesties betreffende het verzameld werk van F.B. Hotz, toen er naar een asbak werd geïnformeerd (of misschien was hij er als kettingroker zelf naar op zoek). Waarna Theo: ‘You want an ashtray? My dear, the whole house is an ashtray!’ Om vervolgens te verklappen dat Mary McCarthy dit na een soortgelijke vraag tegen Cees Nooteboom had gezegd toen die haar begin jaren zestig in haar huis in New York interviewde voor de Avenue. Dit is een voorbeeld uit duizenden. En de eerlijkheid gebiedt te zeggen: van die duizenden kwamen er tientallen met regelmaat terug. Want Theo beschikte over een repertoire, dat overigens telkens weer werd aangevuld.

Zijn betekenis voor De Arbeiderspers reikt echter een stuk verder dan het effect dat hij als onbezoldigd cabaretier had. Toen hij daar begin jaren zeventig als uitgever aantrad was het een ietwat vermolmd socialistisch bolwerk met een handvol literaire auteurs (onder wie Louis Paul Boon en Simon Carmiggelt) en een ratjetoe van soms non-descripte boeken in vele andere genres, inclusief de oeverloze verzameling onder de imprint Wetenschappelijke Uitgeverij. Maar in de loop van dat decennium boog Theo het uitgavenbeleid op eigenzinnige wijze om in sterk literaire richting en kreeg het huis met die naam die zo weinig esthetiek oproept zijn voorname klank. Onder zijn leiding debuteerden succesauteurs als Maarten ’t Hart, F.B. Hotz, Tessa de Loo, Boudewijn Büch, Geerten Meijsing, Joost Zwagerman en Anna Enquist en kwamen grote namen als Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers de rangen versterken. En mede door zijn toedoen kreeg Privé-domein, dat al sinds 1966 bestond, zijn prestigieuze karakter door schitterende delen toe te voegen van Gustave Flaubert, Stefan Zweig, Fernando Pessoa, Georges Perec en vele anderen. Een poëziefonds kende De Arbeiderspers tot zijn komst hoegenaamd niet. Maar daarin kwam snel verandering. Theo heeft dat zeer herkenbare fonds gestalte gegeven met door hem ontdekte dichters als Jan Eijkelboom, Rob Schouten, Ed Leeflang en Eva Gerlach. Ook Herman de Coninck voegde zich aan het eind van het Sontrop-tijdperk nog bij die inmiddels illustere rij. Dat alles dankzij zijn vlijmscherpe gevoel voor literaire stijl en kwaliteit en voor teksten van een bijzondere zeggingskracht.

Maar op die kwaliteiten wilde Theo zich, toen hij eind jaren negentig op Vlieland ging wonen, niet meer laten voorstaan, of in elk geval had hij er, met iets van desillusie in het hart, geen boodschap meer aan. Hij bleef vrijwel permanent op het eiland in splendid isolation, tuinierend, boeken verslindend als nooit tevoren en halsstarrig pipo (dat wil zeggen vitaal) blijvend, en hij kwam dus nog maar zelden, zoals hij dat noemde, ‘aan wal’. Een of twee keer per jaar maakte hij een stedentripje, iets wat we niet eens zouden hebben geweten als we geen ansichtkaarten van hem hadden ontvangen uit Praag, Parijs, Boedapest, Riga of Lissabon.

In al die twintig jaar ben ik er niet in geslaagd hem zijn memoires te laten schrijven (dat die in verkorte vorm toch nog, opgetekend door Onno Blom, in een hors concours Privé-domeintje onder de titel De conversationalist, bij AP verschenen, is vooral Onno’s verdienste van hardnekkig volhouden), en maar een paar keer is het me gelukt hem voor iets AP-feestelijks van het eiland te lokken, de laatste keer toen we het Het gedicht gebeurt nu, het verzameld werk van Eva Gerlach, ten doop hielden. Idem voor wat betreft verzoeken om bescheiden letterkundige bijdragen (ook niet voor het 80-jarig jubileumfeest). Slechts één keer heeft hij een uitzondering gemaakt, en wel voor de bundel Feestelijk verval ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Dirkje Kuik. Tussen Kuik en Sontrop zat een (Utrechtse) band die veel verder terugging dan zijn uitgeverstijd. Theo zou wat insturen. Er werd een deadline overschreden. En nog een. En nog een, en zelfs toen het hele boek persklaar bij de drukker lag en er voor Theo een lege bladzij was gereserveerd omdat zijn bijdrage ‘geheid en zeker’ tijdig zou arriveren, hadden we nog steeds geen kopij.  Zodat de bijdrage van Th. A. Sontrop – een uniek geval – een lege bladzij is. Een laatste Arbeiderspesterijtje? Ik denk het niet. Luiheid heeft hij het zelf weleens genoemd, maar ik denk dat het eerder (en daarmee verwant) te maken heeft met het ambivalente gevoel dat alles ijdelheid is en het najagen van wind. Besef van de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Daarvan is die witte bladzij de perfecte uitdrukking. Een lege plek om te blijven. Of subliemer nog: de invulling van het hoogst haalbare, namelijk Mallarmé’s streven naar het totaal witte, volkomen lege gedicht. Het streven naar niets dat daarmee de uitdrukking van alles is.

In de literaire wereld – en bij De Arbeiderspers in het bijzonder – wordt de dood van Theo Sontrop betreurd. Wij bouwen – zij het niet klakkeloos – voort aan wat door hem is neergezet en we hopen dat dit niet onopgemerkt blijft.

 

 

Theo Sontrop (1931-2017)

In De conversationalist liet Onno Blom Theo Sontrop aldus beginnen aan zijn met veel bon mots en vileine kwinkslagen opgediende herinneringen: ‘Ik hoop dat mijn vijanden opschrikken als ze dit lezen. Is die nu nóg niet ex-pipo, de pijp uit? Nee, beste mensen, ik besta.’

De conversationalist, bij De Arbeiderspers verschenen als Privé-domein hors concours ter gelegenheid van de jaarwisseling 2014-2015, bevatte de (voornamelijk literaire) memoires die Sontrop, uit een moeilijk te duiden mengeling van gemakzucht en weerzin, zelf nooit had willen opschrijven. Uit de uitgave kwam ook duidelijk naar voren dat zijn leven zich sinds 1997 hoofdzakelijk afspeelde op Vlieland, ver weg van de inmiddels door hem vermaledijde uitgeverswereld en (dus) ver weg van Amsterdam waar hij tussen 1972 en 1991 directeur-uitgever was van De Arbeiderspers. Theo Sontrop was aldus een van de gezichtsbepalende figuren in het literaire leven.

Zondagmiddag 2 september overleed Sontrop en kwam er een einde aan die toestand waarin hij, genietend van een rustig eilandleven, tuinierend en boeken verslindend als nooit tevoren, pipo bleef. Zijn dood is een feit dat in uitgeverskringen – hoezeer hij die zelf ook de rug had toegekeerd – zeer wordt betreurd.

Theo Sontrop, 86 jaar geworden, was een van de laatste nog levende legendarische uitgevers. Voor De Arbeiderspers is hij van onschatbare betekenis geweest. Bij zijn aantreden in 1972 was het een uitgeverij met een handvol literaire auteurs zonder veel cachet. Onder zijn leiding kwamen of debuteerden succesauteurs als Maarten ’t Hart, Boudewijn Büch, Jeroen Brouwers, F.B. Hotz, Cees Nooteboom, Tessa de Loo en Anna Enquist, werden grote buitenlandse schrijvers als Paul Auster, Patrick Modiano en José Saramago binnengehaald en kreeg de reeks Privé-domein (met figuren als Flaubert, Zweig, Pessoa, Cioran en vooral heel veel tot dan toe onbekende Fransen) zijn prestigieuze karakter. Sontrop, ook een meer dan verdienstelijk zij het matig productieve dichter, is terecht altijd geprezen om zijn vlijmscherpe gevoel voor literaire stijl en voor teksten van een bijzondere zeggingskracht.

De Arbeiderspers is met zijn tijd meegegaan maar voelt zich onverminderd schatplichtig aan de traditie die door Sontrop is opgebouwd en doet zijn best die in ere te houden.

Poëzie als overlevingsstrategie. Over ‘De boom valt op mij’ van Ilse Starkenburg

Op een enkele uitzondering na is De boom valt op mij, de vijfde bundel van Ilse Starkenburg, heel goed ontvangen. Het was haar eerste bundel in tien jaar. Het valt natuurlijk onmogelijk te bewijzen maar het zou best eens kunnen dat er een verband bestaat tussen dat lange stilzwijgen en die uiterst welwillende ontvangst. Daar zit een zelfkant aan (reculer pour mieux sauter) maar ook een andere kant. Laat de lezers (en mutatis mutandis de literaire kritiek) maar eens honger krijgen. Des te meer komt men een volgende keer aan zijn trekken.

Om er hier een paar (van die recensies) kort te noemen: Dieuwertje Mertens in Het Parool waardeert de gedichten van Starkenburg weliswaar positief, maar De boom valt op mij ziet ze al met al als een verzameling ‘fijne, gedegen, dromerige gedichten, die soms een verwijzing naar de filosofie of de literatuur bevatten en regelmatig eindigen met een twist of een grapje. […] De gedichten zijn aangenaam en vertrouwd als een eerste lentedag.’ Vreemd hoe iemand deze poëzie kan lezen als vooral aangenaam en ongevaarlijk.

Tot een heel andere conclusie – en mijns inziens eentje waarmee de vinger beter op de zere plek wordt gelegd – komt Janita Monna in Trouw, in een recensie waaruit overigens eveneens vooral waardering spreekt: ‘Achter dit soort lichte twinkelingen’ – Monna wijdt uit over een gedicht waarin vrolijkheid en humor weerklinken – ‘schuilt veel eenzaamheid. Dat gevoel probeert de dichter op de staart te trappen. Het ene moment laat ze zich er volledig door meeslepen. […] Om elders tot het nuchtere besef te komen dat échte eenzaamheid voor een ander onzichtbaar blijft.’

In soortgelijke bewoordingen laat ook Maria Barnas in de Volkskrant zich erover uit: ‘Starkenburg veroorzaakt met ultieme beheersing een verpletterend besef van eenzaamheid, schijnbaar achteloos en met de lichtste aanraking van het woord.’

Het scherpst in dat opzicht – dat van de (h)erkenning van angst en eenzaamheid als grondthema in het werk van Ilse Starkenburg – verwoordt Mario Molegraaf het in het tijdschrift Lychnari. Verkenningen in het Griekenland van nu, in een artikel waarin hij meteen maar het hele oeuvre van Starkenburg (vijf dichtbundels en een verhalenbundel) erbij betrekt: ‘Gedichten als noodsignalen, als afgeschoten vuurpijlen. Hier ben ik, een teken van mijn eiland. Of maak ik te veel psychologie van de poëzie van Ilse Starkenburg?’

Ik denk dat je – mits met verstand en niet al te veel koude grond bedreven – niet genoeg psychologie kunt maken van de poëzie van Ilse Starkenburg. In ieder geval heb ik me er ook zelf ‘schuldig’ aan gemaakt toen ik in april jongstleden de onderstaande woorden sprak tijdens de presentatie van de bundel op de met grote voorsprong kleinste podiumplek van Nederland, het Torpedo Theater in de Sint Pieterspoortsteeg in Amsterdam, een theater met een heuse bühne en een voorhang, een bar en zelfs een balustrade (al gaat het in praktische zin om een trompe l’oeil) dat nauwelijks de ruimte van een iets meer dan gemiddelde woonkamer overstijgt. (Er waren daar in het Torpedo Theater trouwens ook optredens van de dichters Peter Swanborn en Anne Büdgen alsook uiteraard van Ilse Starkenburg zelf, het zij gezegd.)

Ilse_Starkenburg_2 001

Hier wordt vandaag op glorieuze wijze een stilte verbroken. Misschien moest daar eerst met enig geweld een boom voor worden geveld, een barricade voor worden doorbroken, misschien moest er tijd verstrijken. Dat laatste is in elk geval wel gebeurd sinds de verschijning van Gekraakt klooster, de vorige bundel van Ilse Starkenburg.

Tien jaar is dat geleden! Tien jaar om van Gekraakt klooster naar De boom valt op mij te gaan. Maar wie Ilse Starkenburg wat beter kennen weten dat het allerminst zo is dat er in die tien jaar niet gewerkt is, niet geschreven, niet geleefd. Er is een hoop gebeurd, al voert het wat ver om te beweren dat dit ook allemaal verwerkt is in deze nieuwe bundel. Ilse Starkenburg is niet een autobiografisch dichter, al zouden we het desondanks eens kunnen zijn met schrijver en criticus Tim Parks wanneer die, in het onlangs in Nederland verschenen De roman als overlevingsstrategie beweert dat stijl, tekstsoort en de manier van vertellen samen de overlevingsstrategie vormen die de auteur – álle auteurs van álle literaire teksten – ontwikkelt als reactie op spanningen in zijn of haar persoonlijke leven.

Tussen 1990 en 2007 verschenen van Ilse Starkenburg vier andere dichtbundels en een verhalenbundel bij De Arbeiderspers. En daarna dus – nogmaals – tien jaar niets. Alleen al daarom vind ik de verschijning van De boom valt op mij een belangwekkende gebeurtenis. Nu ik twee derde van haar oeuvre als redacteur heb begeleid is het wellicht interessant om eens na te gaan, hoe ik haar werk in die afgelopen twintig jaar gezien heb. Ik kan het niet beter doen dan door naar de flapteksten te kijken, want die heb ik immers (zo goed als) zelf geschreven.

Over de verhalenbundel De blinde vlek op de kaart (1998) schreef ik dat daarin ‘kleine, alledaagse voorvallen het uitgangspunt vormen, maar door de manier van kijken van de hoofdpersonen, en doordat zij niets als vanzelfsprekend ervaren, neemt dit alledaagse vaak zeer onalledaagse proporties aan’. Die verhalen werden in 2003 gevolgd door een derde bundel, in plaats van alleen. Daar meldt de flaptekst dat ‘een verlangen naar werkelijkheid, naar contact met de dingen een van de terugkerende motieven’ is. ‘Haar poëzie, bedrieglijk eenvoudig vanwege haar directheid, is in diepste wezen anti-hermetisch. Een gesloten wereld met bijbehorende geheimtaal, is hier slechts vertrekpunt. Het oogmerk is niet tot een gedicht te komen dat de werkelijkheid vervangt, maar juist tot één dat die werkelijkheid ontsluit.’

Gekraakt klooster (2007) bevat nog wel een flaptekst maar blijkbaar hadden wij – Ilse en ik – samen besloten dat we het daarin niet weer over de thematiek en het wezen van haar werk moesten hebben (die immers niet wezenlijk was veranderd) maar dit keer vooral over de wapenfeiten. Dat haar werk in allerlei prestigieuze literaire tijdschriften verschijnt, dat het veel in (niet minder prestigieuze) bloemlezingen wordt opgenomen, dat het met stipendia en nominaties voor belangrijke prijzen was beloond.

En nu, vandaag, kunnen we constateren, dat dat een point of no return blijkt te zijn geweest, want De boom valt op mij heeft helemaal geen flaptekst meer. Geen blurb, geen bio, geen biblio, geen wapenfeiten, geen inhoudelijk tekstje (nog geen regel). Niks! Om met Jules Deelder te spreken: ‘geen klote, geen donder, geen reet’. Het moest maar eens voor zichzelf gaan spreken, die poëzie van Ilse Starkenburg, vond Ilse Starkenburg, en daar ging ik volledig in mee. Dat wil zeggen: voor de flaptekst.

Want we hebben natuurlijk altijd nog de prospectustekst achter de hand. Daar staat naar aanleiding van De boom valt op mij het volgende: ‘Vanaf haar debuut Verdwaald ontwaken werkt Ilse aan een dichterlijk oeuvre waarin verlangen naar aanwezigheid en contact met de ander constanten zijn. Haar gedichten zijn evenzovele pogingen om een voortdurend sluimerend dan wel concreet isolement te doorbreken. […] Ze doet dat in een taal die zich meer dan ooit beperkt tot de essentie en als zodanig waarmaakt wat Jan Arends ooit dichtte: ‘Ik/ schrijf gedichten/ als dunne bomen.// Wie kan zo mager/ praten/ met de taal/ als ik?’

Het antwoord, beste Jan Arends, luidt: Ilse Starkenburg.

En o, er valt nog zoveel meer te zeggen over haar poëzie. Zoals bijvoorbeeld dat haar poëzie vaak heel geestig is, iets wat Maria Barnas in haar uiterst lovende recensie van De boom valt op mij in de Volkskrant afgelopen zaterdag al constateerde: ‘De observaties over hoe anderen omgaan met elkaar zijn vaak teder en tragikomisch: o, ik vond het zo mooi denkt de ik-figuur bij een herinnering aan hoe Andrea een gedicht schreef “bij de eenzaamheid van Tanya”. Door het woord “bij” wordt “de eenzaamheid van Tanya” verheven tot iets belangwekkends.’

Hier komt het:

HOU JE BIJ JE LEEST

Andrea schreef een gedicht
bij de eenzaamheid van Tanya

het werd een eindeloos gedicht
begeleid door Tanya’s gitaar

akoestisch en met nylon snaren
o, ik vond het zo mooi

het werd een eindeloos gedicht
Tanya ging er beelden bij maken

je zag Tanya dansen met zichzelf
naast het bed waarin ze elke nacht

en het liedje ging maar door
dat liedje over eenzaamheid

je voelde haar in parken
monumenten aanspreken

alleen eten in eetcafé’s
o, ik vond het zo mooi
toch denk ik dat het nog
iets ingewikkelder ligt

het bed was zo opgemaakt
en Andrea
bleef er steeds maar bij

vdh9789029511780

 

 

 

 

Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Over ‘As, vuur’ van Hester Knibbe

Het was even wachten op echte (die naam waardige) recensies over As, vuur, de nieuwe eind mei verschenen dichtbundel van Hester Knibbe. Maar het wachten was de moeite en het ongeduld waard, want neem nou de beschouwing van Arie van den Berg op vrijdag 14 juli in NRC Handelsblad met als aankeiler op de voorpagina van de cultuurbijlage ‘Poëzie vol oerwoorden van onze beste dichter’. Het stuk zelf is één grote lofrede op het dichterschap van Knibbe en culmineert in de volgende regels: ‘Na elf bundels behoort Hester Knibbe wat mij betreft tot onze beste dichters, en per bundel is haar kwaliteit nog altijd stijgend. Tijd voor de P.C. Hooftprijs?’ Van mij mag het.

En het mocht van mij ook al, toen ik op zaterdagmiddag 27 eind mei – het was snikheet die dag – de onderstaande woorden uitsprak (voor deze blog enigszins bewerkt) op de presentatie van As, vuur in boekhandel Donner te Rotterdam. Het was een middag met muziek van de Rotterdamse band The Yes Please en bijdragen van Derek Otte, stadsdichter van Rotterdam (in die functie opvolger van Hester Knibbe), Peter Swanborn (collega-dichter, hoofdredacteur van het tijdschrift Tortuca en recensent van de Volkskrant), die Knibbe interviewde, dichter en oud-Letterkundig Museumdirecteur Anton Korteweg en Miriam Van hee die samen met Hester Knibbe elk vier gedichten uit de gedichtendialoog ‘Leeftocht’ voorlazen. Het aandeel van Knibbe in die dialoog is ook in As, vuur terechtgekomen.

In de stad van de schaars verwende kampioenen moet het gepermitteerd zijn nog één keer die uit zijn voegen geciteerde wisecrack van Gerard Cox te citeren: ‘Feyenoord-fan – dat ben je niet voor je lol.’ Dus beste Rotterdammers, Feyenoorders: geniet nog maar even van die landstitel, want de komende decaden zult u weer op water en brood moeten leven en nederlaag op nederlaag moeten lijden.

Ik zeg dit niet zomaar. En ik zeg het ook niet om de boel een beetje te provoceren. Ik zeg dit omdat ik hier uit liefde sta – dat moet u van me willen aannemen. Ik sta hier uit liefde voor Hester Knibbe, voor haar gebeitelde poëzie, voor de literatuur, ja zelfs voor Feyenoord en Rotterdam. Maar voor de lol sta ik hier ook niet, meneer Cox. Er is geen mens, en zeker geen Nederlands mens, die zelfs maar een beetje besmet is met de bacil der wielergekte die nu voor zijn lol ook maar ergens anders zou willen zijn dan in de koers of voor de buis om te kijken naar de Ronde van Italië, de Giro, die zich op dit eigenste uur in de beslissende fase bevindt, in de fase waarin Tom Dumoulin wel of niet gaat zegevieren. De renners beklimmen – terwijl ik dit zeg om 15.03 – de Monte Grappa in de voorlaatste etappe van Pordenone naar Asiago. En ik ken die berg, die vuile smeerlap. De eerste keer dat ik hem bedwong… Herstel, de eerste keer dat ik hem probéérde te bedwingen – mijn oudste zus woonde in die tijd in Marostica (in de Veneto) op een kilometer of dertig van deze magische col – raakte ik niet boven. Onbezonnen als ik toen was, begon ik er veel te hard aan en draaide ik mijn motor in de soep. Ik kookte over, de benen ontploften en ik brandde af als een luciferhoutje. De tweede keer was ik veel beter getraind en ging ik weloverwogen te werk. Niet te hard van stapel en eerst een goede cadans vinden. Zo kreeg ik vleugels en herrees ik op de Monte Grappa, gelijk een feniks uit de as van mijn eerste mislukte poging.  Ik had het gevoel te vliegen en ging dansend naar boven – en danseuse heet dat in wielertermen als je uit het zadel wiegend op de trappers voortbeweegt.

Eerst sterven, dan hoog opstijgen – dat is de juiste volgorde.

De nieuwe bundel van Hester Knibbe heet As, vuur. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de werktitel heel lang een andere was (Wie gij worm, een titel nog gekker dan het toch ook al curieuze Archaïsch de dieren), maar het is een heel gelukkige ingreep van Hester geweest om daar te elfder ure nog verandering in aan te brengen. As, vuur is namelijk een uiterst betekenisvolle titel.

Knibbe_Koos_Breukel_BEW

De bundel valt in twee delen uiteen: ‘Drift’ en ‘Stromen’. Uitgangspunt voor het eerste deel, ‘Drift’, is een aantal zogenaamde ‘oerwoorden’ die alle Euraziatische families met elkaar verbinden. As en vuur zijn twee van die oerwoorden. En ‘As’ is de titel van het laatste gedicht van de afdeling ‘Mond’ uit dat eerste deel, terwijl het meteen daaropvolgende gedicht ‘Vuur’ het eerste gedicht uit de afdeling ‘Hand’ is.

‘As’ gaat als volgt:

wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaapt kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Er is nog een derde afdeling in dat eerste deel ‘Drift’, en die slotafdeling eindigt met het gedicht ‘Stromen’, dat weer eindigt met de regels ‘om / een monding een zee aan je voeten / te weten waarin / verdwijnen gewoon is’. Het tweede grote deel van de hele bundel heet als gezegd in zijn geheel ‘Stromen’. Het begint daar al meteen in het eerste gedicht te bewegen als een tierelier: ‘Er vliegt een vogel voorbij, vleugels zo wijd dat je / zijn slagpennen kunt tellen, maar wie ontrafelt zijn roep? // Iemand kan naakt op spitzen dansen, armen gespreid, / en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo’.

Om terug te komen op de titel van de hele bundel en het na elkaar geplaatst staan van de gedichten ‘As’ en ‘Vuur’: die volgorde roept onvermijdelijk de associatie op dat er alleen getriomfeerd en geleefd kan worden als er eerst is gestorven of een nederlaag geleden. Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Alleen zo blijft de ziel bewaard. De beweging van dood naar het leven impliceert dat As, vuur een bundel is die vitaliteit benadrukt en dat ook wil uitstralen. De dood neemt niettemin een belangrijke plaats in – de hele eerste helft van de bundel wordt er in zekere zin door gedomineerd –, maar belangrijker is het leven dat eruit voortkomt en dat een centrale plaats inneemt in het tweede deel van de bundel.

Cruijff heeft ook bij Feyenoord gespeeld, dus ik neem geen aanstoot als ik deze filosoof citeer met de woorden: ‘Als je niet ken verliezen ken je ook niet winnen’. Dat is toch de teneur van deze bundel. Of, de jager/verzamelaars indachtig: het is eten of gegeten worden. Of om met de oude Zeeuwen te spreken: ‘Luctor et emergo’, worstel en kom boven. En waarom zouden we niet ook de oude Nietzsche er nog bij halen met zijn concept van ‘de eeuwige terugkeer van hetzelfde’.

Twee helften zijn er dus in As, vuur. Een eerste helft onder de noemer ‘Drift’ en een tweede onder de noemer ‘Stromen’. Laat die twee woorden even op je inwerken en je zult je realiseren dat ze in feite hetzelfde betekenen. Beide woorden suggereren dynamiek, een soort van drijven, een iets met een wil. Drift zou je kunnen zien als de gestolde, gesubstantiveerde vorm van stromen, zoals as het resultaat is (of het residu) van branden.

Afijn, ik wil maar zeggen: deze bundel zit verdraaid goed in elkaar.

De betekenis van de structuur van de bundel wijst in de richting van een vitalistische instelling, maar dat levenskrachtige, op het nu gerichte doet niets af aan het feit dat tegelijkertijd de traditie, de geschiedenis en de eeuwige waarden verdedigd worden. Voor Hester Knibbe kan het nieuwe alleen bestaan bij de gratie van het oude. Niet voor niks was ze zo hartstochtelijk opgetogen over de vondst van die Euraziatische oerwoorden. De gedichten die daarover gaan en die (ten overvloede) de eerste helft van deze bundel vormen zou je kunnen zien als de humus (toch ook een soort van as) voor het tweede deel waarin de gestolde drift tot leven komt en gaat uitstromen in (misschien ook wel wat meer autobiografisch) gedichten over het eigen, actuele leven en waarin bij voorbeeld nogal wat gereisd wordt, een activiteit waaraan Hester zich met graagte overgeeft.

Intussen zijn we alweer een minuut of zeven hoger op de Monte Grappa. En ik heb geen idee hoe onze Hollander, die dagenlang in het maglia rosa reed maar nu dus niet meer, het stelt. Ik hoop dat het hem vergaat zoals het mij verging. Als de Piancavallo, de aankomstberg van gisteren, een soort generale van de Monte Grappa is en hij vandaag kan verrijzen uit de as van gisteren en de shit van nog wat langer geleden dan mag vanavond wellicht het ‘Victorious’ van Muse luid opklinken of welk ander toepasselijk triomflied dan ook. (Voor mijn part ‘Geen woorden maar daden’, hoewel dat appèl in de context van vanmiddag wat moeizaam overkomt.)

Het moge duidelijk zijn dat ik mij voor deze gedachten heb laten inspireren door de nieuwe bundel van Hester Knibbe. Daarom tot slot nog het gedicht ‘Vuur’:

Hij was een beginneling, een eenling
met twee linkerhanden en men lachte
naar hem, men lachte om hem. Maar hij

kluitte uit, waste zijn lijf, liep weg
met zichzelf en verbaasde wereld
toen hij met lenige handen

hout schikte, steen tegen steen
sloeg en met dat simpel geweld sluipend
het smeulen begon, branden ontstond, toen hij

vuur kneedde tot vlam die de hemel beklom.
En het werd donker onder de zon
de aarde een vruchtbare roetkorst.

Hij lachte, piste en knielde erop.

As, vuur

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑