Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Hoe een dorp werd betoverd met woorden en beelden. Over ‘Dat was Watou’, Gwy Mandelincks dagboek van de Poëziezomers 1980-2008

De Poëziezomers in Watou. Wie er niet geweest is, heeft er ongetwijfeld van gehoord. Het is een artistiek initiatief van Gwy Mandelinck dat dit West-Vlaamse dorp veranderde in een toverwereld. De ‘zomers’ groeiden uit tot een van de belangrijkste literair-culturele evenementen van De Lage Landen, ‘verbeeld en ook bezocht’, zo meldt de achterflap van Dat was Watou, ‘door honderden (internationale) dichters als René Char, Hugo Claus, Herman de Coninck, Elisabeth Eybers, Stefan Hertmans, Gerrit Komrij en Rutger Kopland en beeldend kunstenaars als Marina Abramovic, Jan Fabre, Annette Messager, Aernout Mik, Panamarenko, Roger Raveel en Luc Tuymans.’

Van de geschiedenis van die Poëziezomers – althans gedurende de lange periode dat Gwy Mandelinck er de hand in had – is vorige maand bij De Arbeiderspers genoemd boek verschenen. Hoofdmoot van deze door Ed van Eeden samengestelde en met foto’s en documenten gelardeerde uitgave vormen de dagboeknotities van Gwy Mandelinck. Er staan bijdragen in van de hand van Paul Demets, Luuk Gruwez, Jooris van Hulle, Anton Korteweg, Piet Piryns en Koen Van Synghel.

Het boek werd op 15 november ten doop gehouden in Brussel, bij deBuren, het Vlaams-Nederlands centrum voor cultuur en debat, gevestigd in de Leopoldstraat naast de Taalunie. Een welgekozen locatie aangezien Mandelinck van de Poëziezomers altijd een evenement maakte waaraan ook veel Nederlandse dichters en beeldend kunstenaars deelnamen en dat veel Nederlands publiek trok. Op de door Willem Bongers-Dek (directeur deBuren) geopende bijeenkomst sprak Hugo Brems over het (literair-) historisch belang van de Poëziezomers, lazen Luuk Gruwez en Hester Knibbe gedichten en was er een dankwoord van Agnes Hondekyn, echtgenote van Gwy Mandelinck, die om gezondheidsredenen zelf verstek moest laten gaan.

Namens de uitgeverij sprak ik voorafgaand aan de lezing van Hugo Brems de volgende woorden:

Sommige grootheden zijn niet zo makkelijk bij elkaar op te tellen, maar als je het toch doet en het lukt, kan het gebeuren dat de uitkomst overweldigend is, een gekwadrateerde waarde oplevert. Neem de optelsom van het oord Watou en de familie Mandelinck. Wie het gegund is geweest die som te kunnen maken, moet wel arcadische momenten hebben beleefd. Ik kan daarover meepraten.

Je kunt ook zeggen dat de uitkomst van die som (Watou + Mandelinck) de Poëziezomers zijn die tussen 1983 en 2008 zijn gehouden, en van die met niets vergelijkbare evenementen heb ik meerdere edities bezocht.

Ik bewaar er veel gelukzalige herinneringen aan, aan die cumulatie van beeldende kunst, poëzie, dat mooie dorp, die glooiende ommelanden, het vrijwel altijd zonnige weer en vooral de Mandelincks, ja meervoud, de Mandelincks want behalve Gwy was daar altijd ook – op de achtergrond, maar feitelijk alomtegenwoordig en gedecideerd het zenuwcentrum bestierend zodat Gwy de geest kon laten waaien en de verbeelding aan de macht kon laten komen – Agnes. De gastvrijheid van de Mandelincks – ik weet dat ik nu spreek namens heel dat uitvretersgilde van kunstenaars, dichters en in hun marge schooiend volk als uitgevers en journalisten – was vermaard tot ver over de taalgrens en zo exorbitant dat je er waarachtig ongemakkelijk van zou kunnen worden als je tenminste niet tot voornoemd infaam gilde zou behoren.

Gwy Mandelinck (2) (aan woning te Watou) (fotogr Els Verhaeghe).bmp.jpg
Gwy Mandelinck. Foto: Els Verhaeghe.

Louter aangename reminiscenties dus, omdat altijd de zon scheen die het bucolische landschap in een glans van ogenschijnlijk eeuwigdurende schoonheid zette. Behalve dan die ene keer op 7 september 1997 toen het regende en de weide waarop een grote tent was neergezet, waar het slotevenement van die editie werd gehouden dat — als ik het me goed herinner — de coda werd genoemd, in een drassig veld was veranderd dat zich die ochtend hulde in een waterige en sliertige mist. Bovendien was de aanleiding in wezen een droevige: iets meer dan drie maanden eerder was Herman de Coninck overleden, een net naar de zetter gebrachte bundel, Vingerafdrukken op het venster, verweesd achterlatend. Die bundel werd daar toen alsnog, maar dus postuum, gepresenteerd.

Ik hoefde Dat was Watou. Dagboek van de Poëziezomers 1980-2008 er maar op na te slaan om me er nog meer van te herinneren. ‘Vandaag,’ schrijft Gwy daarin onder de kop 7 september 1997, ‘plannen we een hommage aan Herman de Coninck, die in mei in Lissabon plots overleed. De Coninck ontmoetten we elk jaar in Watou; vaak kwam hij er lezen. Een vertrouwd doorrookt stemgeluid. [….] Gister werd er een helderwitte tent opgetrokken in de weide naast het Blauwhuys. Vijftienhonderd stoelen werden ordelijk onder een sneeuwwit zeil geplaatst.’ Als die stoelen allemaal bezet zijn geweest, snap ik met terugwerkende kracht waarom ik me herinner zo geïmponeerd te zijn geweest toen ik daar als redacteur van die bundel een toespraak moest houden. Daar zat dus een hele schouwburgzaal vol volk.

Ik herinner me voorts een namiddag in het mooie kapelaanshuis van de Mandelincks waarvan ik niet meer weet of het in een van de jaren voor 1997 of in een van de jaren kort daarna was. Ik heb er een vage herinnering aan dat Herman de Coninck erbij was, vóór 1997 dus, maar geheugens hebben de neiging gebeurtenissen op elkaar te plakken. Toch zie ik daar in de grote woonkeuken Hugo Claus, Anna Enquist, Rutger Kopland, Rob Schouten, Luuk Gruwez en Benno Barnard zitten en nog een paar. Hoe het ook zij en wie er ook waren: het was een en al esprit, en bier- en wijnovergoten gezelligheid. Ik herinner me dat ik nadien met Kopland en nog een paar anderen in zijn mosgroene strijkijzer, een Citroën DS, naar een nabijgelegen etablissement reed waar ook weer wat werd gedronken en waar we wellicht hebben overnacht. Voor wiens rekening zou dat zijn geweest?

Ik herinner me een lunch in het roemruchte restaurant ’t Hommelhof aan het Watouplein waar we hammetje in sint-bernardustripel aten en er het juiste bier bij dronken. Ik herinner me promenades in kuiertempo met Gwy langs allerlei installaties van een Poëziezomer waarbij op elke plek een exposé volgde op de gedreven wijze waarop hij er ook in Dat was Watou over schrijft.

Daar komt bij dat ik als redacteur – en dat staat enigszins los van Watou – drie bundels van Gwy tot stand hielp brengen: Overval in 1997, Schemerzones in 2009 en Lotgenoten in 2014. Bij al die gelegenheden ben ik – waar ik ook maar met Gwy en Agnes afsprak, in Watou, Brugge, Poperinge of Aartrijke, waar ze nu wonen – al evenzeer door hen gefêteerd, met copieuze maaltijden, goede dranken, aangename conversatie en zelfs eens een luxueuze overnachting.

Sterker nog: ik was tijdens die overnachting niet alleen. Ik was met vrouw en twee kinderen. We waren op weg naar een lang weekend in Parijs en het kwam zo uit dat er eigenlijk geen betere gelegenheid was dan de nieuwe bundel (het ging om Schemerzones en het zal dus in het vroege voorjaar van 2009 zijn geweest) met hem door te nemen tijdens een tussenstop. De suggestie om zo’n etappe in te lassen werd door Gwy als een dusdanig onvoorstelbare geste ervaren dat hij ons niet kon laten doorrijden. Geen sprake van. Er moest daar op zijn kosten in de buurt worden overnacht: ‘Jullie logeren in het Recour en eten in Restaurant Pegasus. Adres: Guido Gezellestraat 7, Poperinge. Beide zaken worden beheerd door dezelfde familie.’ Tegenspraak werd niet geduld. Het was een grandioos hotel en een fantastisch restaurant. Onze kinderen hebben het nu, ruim tien jaar later, nog over het hemelbed waarin ze sliepen.

Alleen al daarom voelde ik mij — en dus om zuiver persoonlijke, voor buitenstaanders wellicht corrupte redenen — geroepen toen Gwy Mandelinck (voor wie het mij ontzettend spijt dat hij er vandaag zelf niet bij kan zijn) mij een jaar of vier geleden vroeg of ik het op zijn dagboeknotities geënte boek over de Poëziezomers zou willen uitgeven. Ja, dat wilde ik zeker, om de vuige redenen die ik al noemde, maar ik realiseerde me ook meteen dat er een cultuurhistorisch en literair belang gediend zou zijn met zo’n uitgave. Niemand hoeft dat van een in de watten gelegde uitgever aan te nemen. Andere sprekers zullen met meer distantie (en dus overtuigender) het belang van dit boek weten te duiden.

Eén ding is echter wel zeker: zonder Gwy en Agnes zouden de Poëziezomers nooit zijn geworden wat ze tussen 1983 en 2008 zijn geweest: een ontmoetingsplaats van beeldend kunstenaars, schrijvers en kunstminnend volk, en een jaarlijks evenement waarin een mooi dorp, verscholen in de plooien van het West-Vlaamse heuvelland, gedurende enkele maanden veranderde in een betoverde wereld. Zonder hen zou dat er allemaal nooit geweest zijn.

5d9d7_9789029540445_cvr.jpg

Alsof ze iets belangrijks kwijt was. Scherven van Ilse Starkenburg (1963-2019)

een zuchtje wind, knarsend grind onder
een teen en één van ons draaide
het zou kouder worden
we zouden ouder worden
onze vriendschap moeten achterlaten
op een dag, op een dak
in een gedicht
[Fragment uit ‘Zwoel’, De boom valt op mij]

Ze zou naar Spanje gaan, maar daarvan is het niet meer gekomen. Op 11 november is dichter en schrijfster Ilse Starkenburg in haar huis in Amsterdam plotseling overleden.

Ilse Starkenburg was een kostbare vaas gemaakt van het fijnste porselein, heel kwetsbaar, broos, onvast op wankele voetjes. Die vaas was al gebutst en door stoten gekarteld en gecraqueleerd. Maar nu is ze voorgoed uiteengevallen in ontelbare scherven. Onherstelbaar beschadigd.

Ilse Starkenburg werd geboren in Dieren, studeerde Nederlands en filosofie in Groningen en toog na haar studie naar Amsterdam. Daar begon ze eind jaren tachtig gedichten te publiceren in het literaire tijdschrift Maatstaf waarna ze in 1990 bij De Arbeiderspers debuteerde met de bundel Verdwaald ontwaken. De opvolger daarvan, Afspraak met een eiland, verscheen in 1995. Voor die eerste twee bundels werd haar in 1996 het Charlotte Köhler-stipendium verleend. Bovendien werden vertalingen van haar werk in 2000 genomineerd voor de Duitse Nordhrein-Westfalen Literaturpreis. De blinde vlek op de kaart, een bundel verhalen over alledaagse voorvallen die onalledaagse proporties aannemen, in 1998 uitgebracht, bleef haar enige prozawerk.

Starkenburg was een langzame en precieze dichter. Pas in 2003 verscheen haar derde bundel, In plaats van alleen. Daarop volgden nog Gekraakt klooster (2007) en De boom valt op mij (2017), die zeer goed ontvangen werd. Haar uitgedunde gedichten, bedrieglijk eenvoudig vanwege hun directheid, zijn in diepste wezen anti-hermetisch. Heel haar werk is op een bepaalde manier te lezen als een schreeuw om contact met de ander en de met de werkelijkheid.

vdh9789029511780

Over De boom valt op mij schreef Janita Monna in Trouw: ‘Achter dit soort lichte twinkelingen schuilt veel eenzaamheid. Dat gevoel probeert de dichter op de staart te trappen. Het ene moment laat ze zich er volledig door meeslepen. […] Om elders tot het nuchtere besef te komen dat échte eenzaamheid voor een ander onzichtbaar blijft.’ In soortgelijke bewoordingen uitte ook Maria Barnas in de Volkskrant haar bewondering voor dit werk: ‘Starkenburg veroorzaakt met ultieme beheersing een verpletterend besef van eenzaamheid, schijnbaar achteloos en met de lichtste aanraking van het woord.’

Starkenburg maakte met Menno Wigman, Eva Gerlach, Tsjead Bruinja en Neeltje Maria Min en nog een aantal anderen jarenlang deel uit van de zogeheten Poule des Doods, de door Frank Starik opgerichte groep dichters die in de hoofdstad onder de noemer Eenzame Uitvaart een laatste eer bewees aan een eenzaam overledene met een speciaal voor hen geschreven gedicht.

Men zou Ilse Starkenburg een honkvaste dichter kunnen noemen als die honkvastheid niet voor minstens deel het gevolg was van armoede. Ze reisde niet of nauwelijks en haar jaarlijkse (werk)vakanties bracht ze graag door in het door haar geliefde Roland Holst-huis in het Noord-Hollandse Bergen. Tijdens haar laatste verblijf daar werkte ze aan een tweede prozaboek en een nieuwe dichtbundel.

Op zaterdag 16 november werd, in aanwezigheid van familie, vrienden en bekenden uit de literaire wereld en kunstenaarskringen afscheid van haar genomen. Mijn afscheidswoorden aldaar bestonden uit louter scherven. Scherven van herinneringen, fragmenten uit gedichten, berichten, flitsen van dingen die in de dagen voorafgaand aan de uitvaartplechtigheid door mijn hoofd schoten.

Ongemak. Haar eerste bezoek aan de Herengracht 370-372 – ik had haar toen al een paar keer over de vloer gehad op Singel 262 – toen we daar in juni 1997 met de uitgeverij naartoe waren verhuisd. Ze stommelde de trappen op, ondertussen onhandig, nee onthand om zich heen spiedend alsof ze iets belangrijks kwijt was. Hoe ze vervolgens, aangekomen in mijn riante werkkamer in een hoek zwijgend aan een tafel ging zitten. Bleef zwijgen. Langdurig uit het raam staarde naar de binnentuin. Hoe het ongemak ook mij langzaam in zijn greep kreeg.

Jaren later, ik vermoed in mei 2003, een meervoudige presentatie in een zaaltje in de Jordaan. Ik denk dat het ging om nieuwe bundels van Maria Barnas, Twee zonnen, van Marije Langelaar, De rivier als vlakte en van Ilse, in plaats van alleen. Ik had mijn dochter van nog geen vier bij me op die zondagmiddag. Herinnering aan hoe ik met haar, terwijl ze op mijn nek zit, haar handjes in mijn opgestoken handen, over de Brouwersgracht wandelde. De vergenoegde blik van Ilse toen ze zag dat ik dat kleintje bij me had. Het eerste gedicht uit die bundel, ‘de stille plaats’: hier zit ik dan/dacht ze/ik heb nog niets gezegd//op mij komt het aan//als een van hen/mijn kant op keek/zou ik wel zeggen/wat ik ervan vind.

In goeden doen zei ze vaak wel degelijk wat ze ervan vond. Ze kon uiterst gedecideerd zijn als het ging over verkeerde opvattingen van anderen of over voorstellen mijnerzijds ten aanzien van haar werk waar ze het niet mee eens was. Dat grensde aan ergernis, dat grensde aan woede soms.

Haar telefoontjes. Het moeten er in al die jaren (bijna een kwarteeuw) meer dan duizend zijn geweest. De aarzeling waarmee ze zichzelf telkens weer, ook na de 873ste keer, aankondigde. ‘Ja… met Ilse…’, tevoorschijn gestameld uit een benarde luchtpijp – de onzekerheid, de wanhoop, de angst, de paniek. Het late uur ervan soms, of de snelle opeenvolging van die telefoontjes, wat mij soms weer ergerde. ‘Nou niet steeds blijven bellen!’ De grote opluchting aan haar kant als ik wanhoop en paniek kon wegnemen. Soms.

In mei 2017: de integrale lezing op Hemelvaartsdag van Gorters Mei door zo’n honderd verschillende dichters, schrijvers, acteurs en vertegenwoordigers uit het zogeheten maatschappelijk veld in Utrecht op het erf van boerderij RoodNoot. Het was een snikhete dag. Een van die honderd lezers was Ilse, parelend en rood aangelopen van de warmte. Achter de bar stond mijn dochter – Janna, diezelfde – drankjes te schenken en hapjes te verkopen. Het was veertien jaar later. Het was een weerzien. En weer was er die vergenoegde blik, alsof ik Ilse een persoonlijk plezier had gedaan met de aanwezigheid van mijn dochter.

De haast verbazingwekkende hang naar gezelligheid wanneer ze erin slaagde dat hele arsenaal van angsten en pijnen een poos diep in de depots te houden. Tijdens zulke perioden kwam ze maar wat graag naar borrels, als het even kon wel altijd met een vriendin aan haar zijde. Ze hield van wijn. Dat maakte haar los, losser in al haar vezels. Met goede wijn op goede dagen lekte haar ongemak weg. Ik denk dat ik haar op zulke momenten soms hoorde knorren van genoegen. Stralender – en dan ook nog eens als middelpunt – heb ik haar nooit gezien dan op het voor haar georganiseerde feest bij haar vriendin Els Prinse ter gelegenheid van haar vijftigste verjaardag.

Niemand mag haar humor vergeten, manifester op momenten dat er wat te drinken viel. Maar laten we het drinken niet overschatten of de hemel in prijzen: haar humor was er altijd, al werd die soms vrijwel onherkenbaar door haar levenspijn. Ilse had oog voor situationele humor (zoals veel mensen die behept zijn met schaamte en onzekerheid) en, zij het selectief, voor woordspelingen. En als ze iets heel grappigs had gezegd of gezien kon ze soms, heel kort, sardonisch grinniken. Als ik me goed concentreer kan ik het horen. Een waarlijk talent had ze voor absurde humor, zoals blijkt in dat gedicht ‘Egidius’ uit De boom valt op mij waar in een antiquariaat – ze laat in het midden of het om een droom gaat of om een soort magisch-realistische belevenis – plotseling de reeds lang overleden Ed Leeflang aan haar verschijnt: ‘Ed, ik schrik me dood/o ja? je zou nog veel erger zijn geschrokken als ik/het echt geweest was.’

Deze nazomer begon ze zich plotseling ook te ontpoppen als een herinneringskunstenaar. In korte tijd ontving ik een stuk of tien, twintig mails die ze, half schertsend, half serieus, bracht onder de noemer ‘mijn groeiende map voor Privé-domein’: ‘Iemand, een dichter, zei tegen mij: “Jij bent niet zuiver op de graat, want ik zag jou op het Boekenbal”. Ja, hoe kun je nou weten dat het Boekenbal niets voor jou is als je er nooit bent geweest. Ik ben er drie keer geweest, twintig jaar geleden dan. De leukste keer was met Adriaan [Morriën], zijn jonge vriendin Hellen en mijn toenmalige relatie Els. Els en Adriaan waren eindeloos aan het praten, terwijl Hellen en ik samen dansten. “Maak maar plezier meisjes,” merkte Adriaan op. “Maak zoveel mogelijk plezier.” En ik ben eigenlijk nooit zuiver op de graat geweest. Als baby al niet. Poppen, die zijn pas zuiver op de graat.’

En een paar dagen later: ‘Ik voel me net Sylvia Plath, nadat ze een elektroshock heeft gehad (zoals ze beschrijft in The Bell Jar). Wie kan er nou in slechts dertig jaar zoveel moois schrijven? Maar ik heb veel meer tijd nodig. En ik wil nog graag. De positie van vrouwen is ook anders geworden en zal nog veel anders worden. Dat is de enige oplossing, zowel voor vrouwen als voor mannen.’

En ondertussen speelde dus dat bezoek aan Spanje. Afgelopen zomer verscheen in Spanje onder de titel La Muchacha Tras El Cristal (De vrouw achter het raam) een bloemlezing uit haar dichterlijk werk. Tot haar grote vreugde. Als gevolg daarvan was ze uitgenodigd om in Barcelona naar een literair festival te komen. Ze twijfelde, vroeg zich af of ze dat wel aan kon. Ik moedigde haar per mail en over de telefoon aan het toch vooral te doen. ‘Ik vecht ervoor,’ schreef ze terug. ‘Mijn ervaring is dat als je iets echt heel graag wilt, dan lukt het wel. Vreemd genoeg was ik al lang voor dit Spaanse avontuur Spaans aan het leren: alsof ik het toen al voelde aankomen. Het Catalaans van Barcelona is natuurlijk nog weer anders, en vast en zeker mooier, maar dat red ik zo snel niet. Trouwens: ik mag toch wel verwachten dat de Spanjaarden een beetje Engels spreken.’

Uit de mails die volgden maakte ik op dat ze er ook echt heen was gegaan. Triomf, finest hour. En ik moest denken aan dat liedje van Blöf dat die Nederlandse band samen met Counting Crowes hebben geschreven en gespeeld, ‘Holiday in Spain’: ‘Misschien…/Neem ik Spanje als besluit/En laat mijn schepen achter/Ik ga er stiekem tussenuit/Een vluchtweg naar een nieuw begin.’

Maar daar – dat is me pas deze week, toen ze er al niet meer was, duidelijk geworden – is ze nooit geweest.

Om te eindigen twee strofen – de eerste en de laatste – van het gedicht ‘Pleinen vergeten hun geliefde niet’ uit De boom valt op mij: ‘als ik de krant lees/als ik dat doe dan/staat er een zwart omlijste naam in/ van iemand die ik ken/ […] als die krant er niet was geweest/had ze nog wel/tot haar tachtigste elk moment/naar buiten kunnen komen.

Ilse_Starkenburg_2 001

Kwijt, meer dan kwijt. August Willemsen (1936-2007)

‘Geef mij nog wat wijn
want het leven is niets’
– Fernando Pessoa

Onder die noemer schreef ik in de herfst van 2007 een toespraak bij het overlijden van August Willemsen. Op vrijdag 29 november 2019 is het precies twaalf jaar geleden dat August Willemsen in Amsterdam overleed. Hij werd op begraafplaats De Nieuwe Ooster te ruste gelegd. Hij kwam daar te liggen naast mevrouw Keegel. Dat moest zo zijn. En het moest ook zo zijn dat zijn graf de afgelopen jaren door niemand verzorgd werd. Maar de beheerder van de begraafplaats, de gemeente Amsterdam, heeft het vooralsnog niet geruimd omdat het een graf van een Bekende Nederlander betreft. De Stichting August Willemsen (i.o.) wil dat dit ook zo blijft en gaat als tegenprestatie fondsen werven voor het bomenproject op de begraafplaats. Komende vrijdag organiseert de Stichting op de Nieuwe Ooster bovendien een bijeenkomst waarbij Willemsen wordt herdacht met het voorlezen van enkele van zijn teksten, de onthulling van het opgeknapte graf en tekstbord en het uitbrengen van een dronk.

Ook wij, zijn uitgever, zijn August Willemsen niet vergeten. Zijn fameuze vertaling van de Gedichten van Pessoa is nog altijd leverbaar, enkele jaren geleden verscheen met Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen, zijn briefwisseling met Marian Plug, een vierde titel van hem in de reeks Privé-domein, en volgend jaar brengen we een nieuwe editie van zijn misschien wel beroemdste boek, Braziliaanse brieven. Dat doen we ook omdat Frederieke Jochems een filmdocumentaire aan het maken is over Willemsen en ‘zijn Brazilië’, die in het najaar van 2020 in première gaat. Die film, die we overigens eerst en vooral als een op zichzelf staand kunstwerk moeten zien, gaat het misschien makkelijker maken nu eens eindelijk een Braziliaanse uitgever voor dit meesterwerk te vinden. Wij doen ons best.

20_21_Willemsen_Bert_Nienhuis_ZW_RGB
Portret: Bert Nienhuis.

Hieronder staat de tekst van de toespraak bij de uitvaartplechtigheid in 2007:

August Willemsen – of liever gezegd Guus, want zo werd hij, ook op de uitgeverij, aangesproken door iedereen die geregeld met hem te maken had —

Guus dus, we waren hem weer eens kwijt begin november. Telefoons die niet werden opgenomen, mails die niet werden beantwoord. ‘Ben je nog in Nederland?’ schreef ik hem. ‘Of ben je alweer in Melbourne?’ Het duurde even eer ook dit bericht beantwoord werd, en er was dus alweer alle reden om ons ongerust te maken (zoals we dat al veel vaker waren geweest). Maar ineens was ie daar weer.

‘Piep, piep, de kanarie is uit het ei!’ – zo bracht hij me ruim een jaar eerder op de hoogte van het feit dat hij zijn boek over het Braziliaanse voetbal, De goddelijke kanarie, af had. Ook dit na een korte periode van spoorloosheid.

Nu, deze keer, was er geen olijk pieppiep. Er was gedoe geweest, en dat gedoe had er uiteindelijk toe geleid dat hij een paar weken in het ziekenhuis had doorgebracht. ‘Het gaat langzaam beter, maar ik kan de deur nog niet uit,’ antwoordde Guus me op 11 november. Ik schreef hem terug: ‘Laat me even weten wanneer je weer outgoing denkt te zijn. […] Heb je eigenlijk wel aanloop daar?’ Ik stelde voor een afspraak te maken zodra Guus daartoe weer in staat zou zijn. Hij beantwoordde mijn bericht een dag later, op 12 november, zonder concreet op mijn suggestie in te gaan maar wel met diverse enthousiaste mededelingen over een interview met hem op een internettijdschrift, scabreuze gedichten van Bocage en nog het een & ander. Hartelijke groet, Guus.

Het was het laatste dat ik van hem vernomen heb. Een paar weken later was ie dood.

Guus was wel eens vaker even kwijt. Daarmee bedoel ik natuurlijk niet dat hij – sinds halverwege de jaren negentig – wel eens een half jaar of langer in Australië verbleef, want daar was hij vaak (zeker sinds hij de strijd met de techniek in zijn voordeel had beslecht en ook zelf aan e-mailen verslingerd was geraakt) net zo bereikbaar of onbereikbaar als in Nederland.

Guus was wel eens vaker even kwijt – daarmee bedoel ik dat hij, zoals iedereen hier wel zal weten, na langdurige alcoholische onderdompelingen met een zekere regelmaat terloops of abrupt te water of anderszins in het ongerede raakte ten gevolge waarvan hij soms wekenlang volstrekt onbereikbaar en onaanspreekbaar was. Maar als gezegd: altijd was ie daar dan ineens weer. Pieppiep – opgestaan uit het delirium van de schijndood, zichzelf bij elkaar geraapt uit de meurende goot van het grote verdriet, zichzelf hervonden langs de zelfkant. Het moeten perioden van vaak diepe eenzaamheid zijn geweest.

Maar dan voltrok zich steevast het wonderbaarlijke in Guus. Want dan volgde altijd weer een periode van soms vele, vele maanden waarin hij zich werkelijk het schompes werkte. In die overdrive zou menigeen zich over de kop werken, en in ieder geval zou ’t het resultaat niet ten goede komen. Zo niet bij Guus. Ik heb vaak met verbazing toegezien hoe hij in enkele maanden een zeer moeilijke vertaling excellent opleverde, meestal voorzien van een even briljant als hoogstpersoonlijk nawoord. Eigenlijk mondde zo’n nawoord altijd uit in een essay. En wat heeft hij niet allemaal (grotendeels uit de Portugese en Braziliaanse letteren) vertaald in die ruim dertig jaar dat hij dit métier heeft uitgeoefend: Dalton Trevisan, Joao Guimaraes Rosa, Fernando Pessoa, Carlos Drummond de Andrade, Chico Buarque, Graciliano Ramos. En nog vele andere van wie hij een enkele titel vertaalde. Maar bij voorkeur vertaalde hij van een geliefd auteur niet een incidentele titel, maar een heel oeuvre of toch grote delen daarvan.

Vergeef me overigens de uitspraak van al die Portugeestalige namen. Ik doe een beetje mijn best ze goed uit te spreken, maar als ik nog beter mijn best doe heb ik het gevoel dat ik me sta aan te stellen. Daar had Guus geen boodschap aan. Om even te volstaan met de voetballers: ‘Het is niet Peelee, Peter. Het is P’lèèh.’ ‘Het is niet Garrincha, het is Geriènsj.’ Of zoiets.

Ik heb het nu alleen maar over de vele vertalingen van August Willemsen gehad. We moeten niet vergeten dat hij tussen die bedrijven door ook nog eens een even onbescheiden als indrukwekkend oeuvre als schrijver – voornamelijk autobiografisch schrijver – heeft opgebouwd. De Braziliaanse brieven, De val, Vrienden vreemden vrouwen en de verhalen van (in de woorden van Kees Hin) ‘De Zuid-trilogie’. Ik geloof werkelijk dat wie August Willemsen niet persoonlijk gekend hebben, hem heel goed zouden kunnen leren kennen uit die boeken. Heel zijn karakter komt daarin tot uiting, heel zijn temperament, zijn humor, zijn koketterie, zijn onstuitbare zucht naar de roes en de vergetelheid met alle gevolgen van dien, en zijn persoonlijke geschiedenis (tot op zekere hoogte en tot op een zeker moment, want over de periode na 1998 heeft hij eigenlijk nauwelijks meer iets gepubliceerd anders dan op een wat indirecte manier in het reisboek over Australië dat hij samen met Bert Verhoef maakte (Van Tibooburra naar Packsaddle) of zijn boek over het Braziliaanse voetbal. Ik vergeet nog bijna dat hij ook als essayist (en aldus als wegbereider van tal van grote schrijvers uit de Portugese en Braziliaanse literatuur) heeft uitgeblonken, getuige boeken als Het hoge woord en De taal als bril.

Over die wat sardonische humor die in veel van zijn boeken voor het oprapen ligt, beschikte hij ook in het persoonlijk verkeer. Die was op een milde manier toch altijd een tikkeltje gemeen en soms cynisch, maar al met al altijd heerlijk hilarisch en samenvallend met die altijd wat gemaakt onhandige manier van zich presenteren, deel uitmakend van zijn bestudeerde bohémienschap. Hij was niet alleen verbaal geestig, zijn hele gesticulatuur was geestig. Hij was geestig met heel zijn lichaam. En het allergeestigst nog was ie als ie kwaad werd. Behalve dan die ene keer toen ie in een schuimend paroxysme en onder het uiten van de ernstigste verwensingen aan die nono van een Pelé de te vertalen autobiografie van de grootste voetballer aller tijden teruggaf met de woorden ‘deze idiote kletspraat van een zelfingenomen kwast’ wens ik niet te vertalen. Dat was echt enorm geestig, maar we hadden op de uitgeverij wel even een probleem, want wie moest dat boek nu – als de bliksem – gaan vertalen?

Ook over Pessoa, met wie hij een haat-liefde verhouding had, kon hij zich in toenemende mate geweldig opwinden. Hij had een enorme bewondering voor de geniale dichter in al zijn heteronieme facetten, maar hij vond hem eigenlijk ook een onvoorstelbare poseur met zijn wanhopige megalomanie, zijn niet te ontmaskeren persoonlijkheid, zijn sociale gebrekkigheid en zijn knulligheid in amoureuze zaken. Maar wat wil je ook: intussen verkeerde Guus al ruim dertig jaar intensief, en de laatste acht jaar weer heel intensief, met Pessoa, in wie hij bovendien het een & ander herkende (al was het alleen maar de hang naar drank) wat hij in zichzelf misschien niet verfoeide maar natuurlijk wel als zeer problematisch ervoer.

Willemsen Braziliaanse

Opmerkelijk genoeg was van enig voorbehoud geen sprake in zijn waardering voor de voetballer Garrincha, ook een man met een zelfkant en een verwoestende zucht naar alcohol. Zo’n hekel als hij had aan Pelé zo’n liefde koesterde hij voor Garrincha. Ik citeer fragmenten uit De goddelijke kanarie om dit in contrast te demonstreren. Over Pelé: ‘”Toen ik werd geboren, moet God met gunstige ogen op ons huis hebben gezien. Ik heb altijd in God geloofd, en daardoor heb ik alle problemen in mijn leven het hoofd kunnen bieden.” Dat iemand in God gelooft, allá, maar dat iemand zich al bij zijn geboorte een uitverkorene waant – dat wordt een beetje onuitstaanbaar.’ Over Garrincha: ‘Bij het zien van Garrincha werd elke toeschouwer even kind. […] Daarom was hij ”de vreugde van het volk”’.

Met hem voelde Guus zich absoluut zielsverwant: hij voelde zich verwant met het artistieke, onnavolgbare van Garricha, maar hij voelde zich ook verwant met de naar destructie hunkerende Garrincha wiens carrière in het slop raakte, en die een leven vol drama’s kende en uiteindelijk ‘met een door de drank geruïneerd lichaam’ op veel te jonge leeftijd stierf. Ik heb helaas de email niet meer kunnen terugvinden waarin hij het formuleerde, maar er stond vrijwel letterlijk: ‘Garrincha, ik houd van die man.’

Van Nietzsche is geloof ik de uitspraak dat alle vreselijke dingen in het leven twee keer gebeuren: de eerste keer als drama, de tweede keer als klucht. Als die eerste keer dat we Guus even kwijt waren een drama is geweest dan zijn er daarna vele kluchten gevolgd. De escapades van Guus hadden eerlijk gezegd ook vaak wat kluchtigs, hoe vervelend de gevolgen vaak ook waren en hoe ongerust we ons soms ook hadden gemaakt. Maar er zat altijd ook iets clownesks in het breken en het vallen. Het was ook een soort circusnummer. Behalve die laatste keer, want die laatste keer konden we niet meer achteraf met hem meelachen. Want toen… enfin…

In een van de mails die we van de week naar aanleiding van Guus zijn overlijden kregen, sprak een journalist van een slechte week voor de Nederlandse literatuur. Eerst Boeli van Leeuwen dood en dan August Willemsen (het was nog voordat bekend werd dat ook Elisabeth Eybers was overleden): ‘Hou hem levend met zijn boeken.’

Ik zeg u toe: Daar zullen we werk van maken.

Hoogmoed en sneeuw. Over ‘Waagstukken’ van Charlotte Van den Broeck

Architecten, gebouwen en de publieke sfeer – als je er op gaat letten, ontdek je al snel dat er eigenlijk altijd wel ergens heibel is, niet zelden resulterend in bitter gekrakeel, in die slangenkuilen die zich bezighouden met het inrichten van onze openbare ruimte. In de Volkskrant las ik nog niet zo heel lang geleden een stuk over ‘de verbouwingssoap aan het Binnenhof’. Aanleiding voor dat stuk was het vertrek, met slaande deuren, van Ellen van Loon, de architecte die het Binnenhof in Den Haag aan het herinrichten was maar de Tweede Kamer tegen zich kreeg, die haar van grootheidswaan betichtte en haar plannen door het slijk haalde. In diezelfde krant stond kort daarvoor nog een groot interview met de Deense architect Bjarke Ingels die er (aldus de krant) niet voor terugschrikt om grote kwesties aan te pakken. Sterker nog: deze lefgozer heeft zich voorgenomen niets minder dan de wereld te veranderen. De naam van zijn bureau: BIG. Het bureau ontwerpt gebouwen over de hele wereld, van het hoofdkantoor van Google tot drijvende steden in Azië.
Over de megalomanie die links en rechts komt bovendrijven in de wereld van het Grote Bouwen schreef Christiaan Weijts met Euforie al eens een meesterlijke roman. En onlangs verscheen bij ons (De Arbeiderspers) het boek Waagstukken van Charlotte Van den Broeck – geen roman, maar iets dat het midden houdt tussen reisboek, fictie, autobiografie en essay –met daarin dertien teksten over tragische architecten. Er gaat een veelzeggend motto aan die teksten vooraf, gezegd of geschreven door Rem Koolhaas: ‘Architectuur is een gevaarlijk mengsel van almacht en impotentie.’ Waagstukken – het heeft de afgelopen weken furore gemaakt en is zowel in Nederland als Vlaanderen een bestseller – werd half oktober in het theater in deSingel te Antwerpen gepresenteerd met een door Behoud de Begeerte samengestelde avond. Die avond was tevens een pilot voor een programma over architectuur en literatuur dat volgend seizoen mogelijk een rondgang langs de Vlaamse en Nederlandse theaters gaat maken.

Luc Coorevits (directeur Behoud de Begeerte) vroeg mij om tijdens die avond een praatje te houden dat de voorlezing van een fragment uit het boek door Charlotte Van den Broeck moest verbinden met een lofrede van Ilja Leonard Pfeijffer aan de hand van diens Hoe word ik een beroemd schrijver. Mijn tekst luidde als volgt:

Gelukkig sneeuwt het niet vanavond.

Met het opschrijven van die zin nam ik, nog onkundig van de weersomstandigheden op dit eigenste moment, een risico. Een te verwaarlozen risico weliswaar, maar toch. Stel dat het vanavond wel zou sneeuwen. Dan is het maar goed dat u na die eerste drie bladzijden die Charlotte Van den Broeck heeft voorgelezen uit hoofdstuk XII van haar boek Waagstukken nog niet precies weet wat er aan de hand is behalve dat het hevig sneeuwt en dat er iets verschrikkelijks is gebeurd is. Als u dat wel wist, zou u zich in dit theater een stuk minder geborgen voelen.

Wat gebeurde er dan precies op zaterdag 28 januari 1922? Er gebeurt zoals altijd van alles op de wereld. En in het Knickerbocker Theatre in Washington DC is het die avond ‘comedy night, de beste avond van de week. Ondanks het noodweer worden er zo’n driehonderd van de zeventienhonderd plaatsen verkocht.’ Maar dan. Dan stort onder het gewicht van de sneeuw, terwijl de zaal zich een ongeluk lacht om wat er op het podium gebeurt, het dak van het theater in. ‘“Een golf van gelach, dan de oorverdovende klap,’ reconstrueert een overlevende de feiten later aan de krant. Vijfennegentig mensen laten het leven en honderd anderen raken zwaargewond.

Het cinemapaleis van kalksteen is nog maar vier jaar eerder opgeleverd door de pas 28-jarige architect Reginald Geare, een aanstormend talent. De recensenten hebben hem al tot ‘bouwmeester van het stomme-filmtijdperk’ gebombardeerd, want hij heeft meer van dit soort filmtempels op zijn naam staan. Maar dit drama zal hem te gronde richten.

72410209_10220099860477381_6262050742631137280_o

In
Waagstukken schrijft Charlotte Van den Broeck dat wij mensen nu eenmaal imperfecte, incomplete en zoekende wezens zijn, voor wie ‘de kloof tussen wie we zijn en de droom van wie we kunnen zijn een geruststellend gat is dat altijd in onszelf aanwezig zal zijn […] in dat gat bevindt zich het streven dat onszelf in stand doet houden. Wat Reggie Geare overkwam toen het dak instortte, is de volledige verdichting van dat gat. Wie hij zou kunnen zijn, valt daar voorgoed samen met wie hij op dat moment is: een feilbaar wezen dat een fatale fout heeft gemaakt ten koste van vele levens.’ Gedurende vijf jaar leidt Geare een wankelend bestaan om daarna zichzelf om het leven te brengen.

En hij is niet de enige in Waagstukken, dat in veel opzichten een adembenemend boek is. Charlotte Van den Broeck gaat erin op zoek naar (jawel!) dertien mislukte bouwwerken van nog iets meer falende aspiranten: bouwmeesters, architecten of andere in de openbare ruimte scheppende kunstenaars.

Wie bouwt daagt de eeuwigheid uit. Wie de eeuwigheid uitdaagt, begeeft zich in de ijle sferen van de hoogmoed. En hoogmoed komt, jawel, voor de val. De allereerste schepper duldt immers geen concurrentie. Dat weten we al uit de Bijbel waar God de Hem belagende torenbouwers van Babel strafte door spraakverwarring onder hen teweeg te brengen. En dat, terwijl het volk van Babel slechts de beste bedoelingen had: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’ Maar dat was nu juist wat de straf van God wel bewerkstelligde: dat de mensen verspreid raakten en verschillende talen gingen spreken waardoor ze elkaar niet meer verstonden. Met als gevolg dat de mensen steeds opnieuw moesten gaan bouwen, op steeds weer andere plekken en in steeds nieuwe talen hun nieuwe verhalen moesten verzinnen.

Vanuit die optiek is het de schuld van de bouwers en hun zegslieden (de schrijvers) dat we over de wereld verspreid zijn geraakt en elkaar niet meer kunnen verstaan. En ze doen dat steeds weer opnieuw, ongetwijfeld tot frustratie van de Allerhoogste. In Waagstukken komen die twee – de architectuur en de literatuur – samen in verhalen waarin de bouw van Babelse en soortgelijke torens steeds weer mislukt, wat zijn bouwers telkens opnieuw in het verderf stort. Of het nu om zwembaden gaat waarin het water in melk verandert, om torenspitsen die hun erectie verliezen of om golfcourts waar geen gras wil groeien – overal zorgt het echec voor de deconfiture of ondergang van de architect. Hoe het ondertussen de schrijvers vergaat is een interessante onderliggende vraag.

Scheppen is in elk geval een gevaarlijk avontuur – dat lijkt de onvermijdelijke conclusie. Toen ik dit praatje voorbereidde, stuitte ik op een bureau dat daar blijkens zijn naam niet wakker ligt en in Tilburg werkt aan de renovatie van een oude arthouse bioscoop. Ik las dat dit filmhuis bestaat uit twee monumentale gebouwen die met een galerij als een soort twin towers aan elkaar verbonden zijn. De naam van dat bureau: Van Hoogmoed Architecten.

Als dat maar goed gaat.

Nogmaals: scheppen is een gevaarlijk avontuur, maar het kan de schepper ook roem brengen. Maar met die opmerking ben ik zonder meer op het terrein van Ilja Leonard Pfeijffer aangekomen, want die schreef daarover met Hoe word ik een beroemd schrijver al een boek voordat hij een beroemd schrijver werd. Over roem en hoe daarmee om te gaan, kan hij maar beter uitweiden. Voorlopig zitten we nog hoog en droog in deze theaterstudio. Want gelukkig sneeuwt het niet vanavond.

5d6f4_9789029539661_cvr (2)

Eindspel. Over het werk van Guido van Heulendonk

‘J’aime les hommes qui ont le sens de l’humour,zei ze, en hing op.

Zo luidt de eerste regel uit De afrekening, de nieuwe roman van Guido van Heulendonk. Toepasselijke zin, dacht ik meteen, want gevoel voor humor is iets wat manifest is in het hele oeuvre van Van Heulendonk.

Hij vroeg mij onlangs om – zoals te doen gebruikelijk in zo’n geval — namens de uitgeverij iets te komen vertellen bij de presentatie van zijn nieuwe boek in Gent. Vijf minuten. Maar hij had in Yves T’Sjoen al een eminent spreker bereid gevonden om een grondige causerie te houden over De afrekening. Waar moest ik het dan nog over hebben? Guido’s in woordspel gedrenkte antwoord: ‘Voor jou de gewone niceties stel ik me voor? Dat het hier een geniaal boek betreft. En wat voor flonkerende parel aan de AP-kroon Van Heulendonk wel niet is. En uiteraard – zoals Trump altijd zegt: “Nothing but the truth!”’

J’aime les hommes qui ont le sens de l’humour. ‘Vooruit dan, de gewone niceties,’ probeerde ik ook een duit in het humorzakje te doen. ‘Ik ga in die vijf minuten je ganse oeuvre analyseren.’ Guido weer: ‘Ach, die vijf minuten, het mogen er best meer zijn, dat spreekt vanzelf!’ Het listige van ironie is dat je nooit precies weet waar die ophoudt en waar de ernst begint.

De beperkende spelregel die Guido mij oplegde – ‘Nothing but the truth’, die overigens weer allerlei expansieve mogelijkheden biedt als ik die trumpiaans uitleg – dwingt mij niettemin fluks tot een bekentenis. Ik heb niet het complete oeuvre van Guido van Heulendonk gelezen. Ik heb het gelezen (voor 90% toch wel) vanaf De vooravond, het eerste boek dat bij De Arbeiderspers verscheen – één boek voordat ik er in 1995 begon te werken en zes boeken voordat ik met En dan, als ik weg ben (2014) zijn redacteur werd. Omdat De afrekening zijn negende boek is bij De Arbeiderspers, ken ik dat werk dus (en dan ook grotendeels na close reading) voor zover het deze negen boeken betreft plus nog een enkele bibliofiel uitgegeven excursie.

Voordien echter, gedurende zijn schrijversleven in de tijd voor De Arbeiderspers, publiceerde Guido ook al vijf boeken waaronder drie romans. Alles wat ik van die boeken weet, weet ik van horen zeggen of uit secundaire literatuur. Zo weet ik bij voorbeeld dat de hoofdpersoon uit zijn debuut Hoogtevrees Eduard Bottelaer heet. Dat deed een belletje rinkelen, want dat is ook de naam van de hoofdpersoon in Paarden zijn ook varkens, de roman die destijds (1996) bekroond werd met de Gouden Uil en waarmee hij het grootste publiek bereikte.

interview

Wat in al die boeken vanaf De vooravond domineert is het besef van menselijk tekort en van het echec als wezenlijke resultante en constante van al ons handelen en existeren. En als die thematiek al een keer niet overkoepelend aanwezig is in een boek, gaat het wel over persoonlijk of maatschappelijk verval. Of het gaat om dat alles tegelijk. Mislukken is heel het leven – dat lijkt wel zo’n beetje, vervat in een axioma, de wereldbeschouwing die opdoemt uit het werk van Guido van Heulendonk, of die in elk geval prevaleert in het denken en het doen (of het juist niet-doen) van zijn personages. Zonder enige terughoudendheid geformuleerd zou je zelfs kunnen spreken van een middeleeuws wereldbeeld, maar dan ontdaan van elk godsbesef, wat het voor sommigen misschien nog ondraaglijker maakt. Diepdonker pessimisme komt in dit werk op een weergaloze manier tot uitdrukking. Er wordt een principieel zinloze wereld in opgeroepen die zich ongedifferentieerd en nevengeschikt aan ons voordoet en waaraan niemand ontkomt en niets ontstijgt. Of zoals Jos Muyres het in zijn essay over Guido van Heulendonk in het Kritisch Lexicon van de Moderne Nederlandstalige literatuur terecht stelde: ‘Van Heulendonk gelooft niet in het bestaan van God of een andere hogere macht. Hij ontkent zelfs het bestaan van iedere hiërarchie. Voor hem is alles en iedereen in principe gelijk (“paarden zijn ook varkens”).’

Daar worden we misschien niet vrolijk van, maar dat wil nog niet zeggen dat er geen plezier of troost of esthetische ervaring aan zijn teksten kan worden ontleend. De lach, de traan, het intellectuele genot en al die andere emoties die lezen teweeg kan brengen, worden door de vorm en de stijl van zijn literaire werk opgeroepen.

De humor, ik zei het al met zoveel woorden, ligt overal op de loer, af en toe vet maar veel vaker heel subtiel op z’n Thomas Manns. En soms nog subtieler. In een van de verhalen uit Aimez-vous les moules? (1998) – ik herinner me een scène met een gezelschap in een tamelijk gespannen situatie, waartoe in elk geval één man en één vrouw behoorde – las ik dit zinnetje: ‘Hij nam een druif’. Ik weet niet meer precies waarom (want ik heb het zo gauw niet kunnen terugvinden), maar ik heb daar onbedaarlijk om moeten lachen. Het was een zeer geestig zinnetje, en dat had alles te maken met de context. Maar Guido toonde zich verbaasd geamuseerd. Die begreep eigenlijk nauwelijks wat daar precies zo om te lachen viel. Hieruit leren we dat iemand soms ook onbedoeld onnoemelijk grappig kan zijn.

Niet zelden was ik ook erg ontroerd door de teksten van Guido van Heulendonk. Ik herinner me de emotie die werd opgewekt door de ingehouden suggestie van ondergang in de roman En dan, als ik weg ben (2014). En ronduit geraakt was ik door Niemand uit België (2016). ‘Verdomme man, ik ben er helemaal kapot van,’ schreef ik hem na lezing van de kopij. ‘Kippenvel van ontroering, tranen in de ogen. “Waar gaat het dan over?” vroeg Jasper (stagiair) hier naast me, toen ik net het manuscript neerlegde en me liet ontvallen hoe ontzettend goed ik dit vond en hoe aangedaan ik was. Ik zei: “Dit gaat over van alles. Waar moet ik beginnen? Nee wacht: dit gaat over de onhoudbaarheid van alles. En het tragische daarvan. Dit gaat over vergeten en verdwijnen, over de onmogelijkheid de dingen (en ook liefde, een gezin) heel te houden. God man, wat een boek.”’

Over De afrekening liet ik in een reactie na lezing aan de auteur evenmin onvermeld hoezeer ik erdoor gegrepen werd. Nu ging het me ook om de geraffineerde vorm: ‘Voor het resultaat en de finesse van de contrapuntische compositie wederom hoed af!’

Als het om de vorm en de compositie gaat, vraagt Van Heulendonk soms veel van de lezer. In dat opzicht lijkt hij op een schrijver als Georges Perec voor wie schrijven een spel is ‘dat je met zijn tweeën speelt’. De schrijver maakt de puzzel, de lezer legt hem. En het zal de lezer misschien niet altijd lukken elk puzzelstukje op de juiste plaats te krijgen. De vraag is of dat erg is.

De afrekening biedt door de associaties die de titel oproept ruimte aan de veronderstelling dat het een finaal boek is, maar alle boeken van Guido van Heulendonk zijn finale boeken. Het is één groot eindspel. Ook in dit boek wordt niets ontziend teruggekeken op een mislukt of toch als mislukt ervaren leven. Dat is, lijkt me, de grote kunst van Van Heulendonk: het altijd weer over mislukken hebben, en daar iets van maken dat zo heel erg gelukt is dat wij lezers daar heel even gelukkig van worden.

Ik begon deze uiteenzetting met het citeren van de eerste regel uit De afrekening: die uitspraak over mannen met humor. De laatste uitspraak in deze roman, gedaan in de voorlaatste regel, is er een van de man tot wie die eerste uitspraak gericht was. Een man dus om van te houden, een man met veronderstelde humor. Hij zegt aan het einde – opnieuw wordt er via de telefoon gesproken – ‘Happiness is a warm gun’. Dat werd er een uit het rijtje famous last words. Met enige moeite valt zelfs daar de humor (de dubbelzinnige humor!) nog wel van in te zien. Maar zwarte humor is het ook, dit citaat uit het oeuvre van John Lennon. Humor dat het gedrukt staat. En dus inktzwart.

5d6f4_9789029540469_cvr

Een romanticus met modder aan de broekspijpen

Over Americana van Joost Zwagerman

Toen hij nog leefde, vierde hij op deze dag zijn verjaardag. Joost Zwagerman zou vandaag, 18 november, zijn 56ste verjaardag gevierd hebben. Maar vergeten is hij niet. Om zijn persoon en werk in herinnering en in ere te houden is er een Joost Zwagerman Lezing en een Joost Zwagerman Essayprijs in het leven geroepen. De lezing wordt vanavond voor de tweede keer in Alkmaar gehouden (dit jaar door Julian Barnes), waar dan tevens voor de tweede keer de Joost Zwagerman Essayprijs wordt uitgereikt. Iets meer dan zes jaar geleden, op 31 oktober 2013, presenteerde De Arbeiderspers in het West-Indisch Huis het kolossale Americana, met terugwerkende kracht zijn magnum opus in het genre van de essayistiek. Ik kreeg die dag de gelegenheid om hem en een tjokvolle zaal toe te spreken. Ik greep de kans om er een ‘college’ kunst- en literatuurgeschiedenis van te maken. Hieronder de tekst van die toespraak.

*

Staat u mij toe ter inleiding een bescheiden kunstcollege ten beste te geven. Dat lijkt mij, in het geval Joost Zwagerman, wel toepasselijk.

Lang geleden waren Joost Zwagerman en ik collega’s. Maar geen Collega’s van God, zoals de titel luidt van zijn eerste essaybundel die daarmee met terugwerkende kracht de aanzet vormt van het kolossale Americana dat we hier vandaag met (ik mag wel zeggen) gepaste trots aan u presenteren. Collega’s van God verscheen in 1993 en wie straks Americana openslaat zal constateren dat een deel van de stukken die erin zijn opgenomen (slechts een selectie, want er zijn er veel meer) nog van aanzienlijk oudere datum is. Het Amerikaanse engagement van Zwagerman dateert niet van gisteren.

Wij waren dus geen collega’s van God – want die term verwijst naar autonome literaire schrijvers, en anders dan Joost was ik op dat moment hoogstens would be-schrijver – maar collega’s van Carel, op een meer werelds plan, in de journalistiek, in De Republiek der Letteren van Vrij Nederland, die Carel Peeters met zachte doch vastberaden hand bestierde. Wij schreven midden jaren ’90 beiden haast wekelijks in dat blad.

De hoofdredactionele zetel van Vrij Nederland werd gebroederlijk gedeeld door Rinus Ferdinandusse en Joop van Tijn, en van die laatste mocht ik in juni 1995 voor Vrij Nederland naar Amerika! Een afscheidscadeautje. En o, wat was ik daar verguld mee. Ik was nog nooit in Amerika geweest en koesterde hooggespannen verwachtingen van die eerste werkelijke kennismaking – in dat opzicht verschilde ik nauwelijks van de Joost Zwagerman die zich als adolescent in de Hollandse provincie al een magistraal Amerika bij elkaar verbeeldde, daarbij geholpen door boeken, films, muziek en schilderijen.

Mijn vijf laatste stukken voor Vrij Nederland zouden zodoende made in the USA zijn. Want per 1 augustus van dat jaar trad ik als acquirerend redacteur in dienst van De Arbeiderspers, zelfs toen al een jaar of negen de uitgeverij van Joost Zwagerman. En zo vloog ik naar Chicago voor een groot stuk over literair agenten en scouts, daar verzameld op de ABA, zeg maar de Frankfurter Buchmesse van Amerika, en verbleef vervolgens, samen met collega Ed van Eeden, een weeklang in New York in een hotel aan 53rd Street, waar ik tussen uitstapjes en slemppartijen door met Van Eeden en Arnon Grunberg (die daar toen net woonde – en met wie we onder meer aten in een restaurant waar drag queens de bediening deden) interviews hield met Simon Schama, met de van origine Nederlandse natuurwetenschapper Abraham Pais, hoogleraar aan Rockefeller University, wiens memoires Einstein woonde hier in het Nederlands waren verschenen én met niemand minder het megageleerde viswijf van de Amerikaanse kunst en letteren, de toen adembenemend hotte Camille Paglia.

Het kan geen toeval zijn dat het nummer van Vrij Nederland waarin dat interview met Paglia geplaatst werd, op 22 juli 1995, ook een recensie van Joost Zwagerman bevatte over haar werk. Nou ja, recensie. Zeg maar rustig een literaire kritiek – want dat genre bestond in die tijd nog – over heel haar werk naar aanleiding van het net verschenen Vamps & Tramps. Dat waren nog eens tijden! Die stukken gingen eindeloos door, en dat kon toen nog. Dat werd toen nog gelezen. Het interview (onder de kop ‘La Paglia lijkt Madonna wel’) telde minstens vijfduizend woorden en dat stuk van Joost, onder de titel ‘Het kickboksfeminisme van Camille Paglia’ in Americana terechtgekomen, evenveel.

Wie op zoek gaat naar wat Joost Zwagerman in Camille Paglia boeit, komt uit bij de hoogst originele manier waarop zij tegelijk bevlogen en provocerend met ware doodsverachting schrijft over de heilige huizen van de grote kunst evenzogoed als over verschijnselen in de massacultuur die – zeker toen – nog met dedain bejegend werden in academische en artistieke kringen. Als je met eenzelfde elan en diepgang kunt schrijven over Madonna en John Keats,  pretparken en 19de-eeuwse decadente kunst, drag queens en heidense schoonheid – dan kun je bij Joost Zwagerman wel een potje breken. In zijn Paglia-stuk stelt hij dat zij haar geestverwanten vindt in kringen van ‘autonome autodidacten, vrijdenkers, rebellen en self made mediahelden’. Voor zijn eigen geestverwanten put Joost uit dezelfde kringen.

Paglia’s hoofdwerk, Sexual Personae, is een onderneming die als doel had de hele westerse cultuurgeschiedenis te herschrijven, van de oudheid, de renaissance en de romantiek tot 1900. Het is een polemisch boek waarin met duivels genoegen allerlei moderne taboes worden getart. Het bevat snedige aforismen zoals ‘Als we de beschaving aan vrouwen zouden overlaten, leefden we nóg in plaggenhutten’. En: ‘Er is geen vrouwelijke Mozart omdat er geen vrouwelijke Jack the Ripper is.’ Ze keert zich tegen humanisme, marxisme, modernisme en feminisme als weke geestesstromingen die de wreedheid van de natuur verdoezelen en ziet de westerse geschiedenis als een voortdurende slingerbeweging waarin kunst en cultuur nu eens gedomineerd worden door het dionysische (zeg maar het aardse met al zijn donkere associaties) en dan weer door het apollinische (het hemelse met al zijn harmonieuze en ideële noties).

De grootse gebaren waarmee Paglia haar meesterwerk schreef, voert mij automatisch naar de niet veel minder grootse gebaren waarmee Joost Zwagerman zijn Americana, zijn omzwervingen in de Amerikaanse cultuur, poneert. Weliswaar is zijn speelveld wat kleiner (de hele Amerikaanse kunst van 1900 tot nu versus de hele westerse geschiedenis sinds de oudheid) en heeft hij niet de megalomane missie van Paglia, toch ware het een understatement zijn ambitie bescheiden te noemen, al was het alleen maar omdat tegenover de 800 bladzijden van Paglia er 1200 van hem staan in twee dikke delen, bijeengehouden door een stevige cassette (waarbij het in deel 1 voornamelijk over literatuur en in deel 2 over muziek, film en beeldende kunst gaat). Maar bescheidenheid lijkt me in dit geval ook geen deugd, wel eigengereidheid, en eigengereid ís Joost. Hij schrijft geen overzicht, hij schrijft alleen over waar hij écht enthousiast over is, alleen over wat hem wérkelijk interesseert. En dan ontstaat er terloops toch nog een soort overzicht, want in zijn omvang en reikwijdte komt Americana in de buurt van een encyclopedie. Gelukkig is het dat niet. Daarvoor is het te persoonlijk van stijl en visie.

Maar hoe zit het dan met die voorkeuren van Joost Zwagerman? Daarvoor kunnen we bij Paglia terecht! Haar bipolaire presentatie van de westerse kunst (waarbij wat classicistisch, symbolistisch en op de vorm gericht is binnen de apollinische en alles wat romantisch, realistisch en primair op de inhoud gericht is in de dionysische zuil valt) biedt een aardig kader om eens te bezien waar bij Joost Zwagerman de nadruk ligt.

Dat is nog niet zo’n eenvoudige zaak, want zowat alles lijkt te zijn opgeslagen in deze wervelende museale twintower. Toch, als je er eens een dag of wat rustig en met een waakzaam oog hebt rondgelopen vallen je een paar dingen op. De Amerikaanse canon van Joost Zwagerman, concludeer je dan voorzichtig, is een urbane, eentje met iconische helden (vaak omgeven met sex-appeal) eerder dan met iconische werken, het legt meer nadruk op de vernieuwende dan op de traditionele tendensen, het geeft meer blijk van affiniteit met het spectaculaire dan met het ingetogene.

Over Amerikaanse klassieke muziek tref je hier niets aan (ook de naam Leonard Bernstein valt geen keer). Joost zal vinden dat klassieke muziek überhaupt geen Amerikaanse traditie is. Zoiets kan dan weer moeilijk gezegd worden van het hele domein dat de oude blues en country rock bestrijken, maar over Muddy Waters en Hank Williams, Little Feat en Wilco zul je in Americana niets kunnen lezen, en over jazz zo goed als niets. Joost zal vinden dat die hele country rock té profound Amerikaans, te traditonieel, te achterhoeks is. En datzelfde geldt misschien wel voor schrijvers als Jim Heynen of Cormac McCarthy, maar dan weer niet voor William Faulkner, toch ook niet bepaald een grotestadsschrijver. Het compleetst en ruimhartigst lijkt Joost op het gebied van de schilderkunst. Daar omarmt hij bijna alles van belang. Ik ben geen kenner (en zie misschien het nodige over het hoofd), maar de enige die ik miste was Charles Sheeler, en dat komt misschien omdat Sheeler vooral veel desolate industrielandschappen heeft geschilderd. Wel modern maar niet stads. Over het algemeen zou je kunnen stellen dat de meer symbolistische, verstilde, intimistische kunstenaars wat ondervertegenwoordigd zijn. Filmers als John Cassavettes (met zijn zwaarmoedige relatie-melodrama’s) of Jim Jarmusch (met zijn licht absurdistische, ongrijpbare, poëtische zwart-wit films), dichters als Wallace Stevens, William Carlos Williams – je zult er niks of vrijwel niks over terugvinden.

Maar dat is natuurlijk helemaal niet erg! Sterker nog: dat is maar goed ook want als alles en iedereen erin zou staan zou het nooit die eindeloze laaiende liefdesverklaring zijn geworden die het nu is en die niettemin van eenieder die dit boek van a tot z gaat lezen een soort connaisseur zal maken op het gebied van de Amerikaanse kunst.

Het moge duidelijk zijn: in de tweedeling van Paglia komt Zwagerman terecht in de dionysische hoek. Niet de hemel maar de aarde, niet de vorm maar de vent, niet het arcadische platteland maar de hectische stad. Liever seks, drugs & rock ’n roll dan de ijle lucht van de ivoren toren of de slaapverwekkende nectar die op de flanken van de Parnassus wordt uitgeschonken. Liever het stinkende riool waarin een popidool kan verzuipen dan het duffe aureool waarmee de grote dichter voor eeuwig op zijn marmeren sokkel wordt geplaatst.  Joost Zwagerman is een romanticus met modder aan de broekspijpen.

Ik ben gelukkig niet de enige die er zo over denkt. De eerste prachtrecensie – en dus ook een oordeel uit onverdachte bron – is al binnen. In de VPRO-Gids van deze week karakteriseert Dirk-Jan Arensman onder de kop ‘Amerikaan uit Alkmaar’ het boek als ‘een rijk en vaak meeslepend compendium. Eén waarin Zwagerman je als een gedroomde docent cultuurgeschiedenis laat kennismaken met leven en werk van de voormannen van de Beat Generation of het Brat Pack, abstract expressionistische schilderijen van Mark Rothko of de foto’s van Diane Arbus en Nan Goldin. Die telkens opnieuw het mysterie van Andy Warhol omcirkelt, de carrière van Madonna boekstaaft of een “Kleine fenomenologie van de playmate” presenteert, inclusief de culturele implicaties van de modes in schaamhaardracht door de jaren heen.’

Vanochtend stond er al een indrukwekkend interview in Trouw, eentje dat de hele frontcover van De Verdieping in beslag nam. En Humo tipt Donna Tartt, Alice Munro en Joost Zwagermans Americana als dé drie boeken van de Vlaamse Boekenbeurs, gisteren begonnen, en die worden dan weer gevolgd door Richards Yates, Een geval van ordeverstoring, met vier vermeldingen in Americana, uw nieuwe vademecum. Yates wordt ook al uitgegeven door De Arbeiderspers. Het is geen prutsuitgeverij, die AP.

Wie dit kleine college, dat ik nu ga afronden, aandachtig heeft gevolgd, zal het zijn opgevallen dat ik maar een fractie van de namen heb genoemd die in Americana ter sprake komen. Het register achterin dit boek telt nog minstens 1500 andere namen. Namen die voorkomen in de bijna tweehonderd enthousiasmerende stukken die dit boek telt.

Kortom: u hebt nog een hoop te leren. Wees daar maar blij om!
ddd9789029588560

 

Auteursportret: (c) Keke Keukelaar

Coorn op de molen van Stoner. Over ‘Dorsmans dood’ van Miek Smilde

De volgende honderdvijftig woorden over Dorsmans dood van Miek Smilde heb met wat aanpassingen domweg overgeschreven. Plagiaat met een boodschap.

Pieter Coorn wordt halverwege de twintigste eeuw geboren als zoon uit een eenvoudige Rotterdamse familie van harde werkers. Tot groot chagrijn van vooral zijn vader, fietsenmaker, kiest hij voor een studie rechten in Groningen. Hij wijdt zijn leven aan het recht – aanvankelijk als sociaal advocaat, op een gegeven moment als rechter – en aan de liefde, en faalt op beide fronten. Zijn huwelijk met een eveneens gestudeerde vrouw uit een ander (wat hoger) sociaal milieu vervreemdt hem verder van zijn familie. Zijn carrière betekent zeer veel voor hem, in elk geval meer dan goed is voor zijn huwelijk en voor de relatie met zijn kinderen. Hij vraagt zich af of hij bij zijn vrouw zou zijn gebleven als hun eerste kind was blijven leven. Wanneer na jaren blijkt dat er in een zaak, waarin hij als rechter gevonnist heeft, fouten zijn gemaakt, komt ook zijn loopbaan in een vrije val terecht.

Ik heb deze tekst grotendeels overgeschreven van de achterflap van Stoner, de geweldige roman van de Amerikaanse auteur John Williams, die daarmee zoveel lezers tot tranen toe heeft weten te ontroeren. Een onversneden literaire roman nota bene, waarvan er in Nederland misschien wel – ik doe een gooi – een paar honderd duizend verkocht zijn. In Williams’ boek gaat het om een universitair docent Engels uit een boerenfamilie in de Verenigde Staten. Ik heb dus grotendeels alleen de namen, functies en locaties hoeven veranderen om de tekst volledig te laten slaan op Dorsmans dood. En dat heb ik niet zomaar gedaan. Dat heb ik gedaan omdat ik ook al bij eerdere gelegenheden – uit de grond van mijn hart – heb geroepen dat het nieuwe boek van Miek Smilde bepaald Stoner-achtige kwaliteiten heeft.

Betekent dit nu dat Miek Smilde een beroemde en veelgeprezen roman van een Amerikaanse auteur als voorbeeld heeft genomen voor een eigen aan verbeelding ontsproten werk? Geenszins, al was het maar omdat Miek Smilde in haar roman – uiteraard – een totaal andere werkelijkheid oproept (een in zekere zin heel herkenbaar Nederlandse!), omdat ze voorts een totaal andere invulling geeft aan dat hele mensenleven dat zij beschrijft en omdat ze bovendien in zowel stilistisch als compositorisch opzicht een heel ander boek heeft geschreven.

Ik weet niet eens of Miek Smilde die roman van Williams wel gelezen heeft. Zo niet, dan raad ik haar (bij dezen) aan dat beslist nog een keer te doen. Doet er ook niet toe. Wat er wel toe doet. In beide gevallen is sprake van een diep menselijk, aangrijpend en tragisch verhaal over één exemplarisch mens.

file5
Advocaat Stijn Franken ontvangt het eerste exemplaar van Dorsmans dood uit handen van Miek Smilde.

Dat Dorsmans dood een boek is over recht en oordeel, en dat het terloops een even helder als panoramisch beeld schetst van meer dan een halve eeuw van denken over misdaad en straf en over de praktijk van het strafrecht in met name Nederland – mij zult u er niet over horen. (Op de boekpresentatie waar ik een andere versie van deze tekst uitsprak werd daarover het nodige belangwekkende te berde gebracht door de jurist Stijn Franken, in de grote wereld bekend als de advocaat van Willem Holleeder.)

Als het zo betrekkelijk eenvoudig is om de tekst over de inhoud van het boek af te leiden van de flaptekst van Stoner, is het misschien ook niet moeilijk een citaat in Dorsmans dood te vinden dat doet denken aan dat op de flappen van Stoner waarin de vader van William Stoner zijn teleurstelling uitspreekt over het feit dat zijn zoon heeft aangekondigd het huis te gaan verlaten om in de grote stad te gaan studeren.

In Dorsmans dood luidt een vergelijkbare scène als volgt:

‘Terwijl hij naar de breekbare man [Coorns vader op diens sterfbed PN] keek die met zijn ogen gesloten onregelmatig ademhaalde, dacht Pieter aan het gesprek dat hij met zijn vader had gevoerd, bijna een kwart eeuw geleden, toen hij aan het begin van zijn volwassenheid stond en zijn vader op de drempel van de vergetelheid. In het niemandsland tussen leven en dood kregen de herinneringen kans zich te wreken.

“Ja, vader, ik wil rechten gaan studeren, in Groningen.”

“Waarom daar?”

Hij had er geen antwoord op durven geven. Achttien was hij geweest, en hij wilde maar één ding: weg. Zo ver mogelijk weg van de rauwe realiteit van de Rotterdamse haven.

“En de zaak?”

“Hoezo, de zaak? U hebt Hans en Tom toch?”

“Ik stond met drie broers in de zaak. Drie broers, acht zussen, elf kinderen. Allemaal Rotterdammers. Niet lullen. Poetsen.”

“Ik weet het vader, toch wil ik studeren.”

“Onzin.”

De stilte die was gevallen, had de laatste genegenheid tussen hen vernield.’

En als we dan toch bezig zijn kunnen we net zo goed ook een paar quotes van de flappen van Stoner overnemen en van toepassing maken op Dorsmans dood.

*Als u een boek wilt lezen dat uw leven gaat veranderen, lees dan Dorsmans dood – Arnon Grunberg.

*Ik heb weinig romans gelezen die zo diepgaand en helder zijn als Dorsmans dood van Miek Smilde. Een boek dat het predikaat verdient van verborgen klassieker van de Nederlandse literatuur. – Chad Harbach, auteur van De kunst van het veldspel in een rond 2035 in The New York Times Book Review te verschijnen recensie naar aanleiding van de Engelse vertaling.

En:

*Het allerbeste boek dat in 2019 uitkwam, een meesterwerk dat eindelijk eens echt de titel meesterwerk verdient is: Dorsmans dood van Miek Smilde. Mijn God, wat een boek! Het maakt alle lijstjes overbodig en laat de andere boeken ver (ver!) achter zich. – Maartje Wortel in NRC Handelsblad

Maar alle gekheid op een stokje, alle overdrijving daargelaten, alle cabaret opzijgeschoven: ik ben volstrekt serieus over de waardering die ik voor dit boek heb. Dorsmans dood is een existentiële roman zoals er in Nederland weinig geschreven worden.

file4.jpeg

Literair succes is een kwestie van betaald koffiedrinken. Of hoe Ilja Leonard Pfeijffer een beroemd schrijver werd*

Het is een vraag die nogal eens gesteld wordt, op feestjes bij voorbeeld, als ik met iemand in gesprek raak en vertel dat ik redacteur ben en op een uitgeverij werk. ‘Maar wat doe je dan eigenlijk, als je redacteur bent?’ Weinig vermoedelijk, zie je zo iemand denken.

Dat dacht mijn goede vriend E. jaren geleden al. Nee, hij dat onomstotelijk vastgesteld. ‘Betaald koffiedrinken,’ zo definieert hij mijn werkzaamheden altijd en tot op de huidige dag. Maar hij is dan ook zelfstandig publicist. Zo iemand moet werken voor zijn geld. Voor zo iemand is kieskeurigheid een belachelijke luxe. Hij afficheert zichzelf dan ook als tekstboer met gemengd bedrijf: ‘Voor al uw non-fictie!’

Maar ik ben dus een betaald-koffiedrinker. In Ilja Leonard Pfeijffers Hoe word ik een beroemd schrijver rijst een nauwelijks hoogstaander beeld op van literair redacteuren in het algemeen en van mij-als-redacteur in het bijzonder. Het hoofdstuk ‘Wat is de rol van de redacteur’ begint nog redelijk vleiend: ‘Hij is al sinds mijn debuut mijn redacteur en in de loop van de jaren is hij een goede vriend van mij geworden. Hij kent mijn werk als geen ander en hij heeft affiniteit met mijn ambities. Hij begrijpt wat ik in artistiek opzicht wil bereiken. Daarom is hij de aangewezen man om van gedachten mee te wisselen over nieuwe ideeën. Daar komt veel bier bij kijken. En als ik dan na een bijzonder aangename avond naar huis zwalk, besef ik dat ik meer en betere ideeën heb dan daarvoor en dat ik nog meer enthousiasme heb om die uit te voeren. In dat opzicht is mijn redacteur van essentieel belang.’

2 - Ilja Leonard Pfeijffer HR - altijd het volgende vermelden - © Stephan Vanfleteren_RVtotfeb2021.jpg
Ilja Leonard Pfeijffer. Foto: Stephan Vanfleteren.

Maar verder? ‘Verder doet hij niets,’ schrijft Ilja. ‘We spreken een deadline af en ik lever hem een kant-en-klaar manuscript. Kan zo naar de drukker. Hoeft hij niets meer aan te doen. Hij moet mij alleen zo snel mogelijk bellen en minstens een uur lang in euforische bewoordingen vertellen hoe fantastisch, briljant en geniaal hij het vindt.’

Ik moet toegeven dat dit in zijn geval vrijwel de waarheid is, afgezien dan van dat bier. Das war einmal. Het bier heeft, sinds Ilja niet meer drinkt, plaatsgemaakt voor bruiswater en koffie. En af en toe – alleen voor mij – een bedremmeld en beschaafd glaasje wijn naast een bordje pasta of wat het ook maar is wat we eten.

Ilja had het druk de afgelopen jaren. Zijn roman La Superba, waarmee hij de Libris Literatuur Prijs had gewonnen, had hem in de eredivisie van de Nederlandse literatuur doen belanden. Hoewel hij het met plezier deed, was hij erg veel aan het optreden. Je bent nu eenmaal een beroemd en veelgevraagd schrijver of je bent het niet. Het weerhield hem er niet van in die jaren ook nog een vuistdik brievenboek (Brieven uit Genua), een veelbekroonde dichtbundel (Idyllen), een korte roman Peachez, een romance) en een aantal toneelstukken te schrijven. En dan ontmoette hij (lees daarvoor Brieven uit Genua) in 2015 door Stella ook nog eens de liefde van zijn leven. In zijn hoofd was intussen al gedurende enige tijd een idee voor een nieuwe grote roman aan het ontkiemen (‘iets met toerisme’), maar hij had eenvoudigweg de tijd niet om daar echt werk van te gaan maken op papier.

Dat dit majeure project niet op de lange baan is geschoven heeft misschien ook nog wel iets te maken met een andere gelukkige maatregel die Ilja Leonard Pfeijffer een aantal jaren eerder had genomen. Hij schakelde de hulp in van een zakelijk manager – of noem het een persoonlijk assistent voor mijn part. Iemand die zijn agenda en zijn geldzaken beheert en samen met hem en de uitgeverij een lange-termijnplan voor zijn activiteiten ontwikkelt en beheert. Michaël Roumen zorgde ervoor dat Ilja’s agenda in de eerste negen maanden van 2018 tamelijk leeg bleef zodat hij kon schrijven aan dat boek dat ineens (in het vroege voorjaar van 2018) Grand Hotel Europa bleek te heten en waarvan hij mij rond diezelfde tijd hoofdstukken begon te sturen. Hoofdstuk 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 8 – kortom niet in de volgorde waarin ze uiteindelijk in het boek kwamen, waardoor het voor mij aanvankelijk stukjes bleven van een grote puzzel die hij aan het leggen was. Het werd me niettemin al vrij snel duidelijk dat dit niet alleen een roman over toerisme ging worden, maar ook over Europa, over een continent in verwarring, over het avondland dat zo niet ten onder gaand toch op zijn minst aan het wegkwijnen was. En dan werd er, zo leek het, ook nog een heuse liefdesroman en een spannende queeste naar een verdwenen Caravaggio-schilderij in verwerkt. Er volgden in rap tempo nieuwe hoofdstukken, maar het leek me een vrijwel onmogelijk opgave om dat manuscript volgens plan aan het eind van de zomer af te hebben opdat het nog eind 2018 zou kunnen verschijnen.

Daar kwam nog bij: ik had een sabbatical op het programma staan. Deze redacteur, die toch al de hele dag op zijn luie reet betaald zit koffie te drinken, had zich voorgenomen tussen juli en november thuis op z’n luie reet te gaan zitten. Dóórbetaald koffiedrinken!

Ilja Leonard Pfeijffer - Grand Hotel Europe - Cover.jpg

In zo’n riante positie (thuis of op je werk nietsdoen) kon ik het me veroorloven niet al te principieel te zijn. Ik sprak met Ilja af dat als hij het manuscript vóór 1 oktober zou kunnen inleveren, ik mijn sabbatical zou onderbreken om het te lezen en van commentaar te voorzien. Maar al op 7 september – ik stond op het punt om te beginnen aan een rondreis door Frankrijk – liet hij me tot mijn enorme verrassing weten dat het boek af was, wat betekende dat hij die laatste twee maanden minstens 100.000 woorden moest hebben geschreven. Ik feliciteerde hem met de voltooiing maar ook met die ongelooflijke krachtsinspanning en liet hem weten dat ik nu toch eerst even een rondje Frankrijk ging doen. Dus reisde ik pas begin oktober naar Genua om een kolossaal boek met hem door te nemen waar volgens de auteur zelve toch niks meer aan hoefde te gebeuren. Het moge duidelijk zijn dat ik de niet te filmen mazzel heb tegelijkertijd een grandioos en een bedaard leven te kunnen leiden. Het tonen van enthousiasme is zo ongeveer de enige inspanning die ik mij bij tijd en wijle moet getroosten.

Welnu dan, de rest is, zoals dat heet, geschiedenis. Half december – ik was net weer op kantoor – verscheen Grand Hotel Europa. In het weekend dat daarop volgde (zaterdag en zondag 15 en 16 december) maakte Ilja een tournee door Nederland. Ik reed hem rond toen hij op die zondag boekhandels in Nijmegen, Arnhem en Zutphen bezocht. Overal rijen kopers tot op straat, wachtend om hun boek (soms een stapel boeken) gesigneerd te krijgen. Toen begreep ik dat dit een nooit eerder vertoond succes ging worden. Nog voor het jaar ten einde waren er  40.000 exemplaren over de toonbanken gegaan. En inmiddels zijn er meer dan 130.000 verkocht en zijn de vertaalrechten voor Grand Hotel Europa aan talrijke landen verkocht.

De goede verstaander heeft intussen begrepen deze woorden uiteindelijk niets anders dan een lofrede op de luiheid zijn. Betaald nietsdoen werpt zijn vruchten af. Alles is mogelijk voor wie maar lang en veel koffiedrinkt.

*Tekst is gebaseerd op een toespraak gehouden tijdens Grand Hotel Europa-summit die De Arbeiderspers in juni organiseerde voor de buitenlandse uitgevers (Duitsland, Kroatië, Macedonië, Portugal, Italië, Verenigd Koninkrijk, Finland, Frankrijk, Tsjechië, Noorwegen en de Verenigde Staten) die dit boek in de komende tijd gaan brengen.

grandhoteleuropa (8 van 75)
Ilja Leonard Pfeijffer met, onder andere, zijn buitenlandse uitgevers. Foto: Baltasar Thomas.

De man van taal spreidt zijn titanium vleugels uit. Over Max Greyson, ‘Et alors’

Al ver voor Max Greyson in 2016 als Nederlandstalige dichter op papier van zich deed spreken met zijn debuut Waanzin went niet, trok hij – we kunnen dit allemaal lezen op zijn eigen website – heel Europa door als spoken word performer in internationale, interdisciplinaire muziektheatervoorstellingen. Dit podiumwerk deed hem, soms voor langere tijd, belanden in plaatsen als Florence, Keulen en Boedapest.

Met deze kennis in het achterhoofd en de vaststelling dat de titel van zijn tweede bundel een monoglot vreemd in oren zal klinken, is het misschien gerechtvaardigd eraan te beginnen met de vraag of we dan ook te maken hebben met een Europese bundel.

Wie er vervolgens een beetje doorheen gaat zitten bladeren, zal het opvallen dat er bij voorbeeld geen woord Spaans bij zit in Et alors. En trouwens ook kein einiziges Wort Deutsch en not a single word in English zelfs. Maar dat laatste moet ik half terugnemen. Er staan wel een paar woorden Engels in, maar die gaan feitelijk aan de bundel vooraf. Die vormen het motto. Het betreft drie regels uit Book of Longing van Leonard Cohen:

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Of dat veel goeds belooft staat nog te bezien. Laten we eens naar het openingsgedicht (oftewel de proloog) kijken, naar het ‘first of all’ om het zomaar te zeggen. Dat gedicht heet veelzeggend genoeg ‘Rien à déclarer’. Met andere woorden: ik heb niets aan te geven, niets uit te leggen. En het gedicht sluit af met de woorden: ‘de wil om niets te delen niets te bewijzen / geen geschiedenis te schrijven met mijn frêle onderstel / rennen neervallen bederven ontbinden’. Daaruit spreekt niet direct een groot engagement, laat staan om zich uit te spreken over de maatschappelijke werkelijkheid. Er spreekt vooral onwil uit, tegenzin en wanhoop zelfs.

Greyson_(c)_Koen_Broos_RV
Max Greyson. Foto: Koen Broos.

Goed, dat hebben we genoteerd. Maar hoe zit het dan met het ‘a little later’ waarin ‘nothing will happen again’? Ook dat gedicht, ervan uitgaande dat we voor dat ‘a little later’ naar de epiloog van de bundel moeten, heeft een nogal omineuze titel: ‘La fin ne justifie rien’. Een einde dat niets rechtvaardigt dus. Daar moeten we het mee doen. Het is niet bepaald een comfortabele toestand waarnaar verwezen wordt. ‘We hebben afgeworpen / wat los hing in verbanden / hebben onszelf tegenpolig / gemagnetiseerd, zijn gevlucht / maar niet weg’. Maar anders dan in het openingsgedicht gloort hier wellicht toch een sprankje hoop. De laatste regels luiden: ‘Zolang we niet omkijken / kunnen we nog terug’. Een (paradoxale) poëticale uitspraak lijkt me ook, een opdracht aan de dichter om onverdroten – en ondanks verlies van het nodige, ja zelfs de liefde – voort te gaan en niet zoals de tragische Orpheus om te kijken waar zijn Eurydice blijft.

Maar dit terzijde, want het gaat me om de observatie dat deze bundel weliswaar geen woord Spaans, Duits, Engels enzovoorts bevatte, maar dat men alleen al uit de titel van de bundel en van de twee aangehaalde gedichten kan opmaken dat het Frans is wat de klok slaat. De titels van vrijwel alle gedichten in deze royale bundel – en niet zelden ook frasen of zelfs hele strofen – zijn francofoon. Als dat geen statement is!

Maar waarvoor dan? In België, dat immers tweetalig is, spreekt, verstaat en leest een deel van de Nederlandstaligen waarschijnlijk nog wel Frans, maar in Nederland gaat het inmiddels om een behoorlijke minderheid. In Nederland wordt zelfs die titel al nauwelijks begrepen en soms foutief uitgesproken als ettalors. Dat doet het ergste vermoeden omtrent het Frans binnen het omslag van de bundel. Met titels als ‘La conjugaison de l’amour’, ‘Bruxelles ma belle’, ‘Ni dieu ni maître’.

Een dergelijke welhaast roekeloze omarming van het Frans – dat kan niet per ongeluk gedaan zijn. Dat staat ergens voor. En op de achterflap van de bundel doen we een beknopte poging daar iets over te zeggen: ‘“Tussen vechten en vluchten ligt een kavel die Vlaanderen heet / waar men zuinig glimlacht en danst met veel sérieux,” aldus een van de gedichten. In sommige opzichten is Et alors de talige ontmanteling van een gewest en zijn geschiedenis, van een dichter en zijn taal. Hier zoekt iemand een moedertaal, balancerend op de raaklijn van het Frans en het Nederlands. Et alors? Wat nu? Nu alles is gesloopt. Nu we bedorven en ontbonden zijn?’

Als we dit politiek-maatschappelijk uitleggen: hier zoekt iemand een nieuwe balans, in een verscheurd land, in een verscheurd Europa. Hier doet iemand even wanhopige als opzichtige pogingen nieuwe verbintenissen tot stand te brengen. Neem bij voorbeeld deze regels uit nota bene een van de weinige gedichten, ‘Moedertaal’, met een niet-Franse titel: ‘Ik spreek in doffe waarheden / barbaars gestolen uit bastaardmonden / woorden als vreemdelingen gezuiverd / van hun eigen melodie / dierlijke klanken geëcht in een schone mantel / en etnisch-orthografisch vastgehecht.’ En een paar strofen verder: ‘Zij ligt à la française aan mijn ondergrens te zingen /  ik ben de rede en zij is zichzelf / niet meer de taal van het vasteland / mijn vlakke land heeft haar uitgestippeld / en verstoten, alle verwachtingen ingelost / alle verwachtingen ingelost / in een opbod van solide logica en vaandeldragen’.

vdh9789029528559.jpg

Het mooie van poëzie is uiteraard dat veel van wat gezegd wordt dubbelzinnig is of zelfs ongrijpbaar, maar anderzijds heeft het er toch alle schijn van dat hier iemand zich uitspreekt tegen het uitventen van een gewenste identiteit op basis van taal en nationaliteit. Lees daarvoor bij voorbeeld ook nog eens de afdeling ‘Passoire’ waarin het van de slagvelden van WO I tot en met de jungle van Calais gaat over de nefaste gevolgen van nationalisme en xenofobie en het besef ‘dat onze verbondenheid pas ontwaakt / wanneer we niet meer doen alsof / we elkaar verstaan.’ Maar laat overigens ook gezegd zijn dat veel van wat deze bundel te bieden heeft zich op een veel persoonlijker en intiemer toneel afspeelt, dat van de liefde, de schermutselingen die daar plaatsvinden in een schitterende reeks onder de noemer ‘La conjugaison de l’amour’ (oftewel: de vervoeging van de liefde).

In zijn meertaligheid en zijn uitgesproken verlangen, hoe desolaat ook, naar nieuwe verbindingen is Et alors een waarlijk Europese bundel. Guy Verhofstadt riep het ook al triomfantelijk toen afgelopen week bleek dat de opkomst bij de Europese verkiezingen voor het eerst sinds 1979 weer is gestegen: ‘Europa is terug, Europa is weer populair.’ Dat laatste staat nog te bezien, maar dat Europa weer onderwerp van gesprek, ook in de kunst en de literatuur, blijkt ook uit het succes van de grote roman van de schrijver die Max Greyson enkele jaren geleden de kant van De Arbeiderspers op dirigeerde: Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Het overdonderende succes en de impact van dat boek in de Lage Landen heeft uitgevers uit vooralsnog elf landen (naast de Verenigde Staten, tien uit Europa) doen besluiten de vertaalrechten van de roman aan te kopen. Voor ons aanleiding om die uitgevers binnenkort samen naar Amsterdam te laten komen voor een met enige ironie door ons genoemde ‘top’ over Grand Hotel Europa.

Nog een laatste keer terug naar Et alors? En wat dan nog?

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Maar tussen die twee bedrijven door vergast Max Greyson ons op een waar spervuur van taal, beelden, observaties, reflecties en emoties. De man van taal, zoals we die kenden uit Waanzin went niet, spreidt zijn titanium vleugels uit. In Et alors gaat hij voor de Europese top.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑